Doop en besnijdenis (2)

1981-04-10
  • Jaargang 25
  • nummer 14
Zoals gezegd, de besnijdenis heeft duidelijk dit karakter: ze bevestigt de relatie tussen de HERE en Abraham en zijn nageslacht.
Vermoedelijk heeft dit karakter te maken met de betekenis, die in Israëls omgeving aan de besnijdenis werd toegekend.
Bij vele volken werden jonge mannen besneden als teken van volwassenheid en geslachtsrijpheid. Ze waren in staat om kinderen te verwekken. "Het woord besnijden heeft de betekenis gehad van openen, gereedmaken, bekwamen om daarna deel te kunnen nemen aan het grote proces van vruchtbaarheid en leven, waarvan de hele wereld nu eenmaal vol is" (ds C. Vonk, De Voorzeide Leer Ia, p. 214). De HERE geeft dit teken van leven al mee aan pasgeboren kinderen.
Met de verlegging van de datum der besnijdenis wordt, zo schrijft prof. B. Holwerda in zijn collegedictaten III p. 279, "het onmiddellijk verband tussen besnijdenis en natuurlijke vruchtbaarheid in het huwelijk verbroken, en kon de besnijdenis hier worden tot teken en zegel van die daad Gods, waardoor Hij de geestelijk-religieuze onvruchtbaarheid ophief. De verstopping, die de vruchtbaarheid van het leven verhindert, is de zonde; en de besnijdenis die de verstopping opheft, is de vergeving der zonden, de rechtvaardiging uit het geloof. M.a.w. de Here bedient zich, als Hij dit algemeen-semitisch gebruik als sacrament voor Israël kiest, van denkbeelden ten aanzien van de bevordering van vruchtbaarheid en levensvoortgang. die Israël met andere volken gemeen heeft; doch door de datum van de besnijdenis te fixeren op de achtste levensdag, maakt Hij de zin der besnijdenis toch los van de "natuurlijke functie" die ze had, en maakt Hij ze tot een sacrament, dat verzegeling doet van de belofte der geestelijke levendmaking, waaronder het leven van zijn volk al van de eerste levensdag af staat. Het gaat hier dus om meer. dan wegneming van 'onreinheid', waarmee de zonde slechts tot op zekere hoogte is gekwalifiseerd. Maar het gaat om de verwijdering van de verstopping van het leven, om wegneming dus van de dood. Dan is onmiddellijk de lijn doorzichtig, die van hier loopt naar Rom. VI: ook de doop is sacrament van het begraven worden met Christus in de dood, en het met Hem opstaan tot een nieuw leven" .
Het is evenmin verwonderlijk, dat Paulus in Kol. 2 : 11, 12 spreekt over de "besnijdenis van Christus": want Hij nam de zonde weg, gaf het nieuwe leven en herstelt de band tussen God en mens.
Nu kreeg in het Oude Testament het besneden volk, het volk dus dat leefde onder Gods gegarandeerde belofte, de opdracht mee: besnijdt dan de voorhuid van Uw hart en weest niet meer hardnekkig (Deut. 10: 1-6). Precies zoals Rom. 6 de gedoopte mens vermaant: Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in Uw sterfelijk lichaam. U bent immers dood voor de zonde. Zowel van de doop als van de besnijdenis kan worden gezegd, dat wij erdoor worden vermaand en verplicht tot nieuwe gehoorzaamheid. In Kol. 2 : 12 schrijft de apostel: U bent met Christus mee begraven in de doop; U bent met Hem mee opgewekt. En dan vloeit daaruit voort wat hij schrijft in 3 : 5: doodt dan de leden die op de aarde zijn - doet aan als door God uitverkoren heiligen ...
Zo is er een duidelijke overeenkomst in de manier, waarop in het O.T. de besneden mens en in het N.T. de gedoopte mens wordt aangesproken. Het is deze overeenkomst, alsook die in het spreken over doop en besnijdenis zelf, die de kerk ertoe hebben gebracht te belijden dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is.
Ingaande op de overeenkomst in het spreken van de bijbel over de besnijdenis en de doop willen we beginnen met een vergelijking van Rom. 2 : 28 en 1 Petr. 3 : 21.
In Rom. 2 spreekt Paulus over de betekenis van de besnijdenis: ze brengt de besnedenen alleen baat, wanneer ze gepaard gaat met (beter kunnen we wellicht zeggen: gevolgd wordt door) een leven naar de wil van God. Dat bleek in het vorige artikel al aan de hand van Deut. 10: 16.Daarom schrijft de apostel: " ... niet dat is de besnijdenis, wat uiterlijk aan het vlees geschiedt ... de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter". Het gaat er in die tekst niet om, dat Paulus twee soorten besnijdenis leert, een echte en een niet-echte (zoals de "synodale" theologie rond 1944 onderscheid maakte tussen een "volle doop", die alleen de uitverkoren kinderen ontvingen, die dank zij hun verkiezing ook wedergeboren zouden worden en/ of de kern van de wedergeboorte reeds in hun hart meedroegen, en een "niet-volle doop", die de overige kinderen der kerk ten deel viel en die niet meer was dan een uiterlijk teken). Het gaat Paulus veelmeer om de vraag, wat de Jood aan zijn besneden-zijn heeft, en hij laat zien, dat die besnijdenis alleen dan een heilzaam effect heeft, wanneer de besneden Jood ook zijn hart besnijdt, naar de opdracht uit Deut. 10: 16. De besnijdenis van het hart, hoezeer ook een werk van de HERE (Deut. 30 : 6), blijft een zaak waar de besneden Jood voor moet werken en naar moet jagen (Jer. 4: 4). Precies zoals de mens die met en in Christus gestorven is, zijn leden op de aarde moet doden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief