Eenzaam avontuur

1982-06-25
  • Jaargang 26
  • nummer 25
Op weg naar Nederland voor een bliksembezoek reed ik vanmorgen de A 66 af. Dat is een boeiende, heuvelachtige en bochtige weg, die ongeveer van Noordwest naar Zuidoost loopt; anders gezegd van Penrith naar Scotch Corner, als u wel eens naar Schotland bent gereden. Altijd oppassen geblazen - want om elke bocht, achter elke heuvel kan iemand opduiken, die ook alleen op deze smalle weg meent te rijden. Je moet dus alles zien, alles opmerken, alles vooruit berekenen - en toch heer in het verkeer blijven. Een schaap met vijf poten zogezegd.

En daar stond ze dan, al van verre opgemerkt. Aan de linkerkant van de weg, op een parkeerplaats, met een dringend duimpje omhoog en wijzend op mijn wagen. Alle goede raad van mijn wederhelft ten spijt stop ik in zo'n geval. Er kan brand zijn, iemand kan in nood verkeren, er kan een leven op het spel staan. Ik ken alle verhalen over liftende passagiers, die er achteraf met de autosleutel van door gaan - maar daar ben ik dan zelf bij.

Het ging kennelijk om een lift. En ze had gelukkig niet veel bagage. Mijn directe vraag voor het open raam was: "waar moet u heen?" Even snel antwoordde ze: "waar moet u heen?"

Zo - dat kwam aan. Ze vertrouwde me niet. Een min of meer volwassen schooljuf, alleen op reis, liftend, dat wel, en dan door moeder gewaarschuwd niet met elke alleenreizende heerachtigheid mee te gaan. Ze wilde eerst mijn reisdoel weten, voor ze kon besluiten of ze zich met huid en haar aan mij wilde toevertrouwen. Er schijnen namelijk ook heren te zijn, die toevallig wel naar hetzelfde doel als reizende dames moeten rijden, maar die daar nooit aankomen. "Kindje pas op", had haar moeder blijkbaar gezegd; "vraag altijd eerst waar de auto heen gaat."

Nu ik geen antwoord op mijn vraag kreeg gaf ik maar antwoord op haar vraag. "Ik ga naar HuIl".
- "Waar is dat?" (tijdwinst) - "Ergens in Yorkshire aan de Noordzee; mensen kunnen vandaar overvaren naar Nederland."
- “O, maar daar moet ik niet heen".
- "Best, maar waar gaat u dan heen?"
- "Ik kruis door het land, laat maar, dank u wel".
Ze vertrouwde me niet, zei dat duidelijk en nu vertrouwde ik haar ook niet. Alles goed en wel als nette meisjes niet bij iedereen instappen; maar dan moeten ze geen duimpjes opsteken naar eenzame heren. En zeker een Vliegende Hollander niet beledigen.

Ik beet dus terug: "Pardon, ik riep u niet aan, maar u riep mij aan". "Dat is waar maar ik hoef niet mee - dank u wel", besloot ze. "Stik de moord", zei ik galant, wetend dat ze dit niet verstond. Weg stoof ik want drie auto's, die ik pas had ingehaald, waren me intussen voorbijgesnord.

Tot Scotch Corner dacht ik over de vraag na: waarom "dames" zich zulk een onheuse behandeling zouden permitteren. Vandaag tobben we allemaal over gelijke rechten, menselijke gelijkwaardigheid en meer van die kreten.
Van oude tijden zijn heren opgevoed in de leer, dat zij aan de vrouwzijnde de zwakste partij - de meeste eer moeten geven, haar rechts laten gaan en in alles wat behoorlijk is bijstaan. Dat leert de Bijbel en de kruisridders hebben de leer populair gemaakt.

Maar sedert we voor de vrouw rechten opeisen, die haar misschien wel te zwaar zijn om te dragen, kunnen sommige vrouwen zich een onvrouwelijk air veroorloven alsof zij koningin der schepping zijn - die ons heren mogen kleineren, keuren, afkeuren en wegsturen. Ons bij voorbaat kunnen wantrouwen tot het tegendeel blijkt. Ons op laten draven of doorsturen. Bij Scotch Corner had ik zin in koffie. Ik besloot mijn gepeins dus met mij te refereren aan de catechismus, die me vertelde dat ik van nature onbekwaam ben tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Misschien had die troel aan de A 66 wel gelijk: dat ze in mij een potentiële onverlaat zag, een ladykiller, een gevaarlijk sujet die van tijd tot tijd in het politieblad prijkt en dan weer op staatskosten gaat logeren.

En eerlijk - zelf hebben we onze dochters altijd voorgehouden, nooit te liften. Dat voorkomt verkeerde beoordelingen met de gevolgen daarvan.
De moeder van het schooljuf had wel gelijk gehad - maar dochter was nog wat dom. De koffie smaakte er niet minder om. Het was warm en het was ver. Hoe warm? Boven de 20 graden. Hoe ver? Vijf honderd vijf en vijftig kilometer van huis tot boot; in het Engels 345 miles.

In de namiddag schoof de A 1 onder mijn wielen door. Tot ik bij de A 62 Oostwaarts afsloeg voor het laatste uurtje tot HuIl. Ik was die hele speldenprikkerij van die morgen vergeten en kijk aan: nu stonden er twee meiskes met twee duimpjes omhoog, dringend naar mij te wijzen. Ja werkelijk, een zwartje en een witje en ik had geen alcohol gedronken.
Dom als ik ben stopte ik gierend voor de damesvoeten. Twee meiskes zijn altijd meer mans dan een oudere heer en voor een beledigende afkeuring hoefde ik ditmaal niet bang te zijn. Alleen voor mijn beurs en bagage, die verspreid door de auto lagen. Goed dus: "Waar wilt u heen?"
- "Naar Hull" ...!
- "Daar ga ik naar toe onder voorbehoud van Jacobus".
- Die kenden ze niet, maar ze hadden geen bagage en weinig om het lijf. Ik maakte op de achterbank een plaats vrij en het witje ging naast mij zitten. Of er nog een raampjes bij open kon? - "Zeker dame, nog meer wensen?"
- "Nee dank u, maar u bent erg vriendelijk om ons mee te nemen".
- "Ik hoop het", gromde ik met een vage herinnering aan de morgenrit.

Als gezegd - het was warm en het was ver. En met het Britse limiet van 70 miles (115 km/u) doet een mens goed, zijn aandacht bij de weg te houden en altijd een kilometer vooruit te zien. Dan blijft er weinig gelegenheid over voor conversatie. Maar elke vijf minuten toch een beleefd zinnetje en een antwoord. Ongeveer zo:

"U woont hier in de buurt?"
- "Nee, ergens in Yorkshire".
Vijf minuten pauze.
- "En u bent samen met vakantie?"
- "Nee, geen vakantie".
Vijf minuten pauze.
- "Ik begrijp dat u uw werk in HuIl hebt".
- "Nee, we zijn werkeloos". Vijf minuten pauze.
- "Kent u HuIl goed?" - "Jazeker, we komen er regelmatig". Vijf minuten pauze.
- (Met een blik in de spiegel:) "uw vriendin is al onder zeil".
- "Ja, het is warm".
Vijf minuten pauze.

Intussen schoven alle verkeersborden langs mijn ogen, heel het Engelse landschap in zijn prille voorjaarstooi werd behagelijk waargenomen en de instrumenten op het dashboard vertelden, dat alles prima liep. Bovendien kwamen er vragen op: wat doen twee meisjes uit de provincie regelmatig in de bedenkelijke havenstad HuIl: geen baan, geen vakantie, geen geld om te reizen, geen bagage. Maar wel goed bekend in een slecht bekend staande stad. Wat had ik eigenlijk voor ballast aan boord?

Een blik in de spiegel vertelde me plotseling, dat het zwartje bekoorlijk zou zijn geweest als ze in haar slaap een meer ontspannen gezicht zou hebben. En een snelle blik terzijde bevestigde zo maar, dat ook het witje een pafferige, vroegoude dame uit het nachtleven moest zijn. Nog even probeerde ik: "dus zo maar op avontuur uit?" - "Beg you pardon!" zei ze scherp. - "Zo maar de stad bekijken?" - "Ja".

Ik had twee publieke dames aan boord en bracht die behulpzaam naar haar arbeidsterrein. Een ogenblik kwam een vooroorlogse neiging in me op om haar beiden nu verder maar te laten wandelen. Maar het was warm en het was ver. En misschien konden die kinderen het ook niet helpen. Ik besloot dus ze beiden in het centrum van de stad te brengen en niet de ringroad te nemen. En verder besloot ik dit verhaal maar niet aan H.K.H.
te vertellen - ze zou het later wel lezen in dit goede blad.

Zo is het gegaan. In het centrum van HuIl werd het zwartje geeuwend wakker. "Here we are", zuchtte ze. "Ik zal hier stoppen", vertelde ik, toen we bij een vacant strookje van het trottoir belandden. Ervaren zwiepten ze de straat op. "U bent werkelijk erg vriendelijk, dat u ons meegenomen hebt". - "U bent welkom, zeggen wij Schotten, en voorzichtig oversteken alstublieft".

Ze staken voorzichtig over. Toen keerden ze zich gelijktijdig om, zwaaiden een vrouwelijk handje en riepen hartelijk: "bye bye!" De politieman, die juist voorbijwandelde, taxeerde me even. Ik hoorde hem denken: "oudere heer, met twee grieten uitgeweest, maar geen zaak voor mij; hoe ouder hoe gekker". En ik dacht gegeneerd: "onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaam - zou die bobby de Heidelberger ook al kennen?" Het zou wel in zijn straatje passen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief