Historische schets van de Reformatorische Wijsbegeerte

1981-04-10
  • Jaargang 25
  • nummer 14
Ten geleide

Afgelopen zomer, tijdens mijn vakantie, heb ik het genoegen gehad wat te neuzen in de 'Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte'.
Daarbij heb ik veel interessante zaken aangetroffen.
Hieronder treft u een neerslag daarvan aan, nl. een beknopte historische schets van de groei en bloei van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte èn van haar 'dochter', de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.
Zoals u wellicht weet, ben ik hoofd van het centraal bureau van deze beide.
De gegeven historische schets acht ik echter van breder belang dan alleen voor bestuursleden e.d, van Vereniging of Stichting.
Stellig zijn ook vele lezers van Opbouw geïnteresseerd in de geschiedenis van beide organisaties (die overigens feitelijk een twee-eenheid vormen). Ik vermoed zelfs, dat nogal wat Opbouw-lezers beter zijn geïnformeerd dan ik: welnu, ik houd me aanbevolen voor uw aanvullingen, kritiek, korrekties etcetera.
Mogelijk zal deze 'historische schets' nog eens voor breder kring gepubliceerd worden!



Het 'voorspel' wordt gevormd door de benoeming van H. Dooyeweerd en D. H. Th. Vollenhoven als hoogleraren aan de V.U. Beide vangen aan met de ontwikkeling van een broodnodige, schriftuurlijke wijsbegeerte.
Gezien de historische achter- en ondergrond spreken zij zelf telkens van een calvinistische wijsbegeerte. Beide benoemingen vinden plaats in 1926.
In '33 verschijnt het eerste werk van Vollenhoven: Het Calvinisme en de reformatie van de wijsbegeerte.
In '35/'36 verschijnen de drie delen van Dooyeweerd's hoofdwerk: Wijsbegeerte der Wetsidee (ziehier de 'bijnaam' - soms caricaturaal gebruikt - van onderhavige wijsbegeerte). Van meet af aan zijn Dooyeweerd en Vollenhoven ervan overtuigd dat een schriftuurlijke wijsbegeerte een grotere reikwijdte heeft (en ook behoort te hebben) dan het wetenschappelijk veld. Herhaaldelijk dragen ze dan ook de gewonnen inzichten uit door middel van leringen, artikelen etcetera.
De weerklank was bemoedigend en leidde dan ook tot het begin van een 'organisatie'.

Eerste periode: 1935/'36 tot 1946/'47 'groei en, bloei'.
Op 14 december 1935 vindt de oprichting plaats van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.
Kennelijk betrof het hier een 'vliegende start', want al het nummer van Mededelingen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, dat een maand later (jan. '36) uitkwam, repte over 89 leden, over 8 studiekringen en 4 kursussen. Voor een wetenschappelijke vereniging bepaald niet ontmoedigend, zeker niet als we bedenken dat voor christenen - destijds nog sterker dan heden - de filosofie veroacht was (o.m, als gevolg van een misverstaan van Paulus' waarschuwing aan de Colossenzen).
Deze eerste periode is zeker te kenschetsen als een periode van 'groei en bloei'. Begin 1937 telt het ledenbestand ruim 400 adressen, waarvan de helft omschreven wordt als 'aktieve leden'.
Bij het begin van de oorlog bedragen deze aantallen ruim 7'00 resp. ca. 350.
Uiteraard zijn publieke aktiviteiten in de oorlogsjaren nagenoeg uitgebleven.
Na de oorlog is het enthousiasme ongeminderd; zo zijn voor het winterseizoen '46/'47 maar liefst 20(!) kursussen gepland. Weliswaar zijn ze niet alle gerealiseerd, maar de inzet en het enthousiasme zijn onmiskenbaar. Een nieuwe periode breekt aan!

Tweede periode: 1946/47 tot 1951/52 - 'nieuwe wegen'.
AI op de tweede jaarvergadering na de oorlogsjaren - die van 2 en 3 januari 1947 - wordt besloten om te gaan werken aan de verzorging van wetenschappelijk onderwijs in de calvinistische wijsbegeerte aan 'neutrale' universiteiten en hogesoholen. Reeds eind januari 1947 bestaat een 'dochter'-
stichting: de Stichting Bijzondere Leerstoelen voor Calvinistische Wijsbegeerte.
Ook ditmaal is sprake van een 'vliegende start': - in oktober 1947 ontvangt de vestiging van een bijzondere leerstoel te Utrecht koninklijke goedkeuring; S. U. Zuidema doet zijn (officiële) intrede per 12 april 1948.
- in november 1947 vangt J. P. A. Mekkes zijn werk aan als docent aan de (toenmalig partikuliere!) economische hogeschool te Rotterdam.
- per 1 juli 1948 wordt ook een leerstoel te Groningen goedgekeurd; K. J. Popma inaugureert aldaar op 16 oktober.
- in het voorjaar van 1949 komt de goedkeuring voor een leerstoel te Leiden af; J. P. A. Mekkes houdt op 14 oktober 1949 zijn inauguratie-rede.
- inmiddels zijn ook 'katheders' aangevraagd voor de Technische Hogeschool te Delft, en de Gemeente-
Universiteit van Amsterdam. Of de laatste ooit is goedgekeurd, is uit de 'mededelingen' niet op te maken ... daarover heerst 'doodse stilte'.
Ook de leerstoel te Delft laat lang op zich waohten; waarom? ... ik weet het niet. Zeker is dat in die tijd filosofie wezensvreemd was aan de techniek - sterker zelfs dan heden het geval is.
In ieder geval duurt het tot 23 juni 1951, voordat de goedkeuring voor een '5e katheder' te Delft wordt afgegeven. H. van Riessen inaugureert op 24 oktober 1951.

In deze zelfde periode - vanaf 1947 ~ worden de vleugels ook in een andere richting uitgeslagen: naar het buitenland.
Er wordt een tweede zusterorganisatie opgericht in de U.S. (de eerste, rond C. van Til, dateert van 1937); er bestaan kontakten met Duitsland, Zwitseland, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk, Zuid-Afrika; er wordt gewerkt aan een 'Engelse Dooyeweerd', de vertaling van zijn 'Wijsbegeerte der Wetsidee', van gebundelde artikelen van zijn hand, van het genoemde eerste werk van Vollenhoven, van de inleidende boekjes van ds J. M. Spier.

Kortom: in deze tweede periode worden nieuwe wegen ingeslagen; in het binnenland wegen die leiden naar de studenten aan de 'neutrale' universiteiten/ hogescholen, die 'het voorrecht van calvinistisch wetenschappelijk onderwijs' missen; in het buitenland wegen die leiden tot kontakt en diskussie met christenen, die een andere kerkelijk-historische achtergrond hebben, maar - Uiteraard - worstelen met dezelfde problemen rond geloof en wetenschap.

Derde periode: 1951/52 tot 1963/64 - 'consolidatie en zorg'.
Uit de berichten in de 'Mededelingen' uit de jaren vanaf 1951 valt op te maken, dat kennelijk de wissels gedurende de tweede periode zijn verzet. We lezen althans nagenoeg niets over studie via kringen (per plaats/regio), dan wel via sekties (per vakgebied). Ook het verschijnsel 'kursussen' lijkt uitgestorven te zijn - geen syllabe dáárover.
Telkens wordt de sohijnwerper gericht op de 'katheders'; er wordt herhaald verslag gedaan door de hoogleraren; prof. Vollenhoven betoont zich bij voortduur een warm en vurig pleitbezorger van het leerstoelenwerk (zijn pastorale inslag èn ervaring zijn daaraan niet vreemd!).

Kortom: het 'nieuwe' leerstoelen-werk loopt goed, het overige werk blijft - althans in de presentatie ervanwas achter. Toch, de beide andere publikaties van de Vereniging blijven geregeld verschijnen: Philosophia Reformata en de Korrespondentiebladen.
Ook de jaarvergadering annex studiekonferentie, traditiegetrouw op de eerste twee werkdagen van het jaar, verheugen zich nog telkens in een goede opkomst en - wisselendgeanimeerde diskussie.

Daarom lijkt deze periode het best gekenmerkt door de term 'consolidatie'.
De toegevoegde term 'zorg' wijst erop, dat herhaaldelijk gerept wordt over het probleem, dat de inkomsten achterblijven bij de uitgaven, (bij de inflatie ook!) zodat de honorering van de hoogleraren (ongepast) laag is tot beschamens toe, én: ten koste van hun gezinnen. Ook al is het begrip 'inflatie' in die jaren nog minder bekend dan heden, toch worden de salarissen van de hoogleraren van-binnen-uit 'aangevreten'.
Een en ander culmineert in een jubileum-aktie in 1960/61, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Vereniging.
De opbrengst was bestemd voor de Stichting. (Toen al vormden Vereniging en Stichting een feitelijke twee-eenheid).
Kennelijk had de jubileum-aktie resultaat: ondanks genoemde permanente zorg wordt H. van Riessen benoemd als bijzonder hoogleraar te Eindhoven m.i.v. 1 september 1961.
Als opbrengst Van de aktie wordt ergens het bedrag van f 63000,- genoemd.
Elders valt te lezen dat het jaarbudget in 1948 f 50.000,- bedroeg, in 1972 (een kwart eeuw later!) nog slechts f 85.000,- ... een gemiddelde jaarlijkse groei van iets meer dan 2%.
Zoals u ziet: er wás aanleiding tot zorg over de financiën, maar - belangrijker - het werk ging voort!

Vierde periode: 1963/64 tot 1972/73 - 'in dat spoor ... verder'.
Een nieuwe generatie dient zich aan.
Vollenhoven draagt de voorzittershamer van de Vereniging over aan Van Riessen.
(in '63). Het Stichtingsbestuur is de langdurige financiële zorgen moe, en wil het bijltje erbij neergooien: i.e. de Stichting opheffen! 1964 was derhalve een crisisjaar. Maar ... het loopt anders dan het oude bestuur dacht; een jong bestuur wórdt samengesteld, in mini-samenstelling: alleen voorzitter, sekretaris en penningmeester. De stichting blijft aktief!
Dankzij ingrijpen van de 'moeder', dankzij het toenmalig Verenigingsbestuur.
Daarop aansluitend valt het besluit om de administratie van Vereniging èn Stichting tezamen onder te brengen bij een part-timer. Dit wordt, in april '65, dhr. Gundlach (sr.) uit Wageningen.
Oogmerk is om op basis van een goedverzorgde financiële en adressenadministratie effektiever te kunnen werven.
Het is duidelijk een roerige tijd; er waait een frisse wind.

Enkele voorbeelden:
- Van Riessen moet wegens zijn hoogleraarschap aan de V.U. afzien van zijn bijzondere leerstoel te Eindhoven; Mekkes krijgt aldus een derde leerstoel, naast die in Leiden en Rotterdam.
- in 1967 komen we voor het eerst sinds 1952 weer programma's tegen van maar liefst 9 studie-sekties; ook is er een studiecoördinator benoemd, in de persoon van P. G. Smelik. (s.s.t.t.)
- in 1970 treden nieuwe docenten aan, die de fakkel overnemen van de in 1968 70-jaar-oud geworden prof. Mekkes; dr. ir. E. Schuurman wordt de nieuwe hoogleraar te Eindhoven; drs. H. G. Geertsema wordt (waarnemend) docent te Leiden.
- Tenslotte neemt in 1972 dr A.Troost de positie van Mekkes te Rotterdam over, overigens nog steeds zonder 'officiële' leerstoel.
- Diverse leden van de Vereniging verkrijgen professoraten aan de Vrije Universiteit, bijvoorbeeld: H. R. Rookmaaker, A. Troost, P. Groen, H. J. van Eikema Hommes, B. Goudzwaard, J. G. Knol.

Zoals al blijkt uit de vele nieuw-genoemde namen: een nieuwe generatie treedt aan. Dat blijkt ook uit de nieuwe keur aan scribenten in de tijdschriften, Philosophia Reformata en Mededelingen.
Overigens: financiële zorg lijkt een vaste partner te worden; in 1967 bijvoorbeeld wordt een 'financiële commissie' benoemd, die orde op zaken moet gaan stellen!
Maar men zit bepaald niet 'bij de pakken neer'; men bouwt voort!
Met de woorden uit Philippenzen: 'hetgeen (we) bereikt hebben, in dat spoor (dan ook) verder!

Vijfde periode: 1972/73 tot 'beweging'.
Het jaar 1973 start met een nieuw blad: BEWEGING. Of beter: een oud blad, met een nieuwe naam, èn een totaal andere 'formule'.
'Mededelingen' verscheen in december 1972 voor het laatst.
De nieuwe naam is symbolisch: er is volop aktie. In 1973 en 74 wordt de aktie 'geef voor twee' gehouden, met als streven om fondsen te werven voor twee nieuwe leerstoelen. De hogescholen te Wageningen en Twente staan op het programma.
Harde werkers aan deze aktie zijn R. G. van der Haar en J. Mastenbroek.
En ... er is zegen! Maar onvoldoende.
Weliswaar lukt het in 1975 om een reeks gastcolleges aande Landbouw Hogeschool te laten verzorgen door een drietal docenten, maar van een vaste docent kan nog geen sprake zijn. Voorzover ik weet, is nooit onderzocht door welke oorzaak/-zaken de resultaten onvoldoende bleken.
Mijn stellige indruk is, dat er groot verlies moet zijn geweest onder de oudere garde aan donateurs; met een karig pensioen valt minder te doen dan met een royaal salaris! Doch dit is slechts hypothese!
Mede als gevolg van het vele werk rondom genoemde aktie, groeit het besef dat de omvang aan administratieve verrichtingen, alsmede van wervingsakriviteiten, zo langzamerhand een klein bureau, een centrum, onvermijdelijk maakt.
Vanuit dit centrum zou dan ook de nodige organisatorische en publicitaire ondersteuning moeten (kunnen) worden gegeven aan het 'leerstoelenwerk', aan 'studenten-' en 'predikanten-' konferenties, aan studie-aktiviteiten in kringen en sekties etcetera, In 1964 wordt in principe besloten tot de oprichting van een centrum; in 1975 wordt hard gewerkt aan de voorbereiding van een publiciteits- en wervingsaktie te houden in 1976.
In financieel opzicht leverde de aktie een grote, zeg maar: een enorme, teleurstelling.
De kosten overtroffen verre de baten.
En toch... de respons was van die aard, dat besloten werd te starten met het centrum. Er bleek een overweldigende behoefte aan fundamentele bezinning op vele en grote levens-vragen.
.. men mocht aan deze nood van vele christenen niet voorbijgaan.
En, anderzijds, de noodzaak van een bureau voor administratie, organisatie/ coördinatie, publiciteit/werving blééf.
Het centrum startte in 1976. Ondergetekende was vanaf augustus de eerste, en tot nu toe enige, deeltijdse 'stafwerker'. Daarnaast werd een halftijdse administrateur/boekhouder aangetrokken.
Of, en in hoeverre, de geschetste wensen zijn gerealiseerd, ...daarover wil ik op deze plaats niet teveel zeggen. Moge ik slechts verwijzen naar de hartpagina's van BEWEGING en naar de informatie-brieven (aan te vragen op onderstaand adres).
Als kijkje achter de schermen: ons adressen-bestand telde bij de start van het centrum 4800 adressen; ondanks een sanering van ca. 1200 adressen ('bedankjes' met meegenomen) telt ons bestand op dit moment een royale 7600 adressen... feitelijk dus een verdubbeling. Volledigheidshalve dient hierbij een aantekening gemaakt te worden, nl. dat ruim 1000 adressen gedurende het laatste jaar zijn verkregen, en dat nog moet blijken, hoe serieus de belangstelling is. Zeker de helft daarvan zal na kortere of langere tijd afhaken ... maar toch!

Er is zeker sprake van goede èn grote belangstelling.
De uitdaging van de voor ons liggende jaren, 'de jaren 80', is om adekwaat in te gaan op die gebleken interesse: niet grootschalig, maar zoveel mogelijk individueel gericht op (en daardoor bruikbaar voor) de 'ontvanger'.
We zien ook toename van het aantal kursussen, kringen/sekties, en werkgroepen, als éérste taak - náást consolidatie van het werk onder studenten.
Een veelomvattende en ook zwaarwegende taak - tegelijk ook een dankbare!
Hij die ons roept, is getrouw!

Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte, Postbus 149, 3600 AC Maarssen (03465-60945/69192).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief