De mondige gemeente (3)

1981-04-17
  • Jaargang 25
  • nummer 15
Practische gevolgtrekkingen
Voordat we enkele practische gevolgtrekkingen maken uit de twee voorafgaande artikelen, die we bij het lezen van dit artikel het beste bij de hand kunnen houden, wil ik er eerst even aan herinneren dat er in de Schrift geen enkele spanning is tussen de mondigheid van de gemeente, zoals zij ons die leert en het feit, dat deze gemeente ambtsdragers van Christus heeft ontvangen.
De mondigheid maakt het ambt in geen enkel opzicht overbodig, het tegendeel is zelfs het geval.
De ambtsdienst moet er op gericht zijn de mondigheid tot steeds rijker werkelijkheid te doen worden. Want er is groei in de mondigheid mogelijk, zo hebben we gezien; ja zij ligt zelfs in de aard van de zaak, want deze mondigheid staat niet met de volmaaktheid op één lijn, zij is gegeven om er stééds meer te komen en dat gebeurt wanneer en doordat wij, terwijl we ons aan de waarheid houden, in liefde in elk opzicht toegroeien naar Christus, Ef. 4 : 16.
Daarom moeten we ons wachten voor het kwaad van de gearriveerdheid.
Een gemeente die roemt in wat zij is en heeft, blijft stilstaan in de groei en dan geldt voor haar hetzelfde als voor zoveel dat leeft: stilstand is achteruitgang. En dat geldt dan natuurlijk niet zozeer de kwestie van het groeien in aantal, al kàn de stilstand daarin ook wel bedenkelijke achtergronden hebben, maar toch vooral in de levende kennis van Christus, in het zien van zijn heerlijkheid en in onze dankbaarheid voor zijn liefde en genade.
Als er werkelijk déze groei in de gemeente is, dan vloeit daaruit ook voort haar leven in dankbaarheid, haar dienen van Christus in vurige liefde. Alle aansporing, tot ik weet niet welke activiteiten ook, die aan dit eerste voorbijgaat, is in wezen vruchteloos en zelfs gevaarlijk. Er komt niet veel anders uit voort dan wat stroovuur. Dat kan hoog en fel opvlammen, maar duurt nooit lang.
Het heeft niet een goede voedingsbodem.
Uit de genoemde artikelen werd ook al een beetje duidelijk dat er soms een groot onderscheid tussen de gemeenten kan bestaan in mondigheid.
Blijkbaar was het in de gemeenten, aan welke Johannes schreef, met die mondigheid vrij goed gesteld, ook al nemen we daarbij in aanmerking dat het bij Johannes ging om de hoofdzaak van het evangelie en nemen we verder het paedagogisch element in zijn schrijven in aanmerking. Maar in Corinthe stond het er minder goed voor en bij de Hebreën evenzo.
Over andere gemeenten schrijft de apostel daarentegen soms bijna enkel in prijzende termen.
In de brieven van Christus aan de zeven gemeenten treffen we eveneens grote verschillen aan, ieder kan dit voor zichzelf naslaan. Dat raakt allemaal ook het verschil in mondigheid, want deze bestaat in de geestelijke rijpheid over heel de linie; in kennis en levensheiliging, in het bewaren van het Woord van Christus en het blijven in de Waarheid, in het weren van de dwaalleraren en wat niet al. Onmondigheid en 'nog vleselijk' stelt Paulus op één lijn.
Omdat dit de stand van zaken is ligt het ook overal niet gelijk met de zogenaamde gemeentevergaderingen.
Ik heb eens ergens gelezen dat dit de voornaamste vergaderingen zijn, die echter in de oude Kerkorde niet worden genoemd.
Maar ik denk dat we zo generaliserend toch niet kunnen spreken.
Natuurlijk ontken ik niet dat de ambtsdragers hun werk hebben te doen in nauw contact met de gemeente.
Zij zitten niet in een ivoren toren, waar zij regeren en beslissingen nemen los van de gemeente.
Dat komt ook in die oude kerkordes duidelijk naar voren. Het was bij alle sterke leiding, die in de eerste tijd van de Reformatie bij de kerstening van Nederland en het stichten van kerken uitging, toch een grondstelling dat een gemeente nooit een predikant mocht worden opgedrongen tegen haar zin. En bij de verkiezing van ambtsdragers werd als regel de gemeente ingeschakeld, terwijl uitdrukkelijk was vastgelegd dat haar goedkeuring vereist was. Ook bij de tuchtoefening werd zij intensief ingeschakeld, evenals bij de weer opneming van de geëxcommuniceerden. Al deze regelingen zijn tot stand gekomen in een tijd, dat de massa weinig in te brengen had in het publieke leven. De mondigheid van de gemeente werd toen reeds ingezien door hen die uit de Roomse kerk gekomen waren, waarin van die mondigheid in het geheel geen sprake was. Het feit, dat uit de gemeente ambtsdragers werden gekozen, die geen enkele opleiding tot 'geestelijke' hadden genoten, ik denk hier aan de ouderlingen en diakenen, wijst in dezelfde richting!
Dat er in dit opzicht echter de nodige groei naar verdere erkenning van het recht van de gemeenteleden als zodanig is gekomen, is een verheugend verschijnsel en hangt ook samen met het inderdaad mondiger worden van de gemeenten zèlf. In het begin van de Reformatie was er nog weinig kennis en was het leven vaak ruwen rauw.
Nauw contact tussen kerkeraad en gemeente is dus gewenst en ligt geheel in de lijn van de mondigheid.
Maar' dit mag nooit betekenen dat de regering van de kerk verlegd wordt van de kerkeraad in de gemeen tevergaderingen, alsof dit de voornaamste vergaderingen in de kerk zouden zijn. In de kerk mogen mensen trouwens nooit krachtens aan hun personen inhaerent recht regeren. Wie dat meent, draagt een wereldse idee van volkssouvereiniteit, zoals de moderne democratieën die huldigen, in de kerk binnen. Ik ben er niet zo zeker van dat in onze tijd de kerken niet met deze gedachte wordt geïnfecteerd.
In de kerk echter mag alleen het Woord van God heersen. Daarmee hebben de ambtsdragers te regeren en in overeenstemming daarmee leiding te geven, maar natuurlijk dan in nauw contact met de mondige gemeente. Hoe mondiger de gemeente nu metterdaad is, hoe meer zij kan worden ingeschakeld in de regering van de kerk en in alle kerkelijke aangelegenheden.
Daartoe kunnen ook de zogenaamde gemeentevergaderingen dienstig zijn, terwijl zij daarnaast ook een bijzonder geschikt middel zijn om de leden van de gemeente bij de zaken van de kerk te betrekken en dan heus niet alleen in finantieel opzicht, zoals vroeger wel vaak het geval was.
Maar in tweeërlei opzicht is hier toch een waarschuwing op zijn plaats. Er zijn altijd allerlei 'technische' aangelegenheden, die ook de kerk op haar weg vergezellen.
Daarmee behoeft een kerkeraad de gemeente heus niet lastig te vallen.
Hij moet er soms zelf al meer tijd aan besteden dan wel wenselijk is.
Hij behoeft de gemeente de last daarvan niet mee op de schouders te leggen. De gemeenteleden hebben betere en meer geestelijke dingen te doen, naast hun zorg voor het dagelijks brood en hun gezinnen.
Alleen als er principiële zaken achter schuil gaan, ligt het anders.
De gemeentevergaderingen moeten ook nooit een middel worden voor bepaalde leden om daar hun ideeën en gedachten te kunnen spuien en zo de gemeente te leiden in de door hèn gewenste richting. Zo iets komt natuurlijk gemakkelijk voor en onze tijd is daar in zijn geheel bijzonder geëigend voor. Ik denk aan de zo hoog geroemde inspraak, die op allerlei gebied wordt geëist en alle daadkracht verlamt. Ieder wil zijn zegje kwijt en vaak zijn zin doordrijven en ieder meent overal verstand van te hebben. Vandaar de uit de nood geboren spreuk: Inspraak zonder inzicht geeft uitspraak zonder uitzicht, Maar zo mag het in de kerk niet toegaan.
De kerkeraden doen er wijs aan in nauw contact met de gemeente te leven en altijd het oor te luisteren leggen naar de wijsheid, die de Here door zijn Geest in de gemeente geeft. Daartoe kunnen de gemeentevergaderingen een uitstekend middel zijn, maar eveneens het persoonlijk contact van de ambtsdragers met de gemeenteleden, niet alleen door het jaarlijkse officiële huisbezoek, maar ook daarnaast. Ouderlingen moeten veel in de gemeente komen en met de leden spreken. Daarbij behoeven kerkeraadszaken niet nodeloos geheim worden gehouden.
De gemeentevergaderingen zijn ook geen hogere instanties, waar de kerkeraden verantwoording hebben af te leggen van hun beleid, zoals ongeveer de regering voor de volksvertegenwoordiging.
Verstandige kerkeraden plegen op tijd overleg over belangrijke aangelegenheden, zodat er niet onnodige spanningen ontstaan. Zij kunnen daardoor aan de weet komen of zij handelen in overeenstemming met het gevoelen van de mondige gemeente, zodat in hartelijke eensgezindheid kan worden gehandeld. Daarbij geldt onvoorwaardelijk dat alleen het Woord van God zeggenschap heeft en dat daaraan doortocht moet worden gegeven.
Het spreekt vanzelf dat in financiële aangelegenheden deze overeenstemming absoluut vereist is; ambtsdragers beschikken niet over de beurs van de leden van de gemeente!
In geestelijke aangelegenheden kàn er natuurlijk wel eens verschil van gevoelen bestaan. Dan is een diepgaand gesprek wel bijzonder gewenst, waarbij de kerkeraad altijd de leiding blijft houden.
Werkelijk mondige gemeenten zullen ook niet anders willen. Zij zijn niet meer 'vleselijk', maar geestelijk en beginnen van hun kant met eer en vertrouwen te geven aan de ambtsdragers, die goed regeren, 1 Tim. 5 : 17 en met de hun gegeven talenten woekeren, Matth. 25 : 2l.
Zo is er in de kerk een geheel eigen stijl van leven en van omgaan met elkaar, ook wat de verhouding tussen de 'regeerders' en de 'geregeerden' betreft. Al lang voordat in de wereld het begrip 'mondigheid' was bekend, had het in de kerk geldigheid.
En na eeuwen van Roomse hiërarchie; die deze mondigheid dooddrukte, heeft de kerk van de Reformatie haar weer ontdekt en in practijk gebracht, hoewel er ook in dit opzicht een voortdurende groei noodzakelijk was. Nu er buiten de kerk sprake is van een saecularisering van het begrip 'mondigheid' tot persoonlijke autonomie, waarvan de kwalijke gevolgen zichtbaar worden in allerlei chaotische toestanden en eindeloze 'dialogen', zullen wij er goed aan doen ons opnieuw op de mondigheid van de gemeenten te bezinnen en daarvoor zorgvuldig met de Bijbel te rade te gaan. We hebben hierbij te doen met het voorrecht van de gemeente van het Nieuwe Testament boven die van het Oude Verbond èn met de rijke gaven van Gods Woord en Geest. Daarbij geldt het voor de ambtsdragers de zo verantwoordelijk stellende uitspraak van de apostel: Gods medearbeiders zijn wij, en voor de gemeente het heerlijke woord van dezelfde: Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief