Binnenkamer
1981-04-10
Ook dit tweede stukje over gebedspraktijken schrijf ik schuchter en met schroom. Bidden is een tere zaak en hoe gemakkelijk kan iemand zich gekwetst gevoelen in wat hem heilig is, als je kritische opmerkingen maakt over zijn gebed. Toch wil ik iets vragen. We hebben een tijd gekend, waarin het gebed een randverschijnsel was. Je bad “even” voor het eten en de voorzitter opende de vergadering “op de gebruikelijke wijze”. Men had niet het geloof, dat het gebed bergen verzet en er kracht aan verleend wordt. Gelukkig wordt er de laatste tijd beter over het gebed gedacht en geschreven. Maar we moeten niet in een ander uiterste vervallen. Ik denk aan de “gebedskalenders” en aan gebedskringen of aan kringgebeden in kerkdiensten en andere samenkomsten. In zo’n gebedskalender wordt gevraagd om vandaag te bidden voor een vergadering ergens in ’t land en morgen voor de uitzending van een echtpaar, dat ik niet ken. Dan vind ik het maar moeilijk om ervoor te bidden. ‘k Heb kinderen en allerlei andere mensen bij wier wel en wee ik sterk betrokken ben. Daar heb je een binnenkamer voor. De Here Jezus zei: “De deur van die kamer moet je dichtdoen” (Matth. 6:6).- Jaargang 25
- nummer 14
Natuurlijk doen de mensen van de gebedskalender en van de gebedskringen hun gebeden niet, om zich aan de mensen te vertonen (Matth. 6:5). Maar ik denk niet, dat we voor iedereen en nog iemand moeten bidden, die we niet kennen, en dia via een kalender naar ons toegeschoven wordt. Ik maakte ook wel zo’n dienst mee, waarin enkele mensen zich op de preekstoel achter elkaar opstellen, om dan ieder op z’n beurt enkele voorbeden te doen. Het is mij te zeer geprogrammeerd. Ik denk dan onwillekeurig aan Joodse gebedsriemen en Roomse rozekransen en aan de veelheid van woorden en gebeden, waar onze Heiland niet enthousiast over was. Daarom zei Hij: “Bidt gij dan aldus”en toen kwam alleen maar het “Onze Vader”. Dat zegt toch wel wat.