Zo was het (50 - slot)

1981-05-01
  • Jaargang 25
  • nummer 17
Zoals ik al vermeldde in een vorig praatje hadden we in Voorthuizen tijdens de oorlog een soort "godsvrede" wat betreft de kerkelijke strijd.
Maar toen de vrede kwam in 1945 begon langzamerhand de kerkelijke strijd over het "houden voor wedergeboren" en de schorsingen. De kerkeraad was het in meerderheid eens met die formule en zou zich niet verzetten tegen de schorsingen. Terwijl ik niet kon instemmen met de beslissingen van de synode. Ik was het oneens met de leeruitspraken en vond de schorsingen onrechtmatig.

Het was daar in V. een merkwaardige toestand. De kerkeraad bestond vrijwel uit broeders die op de J.V. onder Vonkenberg gepokt en gemazeld waren in het "houden voor wedergeboren". Over het algemeen was de "ligging" der gemeente zo, dat men veel eerder hield voor "niet-wedergeboren".
Maar de meesten dachten dat de synode het wel zou weten.
Ik had het niet nodig gevonden, bijv. in de prediking, de gemeente lastig te vallen met theologie. Waarschijnlijk heb ik de bekende formule nooit ter sprake gebracht. Maar heel m'n prediking was in strijd met de leeruitspraak.
Wat door deze en gene wel werd opgemerkt. Maar geen moeilijkheid gaf. Er was maar een enkele ijveraar, die de kerkeraad de vraag stelde of men met mij niet zou moeten "handelen", zoals dat in kerkelijke vaktaal heet.

Er was tussen de gemeente en mij en ook tussen de kerkeraad en mij een goede verhouding. Over het algemeen wilde de gemeente mij niet kwijt, althans dat vermoed ik. Men was met weg van mijn prediking, wilde wel wat meer vuur en vaart op de kansel. Maar daar was ik de man niet naar.

Maar mij echt kwijt wilden vermoedelijk maar weinigen. En ook de kerkeraad heeft mij naar mijn herinnering nooit pertinent de vraag gesteld: Conformeert u zich nu met de synodale besluiten of niet. We hadden het 14 jaar behoorlijk goed met elkaar kunnen vinden. Moest dat nu veranderen door een synodale uitspraak? De kerkeraad zat eigenlijk tussen twee vuren. Aan de ene kant wilde men de synode niet ongehoorzaam zijn.
Men was het immers met de formule wel eens. Aan de andere kant was men ook niet geneigd mij voor het blok te zetten. Praktisch was er geen moeilijkheid, Een vreemde toestand. Theoretisch waren wij het niet eens. In de studeerkamer twistten wij daarover wel eens. Zonder elkaar te overtuigen.

Maar in de praktijk handelden wij gelijk. Duidelijk staat mij voor de geest een tuchtbezoek bij een jong echtpaar. Beiden, man en vrouw, hadden wel wat laat belijdenis afgelegd. Waarschijnlijk in verband met de doop van het eerste kind. Maar ze waren, om het zacht te zeggen, geen sierlijke leden van de gemeente. Kwamen zeer zelden met de gemeente samen. Vierden geen avondmaal. Waren meer vol van geld-verdienen dan van de dienst van de HERE. Een ouderlingen ik brachten daar een huisbezoek, wat we wel een tuchtbezoek mogen noemen. M'n medebroeder was een overtuigde Kuyperiaan. En leerling van dr. van den Bergh. Helemaal niet fel. We konden het best met elkaar vinden. Behalve in de studeerkamer. Daar ik al veel met bedoelde broeder en zuster had gesproken vroeg ik hem om nu maar het gesprek te voeren. Wat hij kostelijk deed naar mijn smaak.

Hij sprak ongeveer als volgt. Jullie bent gedoopt. En hebt de naam van de HERE beleden. Hij heeft met jullie het verbond opgericht. Jullie hebt dat aanvaard. Maar nu zijn jullie bezig dat verbond te verbreken. Wat doen jullie eigenlijk? Wel, de verbondsbeloften met al z'n rijkdommen en in plaats daarvan zoeken de schijnrijkdommen van deze wereld. Die handelwijze doet mij denken aan onze voorouders en de negers van Afrika. Zij gingen met schepen vol mooie dingen naar het Zuiden. Hun schepen waren vol met spiegeltjes en kraaltjes en blikkerende voorwerpen.
Die spiegelden zij dan de zwarten in de ogen. Die kwamen naar de kust met kostelijke zaken: djattihout en mahoniehout en goud en zilver. En de schepen gingen "rijk met goud belaän" naar het vaderland. En de zwarten bleven met waardeloze rommel zitten. Zó doen jullie nu ook. De rijkdommen van Gods verbond gooien jullie weg en maakt je blij met de schijnrijkdom van de wereld. Dat moesten juIlie niet doen. Keert toch terug. Wordt en weest rijk met Gods beloften. Vergeving van zonden en leven, echt léven met de HERE is meer waard dan alle "schatten van Egypte".
Daarna ging hij voor in een hartelijk en hartroerend gebed. En we gingen.

'k Zie ons nog staan op een sintelweggetje. Het was na acht uur en dus pik-donker. 't Was nog in oorlogstijd. M'n broeder vroeg: "was u het er mee eens?" M'n antwoord was: "helemaal mee eens". "Maar", vervolgde ik, "gelukkig voor u dat deze broeder en zuster uw Theorieën niet kenden."
"Hoezo?", was z'n vraag. Ik weer: "dan hadden zij gezegd: Hoe weet u dat de HERE werkelijk het verbond met ons heeft opgericht? Want het volle verbond is toch alleen met uitverkorenen gesloten, En u zegt, dat wij beloften weggooien, maar de volk beloften zijn mogelijk helemaal niet voor ons. En u weet toch ook wel, dat het echte verbond niet kan verbroken worden? Wat, zo vroeg ik, zou dan uw antwoord zijn geweest?" "Dan had ik gezegd", zo zei hij, "zo moeten jullie niet praten."
Waarop ik de vraag stelde, waarom hij in de studeerkamer dan precies zo redeneerde. Daar wist m'n oude broeder niet op te antwoorden. Hij zei: laten we verder maar niet twisten. maar samenwerken. ofschoon onze theorieën verschillen, Zo was het-inderdaad. Onze theorieën verschilden, maar onze praktijk was dezelfde. Naar mijn overtuiging was zijn theorie slecht en de praktijk goed. Hij trok gelukkig het gevolg niet uit zijn theologische opvatting. Ik zou ook niet weten, hoe daar praktisch mee te werken zou zijn. Men kan toch moeilijk vermanen tegen bondsbreuk en wegwerpen van Gods beloften. Als men een theorie in z'n hoofd heeft van vol-verbond en halfvol-verbond, volle-beloften en lege-beloften. Als alleen uitverkorenen van eeuwigheid staan in het verbond en volle beloften hebben, dan kan men beter thuis blijven dan te vermanen. Maar dit was mijn medebroeder niet aan het verstand te brengen. Men was zo "gepokt en gemazeld" in een bepaalde redenering, dat men van de lang-gewende loopjes niet was af te brengen. Maar daaruit zou geen bloed gevloeid zijn.
Als een dwaze synode onder leiding van Kuyperiaanse hooggeleerden niet met goddelijke autoriteit onderwerping of tenminste conformering had geëist. Van boven af werd in V. de knuppel in het hoenderhok gegooid.
Met nare gevolgen.

Tot in de zomer van 1946 nam de kerkeraad geen beslissing. Nu was er voor de provincie Gelderland een deputaat-voor-zwarigheden aangewezen. Wij verzochten hem ons in de moeilijkheden te helpen. Maar hij had geen tijd. Hij was een goede kennis van mij. Toen kwamen een dr. en een drs.
om met kerkeraad en mij te spreken en vooral om mij te overtuigen van de juistheid van de synodale besluiten. De dr. had een tas vol paparassen, bij zich. Schriften vol met aanhalingen van Calvijn vooral. Hij was een Calvijnkenner. Toen ik vermoedde, dat aanhalingen uit Calvijn zouden worden gebruikt, zei ik vooraf, dat ik wilde luisteren naar Schrift en Belijdenis alleen en dat ik niet zou zwichten voor welke autoriteit ook. Maar bedoelde br. kon niet laten nog eens naar de tas te grijpen. Hij wilde mij een heel belangrijk citaat van Calvijn voorlezen. In het latijn! Toen merkte ik op dat de ouderlingen geen latijn kennen. "Maar u wel", zei de broeder. Wat nog zo zeker niet was.
Toen trok de drs. de dr. aan z'n jas en fluisterde: "Dat helpt hier niet."
Ik had toen nog een scherp gehoor en kon een glimlach, bij alle narigheid, niet onderdrukken. Zo was het: dat hielp hier niet.
Er kwam ook nog een hooggeleerde om de gemeente voor te lichten en mij natuurlijk ook. Ook dat veranderde mijn overtuiging niet. De leerbesluiten vond ik onschriftuurlijk en de schorsingen onrechtmatig.

Het was een wat tragische toestand. Ik kon niet anders en de kerkeraad van haar kant ook niet. Hoe nu gezongen, zoals een familielid van mij nogal eens zei. Wat stond ons nu te doen?
Toen heb ik een voorstel gedaan. Om samen voort te gaan, zoals wij van 1932 tot 1946 samen gewerkt hadden. Waarom, zo zei ik, zullen wij ons door een besluit van een synode laten dwingen tot uit-elkaar-gaan? We hebben al die jaren bij dit verschil van opvattingen geleefd. Zonder ruzie, zal ik maar zeggen. Jullie willen mij eigenlijk niet kwijt, naar ik vermoed en ik wil jullie zeker niet kwijt. Waarom zullen we dan eigenlijk uiteen gaan? Laten wij als gereformeerde kerk van Voorthuizen verder gaan. Als vrije, zelfstandige kerk Dan bewijzen wij, dat het heel goed mogelijk is Dm, bij verschil van inzicht, in zaken van verbond en wat daarmee samenhangt kerk van Jezus Christus te zijn. Het was voor mij wat riskant, bijv. met het oog op emeritaat. Maar ik zou het gewaagd hebben. Ik denk, dat het helemaal geen waagstuk was. Maar de kerkeraad vroeg: bij welk verband horen we dan? Men begreep wel dat de synode zulk een toestand niet zou dulden. Ik zei: wij behoren bij de Heer van de kerk. Desnoods dan maar zonder verband. Noch in het verband der synode, noch bij het verband der vrijgemaakten of art. 31ers. Mijn voorstel werd niet aanvaard, want men moest toch bij een verband behoren vonden de broeders, Men durfde de vrijheid en zelfstandigheid niet aan.

Tóen werd eindelijk aan de kerkeraadsleden stuk voor stuk gevraagd of ze zich conformeerden aan de besluiten. Allen deden het, naar ik meen ook m'n collega. Ik weigerde. Waarop men de zaak aan de classis zou voorleggen. V. behoorde bij de classis Apeldoorn.
Nu waren er in de classis Apeldoorn weinig do's, die het helemaal met de synode eens waren. Eén was een aanhanger van K.S. Een andere was 'een echte "zoon der Afscheiding" zal ik maar zeggen. Een derde had de gemeente of een deel daarvan helemaal de kant der bezwaarden uit gedreven.
Een paar collega's stonden eens met elkaar te praten in m'n omgeving.
Ze zeiden: we moeten de gemeente bewerken om het met de synode eens te zijn. We moeten de synode verdedigen, maar die is eigenlijk niet te verdedigen. Ik hoorde dat en zei: jullie hoeven dat mekaar niet fluisterend te zeggen, want ik ben het er helemaal niet mee eens. Zó was de toestand in de classis. Er waren naar ik meen drie do's die het echt met de synode eens waren.

Mij werd verzocht mijn bezwaren op schrift te stellen en aan de leden van de classis dat geschrift te sturen. Wat ik heb gedaan. Toen kwam er een classisvergadering waar dit bezwaarschrift zou worden besproken.
Eerst zou ik nog een gesprek hebben meteen commissie uit de classis. Als ik het wel heb waren de leden van die commissie juist de synode-gezinden zal ik maar zeggen. Het gesprek met de broeders haalde niets uit. Daarna verdedigde ik m'n bezwaren in de classis. Vóór de vergadering verzekerde mij een ouderling het helemaal met mij eens te zijn. Tijdens de vergadering sprak ik uiteraard èn de drie Kuyperianen. De rest deed er het zwijgen toe. En vrijwel éénstemmig werd besloten aan de kerkeraad van V. te adviseren met mij te "handelen". Als ik het nog niet geweten had wist ik toen wel, hoe laat het was. Toen ik eens de do, die de bezwaardheid had bevorderd, vroeg wat hij zou doen, trok hij de schouders op, stapte op de fiets en ging naar huis. Waarom zwegen sommigen, die toch wel bezwaren hadden? Waarom zwegen broeders, die even bezwaard waren als ik? Wie zal het weten? Waarschijnlijk had de één een vrouw getrouwd, een ander wat voorname vrienden en een derde toch maar eieren voor z'n geld gekozen.

Ook ben ik nog een keer wezen praten met een commissie uit de synode. Gevormd door in elk geval drie professoren, die in hoofdzaak het woord deden. Zij waren de praeadviseurs van de synode. Zij hadden de besluiten geformuleerd. Nu waren zij wéer "rechters in eigen zaak." Ik stond op m'n 'eentje daar tegenover. Ik had m'n bezwaren willen verdedigen voor de synode. Sommige leden waren daar wel voor. Maar dat mocht niet van de "leiders". Zij, die door de kerken waren afgevaardigd, schenen er niets mee te maken te hebben. Zo was dat in het jaar 1946.

Het einde van de zaak was, dat de kerkeraad mij schorste. Onder leiding van weer een hooggeleerde! Sommige broeders hadden tranen in de ogen.
Ze schorsten mij met een bloedend hart. M'n collega weigerde mij te schorsen. Ondanks sterke druk. Zo was het ondereen synodocratie ofwel synode- regering!
En dan te bedenken, dat heden geen theoloog of leek het "houden voor wedergeboren" verdedigt. Zal deze geschiedenis 'Ons nog wat leren? Of is het waar wat dr. Huizinga eens aanhaalde: De geschiedenis leert ons, dat zij ons niets leert?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief