Pasen met toekomst
1981-05-15
1 Korinthe 15. vers 58 Er is een boek verschenen van Christopher Lasch, dat als titel draagt: "De kultuur van het narcisme" en dat wil aangeven, dat we leven in een tijd van afnemende verwachtingen.- Jaargang 25
- nummer 19
Narcissus is een figuur uit de mythologie, die op een bepaald ogenblik zijn eigen prachtig gebouwde figuur ontdekt in de weerspiegeling van het water en die dan zó verliefd wordt op zichzelf, dat hij zich ál meer en meer vooroverbuigt, om zich met zijn eigen beeld te verzadigen, dat hij ten slotte in het water valt en verdrinkt.
Deze Narcissus zag niets anders meer dan zichzelf; hij vergat, waar hij vandaan kwam en waar hij heen moest; hij gaf zich alleen áf met zichzelf en kwam in zijn eigen beeld hopeloos óm.
Men noemt de mens van onze tijd en van onze eeuw de narcist en zijn kultuur bestaat hiérin, dat hij slechts zichzelf ziet en begeert en daarin ten slotte ten onder gaat.
Hij is verzadigt met zichzelf; hij heeft gedronken van zijn eigen prestaties en bewondert zijn eigen prestaties en beleeft zijn eigen geluk. Maar langzamerhand wordt hij daar zélf het slachtoffer van.
De mens van vandaag heeft zijn vertrouwen in de toekomst verloren, omdat hij heeft ontdekt, dat het verleden hem niet gebracht heeft, wat hij ervan verwachtte. Hij heeft welvaart en geluk genoten; de schatten konden niet op; er scheen geen eind te komen aan zijn welvaart en in de blinkende oppervlakte van zijn welvaartsmeer ontdekte hij het spiegelbeeld van zichzelf. Hij woonde in de stad van de mens en beleefde het geluk van de welvaartsmens en werd op zichzelf verliefd.
Nu deze welvaart stuk breekt in de economische recessie; duizenden geen werk meer hebben; overheden geen vertrouwen meer wekken, omdat ze niet weten hoe zij er boven uit moeten komen; verdrinkt deze narcistische mens in zijn eigen spiegelbeeld.
Er is geen verleden, dat werkelijk geluk heeft gebracht en de jonge generatie heeft geen enkele band meer aan de historie, want die historie heeft alleen maar ellende gebracht en de schatten uit die historie worden als het ware uitverkocht als de inboedel van een failliet warenhuis.
Het kapitalistisch systeem rammelt aan alle kanten en men heeft nog geen ander systeem gevonden, dat de gaten van het oude zou kunnen wegnemen of zou kunnen aanvullen.
Er is óók geen toekomst, want we bouwen aan een bewapening, die, als de tijd zover gekomen is, in enkele knallen of in doffe dreunen de gehele beschaving verwoest en de westerse kultuur voorgoed vernietigt. Jonge mensen, die afstuderen, krijgen geen werk en het wordt als vanzelfsprekend aangenomen, dat dit verschijnsel van de werkeloosheid wel "gewoon struktureel" zal worden, het behoort bij onze samenleving, zoals een vergroeiing behoort bij een overbelaste wervelkolom. We leven in een tijd van afnemende verwachtingen. Er is hoe langer hoe meer alleen maar het heden, het nu. En in dat heden gaat het om de prestatie, om de verwerving; het gaat om het grootste brok en om het beste stuk. Het gaat om de vernietiging van wat je bent en hebt. Ook de naaste is er alleen maar om jezelf.
"Er zijn", zegt Allen, maar twee dingen, waarin ik geloof, nl. sex en dood, twee ervaringen die je maar eens in je leven kunt meemaken."
In zulk een wereld is het heel moeilijk, ja onmogelijk, een plaats te vinden voor Pasen, voor de opstanding van de levende Heer, omdat elke toekomstverwachting wordt geblokkeerd.
Trouwens, wat de mens het meest bezig houdt, is de vraag, óf en hoe hij het overleven zal. Als straks de grote knal komt, zal blijken moeten, wie het heeft overleefd en daarop is alle aandacht gericht.
Opmerkelijk, dat dit 15e hoofdstuk van de brief aan de gemeente in Korinthe, dat zo stralend begint met de opstanding van de Heer Jezus Christus en tenslotte eindigt met de glorie van God in de hemel en met de heerlijkheid van zijn rijk, toch héél nuchter tegen de christenen dáár zegt: "En ga nu maar fijn aan het werk hier beneden, want je werk zal nooit vergeefs zijn, maar dan - als het gedaan wordt in de Heer.
De christenen daar zaten nogal in de knoop met de opstanding uit de dood. Maar als Christus niet opgewekt is, zegt Paulus, ben je de ellendigste van álle mensen. Want je kan dan nooit verder kijken dan je (horizontale) neus lang is.
Dat gaat nooit verder dan de vicieuze cirkel van opkomen, er zijn en verdwijnen.
Maar de boodschap van Paulus gaat uit van de opstanding, vers 20.
Dat betekent dat hemel en aarde, leven en dood, heden en toekomst in zijn handen zijn. Alles ziet uit naar en gebeurt om dat rijk, dat straks, vooral bij de wederkomst van Christus, in glorie de wereld zal vervullen, als God zal zijn alles in allen.
We denken dan, ja, dat is goed voor later, als het einde gekomen is.
Nee, zegt Paulus in vers 58, dat is maar niet een wissel op de eeuwigheid, maar dat is voor vandaag.
Tot de mannen zegt hij, ga maar- gerust aan je werk en maak je taak af, want als je dat doet in de Heer, dus omdat de Heer jouw leven heeft verworven en daarom in alles voor je zorgt, doe je het voor Hem en zulk werk is niet vergeefs.
Tot de vrouwen zegt hij, ga maar naar je keuken, aardappelen koken en de was doen; ga maar je kinderen opvoeden en heb ze hartelijk lief, want (al lijkt het soms allemaal vergeefs) het is het niet, als je doet als een opdracht van de Heer.
Tegen de jongens en de meisjes zegt hij, dat ze maar gewoon naar school moeten gaan en hun sommen maken of hun vertalingen en scripties moeten afmaken, want als ze het voor de Heer doen, is het nooit tevergeefs, zelfs als het niet helemaal lukt, zoals je dat wilde.
Als je slaagt voor je diploma, komt het van Hem en je mag er in Hem blij om zijn. Als je afgewezen wordt, hoef je niet in zak en as te zitten, want in de Heer heeft het zijn zin.
Als je verliefd wordt op dat meisje of op die jongen, behoef je niet te denken, dat dat alleen maar sexueel bepaald is voor een ogenblik en verder niet, want in de Heer heeft het zijn bestemming, al breng je er hier en zelf niet zoveel van terecht.
Als je werk hebt, behoef je niet te denken, dat is toch maar sleur en ik word er niets beter van, want als het in de Heer gedaan wordt, is niets vergeefs; de Heer wil mij gebruiken voor zijn rijk, ook al zie ik dat niet direkt.
En als ik géén werk heb en ik me afgedankt en nutteloos voel, omdat de maatschappij mij niet gebruiken kan, dan is dat wel een vreselijke verzoeking, om er dan maar niets meer van te verwachten, maar in de Heer is niets tevergeefs, in het rijk van God is niets zonder reden, al zal het héél wat moeite kosten, om het doel te vinden.
Als ik maar niet verliefd word op mijzelf.
Als ik maar niet verdrink in mijn inspanning, om er boven uit te komen.
Als ik maar blijf vasthouden aan het verleden, waarin Jezus Christus voor mij stierf.
Als ik maar blijf uitkijken naar het rijk van morgen, waarin God zal zijn alles in allen.
Maak van je leven op aarde een proeftuintje van het koninkrijk van God.
Kijk door d é z e wereld heen naar de toekomst van Pasen.
Christus is opgestaan, ook als ik keihard werk aan mijn baan of voor mijn gezin.
Christus is opgestaan, ook als ik doelloos rondzwerf, om een baantje te vinden.
Christus is opgestaan, ook (en ik durf het haast niet neer te schrijven) ook als Moskou of Washington hun kruisraketten zou afvuren.
En dat betekent, dat ons werk niet vergeefs is, als we het in Christus doen.
President of onderdaan; werkgever of werknemer; generaal of soldaat; leraar of leerling; op je buro of in de schuilkelder; maar wat je doet, is niet vergeefs, als je het in de Heer doet.
Soms weet ik er geen raad mee. Moet ik gaan trouwen, terwijl er zoveel huwelijken kapot gaan? Moet ik kinderen in de wereld zetten, als ze straks ineen atoomexplosie sterven? Je kan deze vragen met honderd andere aanvullen.
Ik weet daar helemaal niets van. Maar ik weet één ding: Christus is opgestaan uit de doden en de eersteling geworden van hen, die ontslapen zijn.
Als ik in Hem ben en in Hem besta en arbeid, is niets, helemaal niets tevergeefs. Ik kom uit zijn verleden en leef vandaag, nu, hier en nu, dáár en zo, uit en door en voor Hem.
Laat dan mijn hart u toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren,
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed,
omdat de hemel mij begroet.
(gedicht van Jan Wit, te vinden in Liedboek voor de Kerken, nr. 479, vers 4)