Naar een federatie met de Chr. Gereformeerde Kerken (4 - slot)

1982-06-25
  • Jaargang 26
  • nummer 25
Wij (d.w.z. de mensen van de kommissie voor samenspreking) ontmoeten soms lieden, die kennelijk vrezen dat wij een te romantische kijk hebben op de CGK. Ze vragen bevreemd: "Wat zien jullie toch in die kerken?". Zij zijn er bepaald niet enthousiast over. In dit slotartikel wil ik toch in het meervoud spreken over ONZE motieven. En dat niet alleen omdat onze afgevaardigden te Breukelen de besluiten t.a.v. de CGK namen met algemene stemmen, maar vooral ook omdat onze toenadering tot de CGK niet staat onder de drijving van een persoonlijke affectie, maar onder de spanning van de gehoorzaamheid aan het gebod van onze Heer en God.
En dat gebod geldt ons allen. Wie, zoals ondergetekende, door Gods leiding reeds 20 jaar staat in het ontmoetingsvlak tussen beide kerken, kan daarbij zijn persoonlijke ervaring niet buitensluiten. Ik zal daartoe dan ook geen poging doen.

Wat we mogen ontvangen
In de eerste plaats mag ik zeggen, dat we op een rijke zegen mogen rekenen in de ontmoeting met andere kerken, die van Jezus Christus zijn. En wij mogen ons door die zegen laten lokken. Welke dat is maken we op uit het gebed dat de apostel Paulus bidt voor de gemeente van Efeze, hoofdstuk 3: 17 en 18.
Hij grijpt in dat gebed kennelijk naar een rijke belofte Gods. Het is deze: Als wij geworteld en gegrond zijn in de liefde, zullen wij samen met alle heiligen in staat zijn te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en zullen we kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, en we zullen vervuld worden tot alle volheid Gods. Dat onze Here God deze belofte waar maakt als wij gaan op de weg van de liefde (niet de liefde als gevoel, maar de liefde als daad) heb ik en hebben velen met mij ervaren.
Wat mezelf betreft: toen ik in het begin van de jaren zestig voor het eerst de CG preekstoel te Eindhoven besteeg deed ik dat met veel vrees en beven. Vrienden hadden me gewaarschuwd dat ze mij niet de geschikte man vonden voor deze toenadering. Mijn preekwijze zou te direct zijn en mijn taal te eigentijds.
Ik was daar zelf ook bang voor. En de CG gemeente van Eindhoven was voor een vrij groot deel opgebouwd uit mensen van tussen de grote rivieren. Ik vroeg me angstig af of de wijze waarop ik de boodschap bracht geen verhindering zou zijn om te horen. En of de boodschap zelf wel zou overkomen. Ik kende de wereld waarin ik binnenkwam zo slecht. En dàt is toen de eerste vreugde geworden: deze vrees werd namelijk geheel beschaamd.
Niet omdat mijn preken zo goed waren. Eerder zeg ik (ook achteraf beschouwd): ze waren soms nogal mager.
Maar dwars daardoorheen kwam toch dóór de machtige boodschap van God die de goddeloze rechtvaardigt (Rom. 4: 5), de God die de doden levend maakt en het niet-zijnde tot aanzijn roept (Rom. 4: 17), de God die zegt: "Ik zal niet mijn volk noemen: mijn volk en de niet-geliefde: Geliefde" (Rom. 9: 25). De rijkdom van dit evangelie sprong over van de woorden van Paulus op prediker en hoorders en allen verheugden zich over de liefde Gods, welke is in Jezus Christus, onze Heer. En toen was er tegelijk dat andere: de gemeente had er aller onverwachts een prediker bij gekregen en de prediker een gemeente en twee gemeenten vonden elkaar als zustergemeenten in de Here. Het werk Gods bleek wijder en ruimer en groter te zijn dan wij vaak hadden gedacht en zo bracht het "samen met alle heiligen" een diepere kennis van de vier dimensionale liefde Gods in Christus. Ik mag in alle openheid zeggen dat ik de smaak van deze vreugde te pakken gekregen heb en dat die vreugde mij gegrepen heeft. Gods belofte is gebleken waarheid te zijn!

Nooit zal ik vergeten hoe we de werkelijkheid van deze rijkdom genoten aan een gemeenschappelijke avondmaalsviering waaraan de CG broeder Van Tuyl aanzat .Broeder Van Tuyl kwam uit Garneren, van tussen de grote rivieren. Hij was groot geworden onder een prediking vol zorg over onze doods staat. In de CG gemeente van Eindhoven behaagde het de Here Zijn Zoon in hem te openbaren (Gal. 1: 16).
Kort daarna ontmoette hij diezelfde Here Jezus Christus in de ontmoeting met de vrijgemaakte zustergemeente. Toen ging de liefde Gods nog veel wijder voor hem open. En nooit vergeet ik meer zijn stralende ogen aan de tafel des Heren. Hij verheugde zich met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, omdat hij met veel anderen mocht bereiken het einddoel van het geloof, dat is de zaligheid der zielen (1 Petr. 1 : 9). Als ik mij sinds die zondag afvroeg: "Wat beweegt je toch?"
heb ik voor mezelf dikwijls gedacht: "Het zijn de stralende ogen van br. Van Tuyl. Als dit mogelijk is tussen Gameren en EindhovenI" Ik heb broeder Van Tuyls ogen later vaak mogen zien stralen vol liefde, maar dan vermengd met de pijn van het lijden dat hem bij de Here zou brengen. Juist ook aan de gesprekken in die periode, waarin ik (na het grote verlies van onze broeder ds Simon van Zwoll) zijn pastor mocht zijn, bewaar ik de rijkste herinneringen.
Als ik later in gesprekken en debatten stootte op zoveel muizenissen en kleinigheden, die als probleem werden opgeworpen, heb ik zo dikwijls gedacht: "Broeders, als jullie de ogen van broeder Van Tuyl eens hadden gezien". Of beter gezegd: "Waarom wagen we het toch niet met Gods beloften en zijn we niet eenvoudiger en kinderlijker in het geloof en in de gehoorzaamheid van het geloof?
Ik hoop op dit punt goed begrepen te worden. Ik 10k in dit stuk niet met een subjectieve ervaring, maar met een belofte, die voor ons weggelegd is als wij de weg gaan die de Here wijst. De Here doèt wat Hij ons toezegde. Ik ben ervan overtuigd, dat veel gemeenten die elkaar vonden, veel collega's die elkaar ontvingen, veel jonge predikanten en studenten, die van de broeders in Apeldoorn zoveel meekregen, van de trouw Gods kunnen getuigen. Dat is het wat ons beloofd is, samen met alle heiligen.

Waartoe we bereid moeten zijn
We zullen bereid moeten zijn elkanders lasten te dragen (Gal. 6 : 2). Daarvoor is nodig, dat we ze in liefde onder ogen durven te zien, zonder ons erdoor te laten afstoten.
Het zijn immers lasten die liggen op het gehele lichaam van Christus en Christus is toch niet gedeeld? (1 Kor. 12 : 26; 1 Kor. 1 : 13). Dat in liefde onder ogen zien van elkaars zonden zal ons bewaren voor een lege herenigingsromantiek. Een concreet en teer punt wil ik vragenderwijs aan de orde stellen.
Is onze indruk juist dat de CGK relatief veel jongeren verloren uit de kringen van wat men noemt de intelligentsia? Ook wij kennen deze verliezen en ze zijn uitermate pijnlijk. Maar is onze indruk juist, dat deze verliezen in de CGK mede een gevolg zijn van een eenzijdige prediking die zich richtte op de zaligheid van de ziel? Zijn de grote levensvragen voldoende aan bod gekomen in de prediking? Wij menen in alle ootmoed, dat onze kerken daarmee gezegend zijn door het werk van mensen als Abr. Kuyper, A. Janse, de Wijsbegeerte der Wetsidee, onze professoren uit Kampen, en laatstelijk nog het werk van dr Fr. Schaeffer, dat veel ingang kreeg in onze kring. Nu de consciëntie was vrijgemaakt van "vrees, verbaasdheid en verschrikking om tot God te gaan" (art. 23 N.G.B.), kwam er veel aandacht voor de vraag hoe wij als lichten zouden kunnen schijnen op de vele terreinen van het leven. Ik geloof werkelijk dat vereniging met onze kerken vanwege deze winst voor de CGK een kans is. Als tenminste, wat ik verwacht, onze kerken in alle ootmoed en nederigheid bereid zullen zijn de last van de CGK mee te dragen. Andersom: wat kunnen wij veel leren van onze CG broeders als het gaat om het doordenken van de diepste vragen over de soevereiniteit en de vrijmacht Gods bij Zijn handelen met een zondig mens, het wonder van de wedergeboorte zoals de D.L. erover spreken in 111- IV, par. 12, de Gereformeerde vroomheid (ik denk aan het werk van dr T. Brienen),· de diepe pastorale aandacht van de prediker voor de mens in zijn vele zielstoestanden, enz.
Ik zou op de drempel van federatievorming tot de CG broeders en zusters willen zeggen: "U zult het best wel zwaar met ons krijgen. Want we zijn intellectualisten en individualisten van huis uit; erg gesteld op onze vrijheid, maar niet vrij van de hoogmoed waardoor we soms denken dat we het beter doen dan U. Maar laat U daardoor toch niet weerhouden met ons te gaan en onze last te dragen". Zo gezien betekent federatievorming een kans, ook voor ons.

De opdracht
Ten diepste zoeken wij elkander omdat de Here wil dat de Zijnen één zijn. Prof. Van Genderen zei ter laatste Synode (ik geef zijn woorden vrij weer): Niet de uitslag van de enquête beslist, maar het gebod Gods. Al waren veel meer kerken tegen, dan bleef dat gebod I Ds B. van Smeden zegt in de reeds geciteerde passage hetzelfde: Niet de vraag: houd ik zoveel van die andere kerk is beslissend. Maar het gebod van onze Heer en Heiland. Het is zoals de laatste CG Synode zei: Uit het gebed van de Here Jezus om eenheid, vloeit voort het gebod tot eenheid. Daarbij mag het dan niet gaan om een eenheid die alleen formeel en organisatorisch is. Maar om een intense zorg en liefde voor elkaar. "Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook CHRISTUS", 1 Kor. 12 : 12.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief