Zonder kommentaar

1981-04-24
  • Jaargang 25
  • nummer 16
In het gebed tijdens de eredienst lopen we gevaar, dat we ons niet beperken tot het bidden en danken, waarin we spreken tot God, maar dat we aan onze gebeden kommentaren verbinden ten behoeve van de luisteraars. Bijvoorbeeld: we smeken God om vrede, maar we zeggen erbij, dat het dan wel een vrede moet zijn in vrijheid en gerechtigheid en we voegen er bovendien als instructie voor de gemeente nog aan toe, dat ons land zich tot de tanden bewapenen moet, anders zal er geen vrede kunnen zijn. Of dat we in geloof ontwapenen moeten. Al naar geland de mening van de dominee. We kunnen het gebed ook misbruiken om iemand of om een groep of volk te bestraffen. Zo hadden wij indertijd een huisdokter, die je vergelijken kon met de dokter van Taeke uit de romans van Antoon Coolen. Zo’n schilderachtige figuur. Wanneer de kerkdienst hem te lang duurde, stapte hij op, want dan kon hij z’n tijd plezieriger besteden, vond hij. Toen dat weer eens gebeurd was, bad de dominee in het slotgebed voor “die broeder, die voortijdig, en dus ongezegend dit kerkgebouw verlaten heeft”. Op het maandagmorgenspreekuur was er al vroeg een patiënte, die het hem verteld: “Dokter, dominee heeft nog zó voor U gebeden…” De dokter zei: “Hij heeft niet voor me gebeden, hij heeft me verklikt.”
Een ander voorbeeld: Ik zat in de kerk en een predikant van elders ging voor. Hij bad “voor die ene broeder die namens ons zetelt in de Tweede Kamer”. Daar keek ik van op, want ik wist niet dat onze gemeente een vertegenwoordiging had in het parlement en ik moest nog raden wie die ene broeder was, want Jongeling zat toen in de Kamer, maar Meulink ook.
Zo is het gebed in de samenkomst van de gemeente geen danken meer en geen smeken tot God. het is een opiniërende-preek-in-het-kort, met als extra nadeel dat je er geen kritiek op leveren mag, nog minder dan op de preek.
Het bidden moet toch bidden blijven, is ’t niet?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief