Arbeidsloon en arbeidsvreugde

1981-05-01
  • Jaargang 25
  • nummer 17
De arbeider is zijn loon waard, leert de Bijbel. En wie niet werken (wil) zal ook niet eten. Werken, eten, leven - ze liggen in één lijn en zijn onafscheidelijk verbonden. Zo vormen arbeid en arbeidsloon een natuurlijke balans van oorzaak en gevolg, van licht en schaduw, van dag en nacht; de adem van de levende mens.

Al kunnen de verhoudingen veranderen. Er wordt namelijk steeds gedokterd aan deze samenhang. Arbeiders hebben vermindering van arbeidstijd geëist en verhoging van loon. Bazen hebben getracht de productie te verhogen door premieloon te bieden. Christenen hebben geijverd voor de vrije Zondag. Na de eerste wereldoorlog kwam de vrije Zaterdagmiddag.
Het streven naar minder arbeid en meer loon (in wezen een ontkoppeling van beide grootheden) is doorgegaan. De hele Zaterdag werd een arbeidsloze dag, met behoud van loon. Ook de Vrijdag is genoemd, zelfs is over een driedaagse werkweek gesproken. Maar het einde van de Westerse welvaart doet kiezen voor behoud van arbeid - liever dan loonsverhoging of ook maar behoud van koopkracht.

Nu zou het niet wijs zijn, arbeid en arbeidsloon alleen te bezien in het kader van de meedogenloze arbeidsmarkt. Er zijn andere aspecten, zelfs belangrijker. Neem vooral het aspect van het koninkrijk Gods.

Van de Levietische zangers en speellieden weten we, dat zij vrijgesteld waren van loonarbeid, omdat zij volledig tot de eredienst waren geroepen. 1) Ze werden zelfs wel vrijgesteld van militaire dienst, van belastingen en van landbouwwerk. 2) Ze leefden van de tienden en bemerkten dat God de Heere een prachtige Werkgever is, die vorstelijk beloont. Want aan de hand van en momentopname kan worden uitgerekend, dat een Leviet ruim het dubbele inkomen van een gemiddelde Israëliet genoot. 3)

En alle Levieten kregen een gelijk inkomen, ongeacht meer of beter werk, talenten of inspanning. In het rijk Gods is een zekere gelijkheid te vinden, die met het woord "genoegzaam" kan worden aangeduid. Denk aan het manna in de woestijn: die veel inzamelde hield niet over, die weinig inzamelde kwam niet te kort. 4) Als de Heere God voor je zorgt heb je geen gebrek. Al ga je soms langs het randje - onze beker loopt over en onze tafel is bereid. 5) Nooit zie je de Godvrezende verlaten of zijn kinderen honger lijden. 6)

Dat lijkt vandaag onwerkelijke taal, bijna onbruikbare taal. Maar het is Gods taal, de taal van de Bijbel: weliswaar opgeschreven in andere eeuwen maar volledig van kracht in deze eeuw. Trouwens door onze Vereniging aanvaard als basis van ons denken, spreken en handelen. En dus zonder schaamte uitgesproken op ons feest-van-dankbaarheid.

Intussen bestaat, in onze zelfverzorgende wereld, ook veel onbetaalde arbeid, waarover geen werker zich beklaagt. Er is uitgerekend, dat de gemiddelde Nederlander per week 27 uur onbetaalde arbeid verricht. 7) Toegegeven dat het leeuwendeel op de huisvrouw, de rest op de tuinierende en autowassende huisheer neerkomt, wordt in ons land jaarlijks voor f 175 miljard aan onbetaalde arbeid verricht.

Daar zitten politieke propagandabezoeken bij, collecten voor goede doeleinden, werf acties voor secten, verzorging van oude van dagen en gehandicapten, jeugdwerk, ziekenbezoek, kerkelijk werk, huisbezoek. Daar zit ook-al die arbeid in van vele onbetaalde organisten: die hun werk wel mèt veel plezier doen - maar niet vóór hun plezier. En niemand denke, dat onbetaalde arbeid minder arbeidsvreugde oplevert dan betaalde arbeid!

Ha, daar valt het woord arbeidsvreugde. Een wonder begrip. Toen ik als jonge vent eens overgeplaatst was naar een droefgeestig kantoor met verouderde, ietwat zure collega's, trof mij het collegiaal verwijt: dat ik me uitsloofde voor werk, waar mij voorganger niet aan getild had en waar ik niet voor betaald werd. Misschien hadden ze gelijk, die collega's, En in mijn verward verweer stamelde ik iets als: het is toch niet verboden ... meer te doen dan verwacht wordt ... als ik daar nu mijn arbeidsvreugde.
aan beleef? Het woord was gevonden uit noodweer. Het kwam nadien talloze malen als een boemerang op mijn hoofd terug. Zo heb ik de waarde ervan voor vast en zeker en amen ervaren.

De Schotse schrijver-bankman Bruce Marchall heeft duidelijk gemaakt. 8) wat het Goddelijk recht in de gelijkenis van de werkers van het elfde uur eigenlijk is. De werkers van het eerste uur kregen niet meer loon dan de werkers van het elfde uur, omdat ... die eersten van hun meerdere arbeid ook meerdere arbeidsvreugde hadden genoten. Dat hadden die laatsten gemist. In het doen van Gods opdrachten ligt immers groot loon. 9) Het werken voor de Grote Baas is een eer, een honorarium op zich zelf. Het is werken mèt plezier - al is het geen hobby.

Dat hebben de pioniers van de G.O.V. goed gezien. Onze Vereniging mocht geen hefboom worden om de belangen van haar leden te behartigen - maar stelt zich ten dienste van de kerken. En tot het belang van die kerken behoren: de verbetering van de zang, het doorbreken van traditionalisme, het stellen van hoge eisen aan organisten, die bekwaam moeten zijn tot hun werk. 10) het aanschaffen van goede orgels, die instrumenten der muziek Gods mogen heten; 11) en het wijzen op de verantwoordelijkheid van kerkeraden voor het gezongen lofoffer.

Daar heeft onze Vereniging voor geijverd, een halve eeuw lang. Daar hebben onze organisten naar gestreefd in betaalde en vooral in onbetaalde arbeid, Dat hebben onze kerkeraden en onze meelevende gemeenteleden begrepen. Daarin is onze Vereniging geslaagd: gezegend en tot een zegen gesteld.

Evenwel. Al hebben onze organisten in hun onbetaalde werk bodemloze arbeidsvreugde gevonden - laten we oppassen voor een misverstand. Het misverstand, dat onze kerken deze arbeidsvreugde zouden beschouwen als een soort plaatsvervangend arbeidsloon. Dat zou een misbruik van de voorgaande regels betekenen en (wat erger is) een miskenning van de Goddelijke regel, dat de arbeider zijn loon waard is. De arbeidsvreugde is de organisten namelijk niet door de kerken, maar van boven af verleend.

Ze werken mèt plezier - niet vóór hun plezier. Ze hebben moeten les nemen, studeren, een bibliotheek opbouwen en ze zijn hiermee nooit klaar.
Maar de kerken hebben hoge eisen te stellen aan orgels en organisten. Die eisen vinden hun rechtsgrond in een behoorlijke beloning van haar organisten en een behoorlijke prijs voor haar orgels.

1) 1 Kron. 9: 33 - 2) Ezra 7 : 24 en Neh. 13: 10 - 3) "Zangers en speellieden", pag. 71 - 4) Ex. 16 : 18 - ó) Psalm 23 : 5 - 6) Spr. 10: 3 en Ps. 33 : 19 - 7) Steekproef Soc. Cult. Planbureau 1975 en "Onbetaalde arbeid", F. H. P. Trip in NCR-Hbl. 17-6-'80 - 8) "De werkers van het elfde uur" (To every man a penny) Spectrum9) Ps. 19 : 12 - 10) 1 Kron. 25 : 7 - 11) 1 Kron. 16 : 42; 2 Kron. 7 : 6.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief