Petrus op paasmorgen

1981-04-17
  • Jaargang 25
  • nummer 15
De zondagmorgen bloeide stralend open,
Maar Petrus pijnigd' al dat weelderig licht;
Wat viel er van de nieuwe dag te hopen
In de benauwenis van 't zelfgericht?

Toen zocht Johannes hem: 't graf was geschonden;
Ze snellen zwijgend naar de dodenhof;
Die morgen hadden vrouwen 't leeg bevonden;
Een daad van vijandschap ontstellend grof.

Maar toen Johannes was in 't graf gekomen
En stil-ontroerd doodskleed en doeken zag
Doorbrak een bovenwerelds licht zijn dromen:
En hij gelooft en huivert vol ontzag ...

En stamelt: "Heeft de Meester niet gesproken:
Dat Hij ten derden dage op zou staan?
Hij heeft Zich op Zijn vijanden gewroken;
En is misschien niet heel ver hier vandaan."

Zij gaan; maar Petrus, weergekeerd, blijft dolen:
Hoe slingert hem de twijfel heen en weer.
De Boze grijnst hem aan uit duistere holen
En spot: "Als Hij is opgestaan, vrees Hem te meer."

,,0 God, als Hij dan leeft, waar Hem te vinden?"
Dan in, dan uit de hof dwaalt hij gejacht.
"Als 'k Hem ontmoet, 'k zal zeggen, hoe 'k Hem minde;"
Cypressen ruisen zacht - een dodenklacht ...

Moe zit hij neer; begeert te mogen sterven
Als eens Elia; dit is zijn woestijn.
Het kraaien van een haan komt plots doorkerven
Zijn moedeloze ziel met hels refrein.

"Mijn God, mijn God, hebt Gij ook mij verlaten
Als Judas, door de satan overmocht?"
Hij rilt - staat op: ,,'k Kan Judas niet meer haten."
En vóór hem staat de Meester, Die hem zocht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief