Revolutie in Nederland
1982-06-25
Inleiding- Jaargang 26
- nummer 25
Mij is gevraagd iets te zeggen (schrijven) over de betekenis van de antidiscriminatiewetgeving en van de beroering die zich daar omheen manifesteerde in de afgelopen januarimaand. Daartoe werden mij een aantal vragen voorgelegd, die ik even in een wat uitgewerkte vorm met u doorneem. De eerste vragen kwamen hier op neer. Wat is er toch aan de hand? We voelden ons door het gebeurde overvallen; is dat verklaarbaar? Hoe beoordelen we het geruchtmakende wetsvoorstel? Wat te denken van de aan het licht getreden tegenstelling binnen het Nederlandse volk?
Een tweede stel vragen wilde de bezinning verder opvoeren. Wat zit er eigenlijk achter de opgestoken storm? Een dergelijk iets komt toch niet zomaar uit de lucht vallen? Wat is er aan voorafgegaan, bij de voorstanders van de antidiscriminatiewet, maar misschien ook bij onszelf?
En dan de laatste vragen. Kunnen we, nu de storm bedaarde, voorlopig weer overgaan tot de orde van de dag, of staat ons daarvoor binnenkort teveel te wachten, als volk en als kerk? Anders gezegd: is de zgn. antidiscriminatiepolitiek een redelijk isoleerbaar incident, een goeddeels op zichzelf staand gebeuren, of een symptoom en teken van een zeer omvattend proces, waarbij in de komende tijd iets ernstigs op het spel staat? U vroeg zich als het ware af: wat moeten we er van denken van moeten we doordenken en wat moeten we doen? Belangrijke vragen, waarop mijn inleiding een eerste antwoord geeft, in het vertrouwen dat een gezamenlijk beraad zal ontstaan. De gang van m'n betoog is eenvoudig als volgt:
1. Wat is er heden aan de hand rondom de antidiscriminatiewet, buiten en binnen de kring van orthodoxe christenen?
2. Wat zit er aan verleden achter, buiten en binnen onze kerken?
3. Wat staat ons in de nabije toekomst te wachten, als Nederlandse volk en als christelijk volksdeel?
Vooral een tweetal opmerkingen
In de eerste plaats acht ik de kans niet denkbeeldig, dat wij onderling enigermate verschillen, zowel in de beoordeling van de antidiscriminatiewet als in de beoordeling van onze reacties als Ned. Gereformeerden daarop. Dat kan stof bieden voor een goede gedachtewisseling, mits er bij ons allen een middelpuntvliegende kracht is, naar het Schriften vleesgeworden Woord van God toe. Moge de bede om die gezindheid vanavond in onze harten leven.
Ten tweede iets over de actualiteit van ons onderwerp in engere zin. Mogelijk denkt u, dat de instelling
van een discriminatieverbod pas weer aan de orde komt wanneer dit omstreeks het einde van het jaar aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd. Niets is echter minder waar. Sommige gemeentebesturen proberen al zeker een jaar of vier plaatselijk uit te voeren wat landelijk nog ingevoerd moet worden. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2 juni kreeg u met het omstreden beleid dus wellicht al weer te maken, in wel of niet versluierde vorm. Bovendien hebben vele van de ouders in ons midden zich het afgelopen kwartaal reeds financieel geconfronteerd gezien met een consequentie van wat antidiscriminatiepolitiek heet. De Raad van Arbeid wil namelijk het aanvraagformulier voor kinderbijslag van nu af aan uitsluitend door de vrouw ingevuld hebben, terwijl het formulier tot en met 1981 normaliter door de man werd ingezonden. In de vaktaal van de feministische emancipatiepolitiek wordt zoiets 'roldoorbreking' genoemd.') Al met al is ons onderwerp van vanavond uiterst actueel, hoe we het ook bekijken.
1. WAT IS ER HEDEN AAN DE HAND ?
Ons onderwerp kan het beste worden aangesneden door een weergave van de korte inhoud der antidiscriminatiewet, gevolgd door een bijbelse belichting. Daarna herinner ik u aan de protesten en reacties van januari: bij de orthodoxe christenen, bij de aan het Schriftgezag tornende christenen en tenslotte speciaal bij ons als Ned. Gereformeerden. In september vorig jaar presenteerde CDA/VVD-kabinet wat we in de wandeling de antidiscriminatiewet zijn gaan noemen, maar wat met een mondvol heet: voorontwerp van een wet gelijke behandeling. Alle burgers van ons land mochten zich er tot en met januari over uitspreken. Rekening houdend met de reacties, zal de regering over de gevoelige materie een definitief wetsvoorstel aan de Tweede Kamer voorleggen.
Het gepresenteerde wetsvoorontwerp regelt drie sekseverhoudingen. Allereerst mag in principe geen onderscheid meer worden gemaakt tussen man en vrouw. In de tweede plaats mag absoluut geen onderscheid meer worden gemaakt op grond 'van de huwelijkse staat: gehuwd of ongehuwd, echtelijk of hokkend samenwonend. Ten derde mag er absoluut geen onderscheid meer worden gemaakt tussen wie zich heteroseksueel en wie zich homoseksueel gedragen. Dat zijn de drie sekseverhoudingen waarin het huidige zowel als het vorige kabinet drastisch wil ingrijpen. Huwelijk en gezin worden daarmee op de tocht gezet, terwijl de zgn. alternatieve samenlevingsvormen wind in de zeilen wordt geblazen. Voorzichtig formuleerde ik, dat slechts in principe geen onderscheid meer mag worden gemaakt tussen man en vrouw. De regering besefte namelijk, dat in de praktijk aan een ongelijke behandeling op bepaalde punten (nog) niet te ontkomen valt; te denken is daarbij aan bepaalde sporten, enkele beroepen en dergelijke.
De biologische en fysiek verankerde identiteit van man en vrouw is namelijk maar moeilijk werkeloos te maken. Ook in een ander opzicht laat het voorontwerp het gelijkheidsprincipe niet gelden.
Toegestaan is namelijk wat de regering positieve discriminatie noemt: het maken van onderscheid waardoor de emancipatie van de gediscrimineerden wordt bevorderd en waardoor met name de achterstand van de vrouw op de man versneld kan worden ingelopen. U begrijpt, dat het woord 'achterstand' uitgaat van vergelijkbaarheid en dus revolutionair is belast. We zijn er nog niet met de door de regering voorgestelde uitzonderingen op het discriminatieverbod: de kerken, de sociëteiten en mogelijk ten dele ook de buitenlandse minderheden in ons land zullen worden vrijgesteld van de naleving der ontworpen wet. Aan alle goede dingen komt een eind, want de christelijke organisaties zullen zich zonder uitzondering aan de antidiscriminatiewet moeten onderwerpen.
Zij worden dus; zo concludeerden de wetstegenstanders, voortaan gediscrimineerd.
Opmerking vooraf
Hoe beoordelen we nu dit wetsontwerp, de uitzonderingen maar even buiten beschouwing gelaten? Ik wil die vraag niet al te breedvoerig beantwoorden, aannemende dat de prediking over de drie betrokken sekseverhoudingen wel het nodige licht van Gods Woord heeft laten schijnen. Vooraf zij opgemerkt, dat het woord 'discriminatie' eerst in de afgelopen 15 jaar eenzijdig een negatieve betekenis heeft gekregen, onder invloed van het revolutionaire streven naar vrijheid en gelijkheid.
De politieke zuiverheid gebiedt, om de wetsbespreking te beginnen met de erkenning, dat bijbels gezien wel degelijk en ook niet zuinig een zondige discriminatie plaatsvindt. Wat de verhouding man-vrouw betreft, tekent Genesis 3 de noodlottige gevolgen van Eva's min of meer feministische revolutie, waardoor de man in het paradijs werd meegesleept. God voorzegt Eva namelijk: tot de (positie van de) man zal uw begeerte uitgaan en hij zal over u heersen. Welke man durft met de hand op het hart te verklaren, dat hij onschuldig is aan overheersing en dus aan onderdrukking? 3) Zondige discriminatie vindt ook plaats wanneer gehuwden neerzien op hen die zich aan hokken overgeven, kwaadsprekend zonder enig begrip voor de problemen en motieven bij de betrokkenen en zonder besef van eigen zonden, die het huwelijk tot minder dan hokken kunnen verlagen.
Tenslotte maken wij ons schuldig aan het kwaad van aanzien des persoons, voor zover de noden achter homoseksuele gedragingen lichter wegen dan dit achter heteroseksuele ontsporingen, of als we weinig onderscheid maken tussen de homofiel die zich homoseksueel laat gaan en de homofiel die genezing zoekt of in onthouding wil leven. De mogelijkheden tot het wettelijk bestrijden van de genoemde discriminatievormen zijn weliswaar beperkt, doch de staatsoverheid heeft uitwassen toch terdege te voorkomen of bestraffen. Maar dit alles gezegd zijnde, moet nu hoofdzakelijk het revolutionair karakter van de gelijkheidspolitiek worden gebrandmerkt. Bij de regering stonden geen goede bedoelingen maar kwade voornemens voorop. Er was een vertreden van het bij de schepping gegeven onderscheid en verband tussen man en vrouw, ook met name zoals dat in huwelijk en heteroseksualiteit tot uitdrukking komt. 4) Laten we volgende week over de drie op de tocht gezette sekseverhoudingen één voor één eens wat nadenken.
(wordt vervolgd)
-----------------------
1) Uitgewerkte tekst van een inleiding, gehouden voor de Ned. Gereformeerde Kerk te Apeldoorn 1 april 1982, met enkele aantekeningen. De inleiding was grotendeels gebaseerd op een uitgebreide verhandeling over de problematiek van en rond de antidiscriminatiewet, die ik in januari voltooide onder de titel: "Teken aan de wand van christelijk Nederland!"
Verscheidene jaren geleden werd het geloof van de christenen in ons land statistisch bestudeerd onder de titel: God in Nederland. De mij vanuit Apeldoorn aangereikte titel 'Revolutie in Nederland' richtte het zoeklicht op dat wat het geloof en leven van de christen in de tijd van het statistisch onderzoek is gaan aanvechten.
2) Reeds hebben een aantal Ned. Gereformeerde echtparen, met het risico van een licht financieel nadeel, afwijzend gereageerd op de door de Raad van Arbeid gestelde maar op een doorzichtige drog reden gebaseerde verplichting.
3) In 1792 schreef de eerste grote feministische publicist Mary Wollstonecraft "A vindication of the rights of woman", waarin zij niet zonder grond van "our slavish dependence" sprak, een verslaving waaraan overigens het geloof van Mary en haar tijdgenoten in "the authority of reason" niet weinig schuldig zal zijn geweest.
4) Het revolutionair verlangen naar eenvormige, nivellerende gelijkheid komt m.i. voort uit het verwerpen van de Schepper der wereld. Wie de houvastgevende eenheid van het leven niet geworteld acht in de Oorsprong aller dingen, die moet de volstrekte eenheid wel gaan zoeken in iets van de geschapen werkelijkheid. Dat liep in onze tijd uit op het plaatsen van het autonoom verklaarde en dus verafgode individu op de hoogste troon. In principe mag nu ieder doen wat goed is in eigen ogen. De christelijke levensbeschouwing onderscheidt het idool 'individu' van de menselijke persoon, die bij alle individuele kenmerken beslist geen enkeling is.