De christen in de politiek (3)
1981-05-15
De vorige maal schreef ik dat het uitgangspunt voor christelijke politiek zo breed en diep mogelijk, dat wil zeggen: in het geheel van de Schriften, gekozen moet worden, maar dat de doelstelling in onze tijd van sekularisatie niet anders dan beperkt kan zijn. Laat mij nog een keer proberen datgene onder woorden te brengen wat mij als een minimum van hedendaagse christelijke politiek voor ogen staat: betrouwbaar zijn; tonen dat basale waarden, zonder welke een samenleving niet kan bestaan, veilig bij je zijn; de souplesse opbrengen om binnen een verscheidenheid van politieke systemen te kunnen funktioneren en (keerzijde hiervan) het relativeren, ontideologiseren en ontmythologiseren van zodanige systemen; en -last but not least - op belangrijke punten en in beslissende situaties eerbiedig en overdacht de NAAM ter sprake brengen.- Jaargang 25
- nummer 19
Nu kan ik mij voorstellen dat iemand die mijn beschouwingen tot dusver gevolgd heeft, deze bedenking tegen mij inbrengt: ziet jouw program van christelijke politiek er niet veel te mager uit? Als het niet méér inhoudt dan die genoemde punten, kun je dan nog wel spreken van een volledige politieke visie?
Zijn het niet meer kanttekeningen bij een politiek program dat van elders moet komen? Ook al zijn die kanttekeningen nog zo wezenlijk, je biedt er toch geen echt politiek alternatief mee? Een dergelijke bedenking stelt de heer Kadijk mij dan ook als vraag: "Waarom beperkt ds De Jong de grondslag voor algemeen bestuur bijna geheel tot waarden, die buiten het geloof om door medeburgers beaamd (kunnen) worden?" In deze vraag proef ik bevreemding over het minimale waartoe ik mij beperk.
Nu heb ik al gezegd dat mijn opvattingen hierover een sterk op het tijdsgewricht afgestemd karakter dragen. Ik drukte dat uit met het gezegd dat Mozes en David meer konden dan Jozef en Daniël. In deze uitspraak zit echter opgesloten dat er ook volgens mijn mening uit de Schrift veel meer politieke wijsheid te halen valt dan alleen de beginselen van de algemene zedewet.
Met name Mozes' ordeningen zijn in dat opzicht een ware goudmijn, mits met verstand gelezen. Het kan niet missen: wie regelmatig de Schriften leest en ze in de gemeente hoort uitleggen, krijgt politieke idealen en wordt gevoelig voor een rechtvaardige inrichting van de samenleving.
Dat is waar.
Maar iets anders is helaas ook waar.
De door Mozes' wetten gestruktureerde, israëlitische samenleving is vastgelopen op de hardheid van Israëls hart, zij is gestrand in het échec van de ballingschap. En de profeten zeiden: hier is geen vervolg meer op, tenzij de Here God een nieuw verbond sluit, waarin Hij zelf de wetten schrijft in de harten van zijn kinderen. Sindsdien weten wij dat wij met onze christelijke idealen (ook op politiek gebied) geen voet aan de grond krijgen in de samenleving, tenzij de Heilige Geest mensen daarvoor bezielt; tenzij die samenleving wederom geboren wordt of althans een gelovig christendom het gelaat van die samenleving stempelt.
Maar wat doe je met dit inzicht in de politiek? Alleen een getuigenispartij heeft dan nog zin. Dat wil zeggen dat christen-politici in 's lands vergaderzalen preken. Let wei, daar 'Vind ik niets schandelijks aan, maar het is voor mij wel de vraag of dat op de duur volgehouden kan worden. Is daar niet een natuurlijke grens aan gesteld?
Laat ik het iets konkreter maken.
Het is niet moeilijk in te zien dat het socialisme politieke programmapunten heeft, die ons vanuit bijbels gezichtspunt zeer moeten aanspreken.
Ik zal die punten maar globaal samenvatten onder het hoofd: bekommernis voor de minderbedeelden.
Tegelijk moeten wij, eveneens vanuit het evangelie, een even grote verwantschap hebben met het kenmerkende van liberale zijde: persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid.
Maar als de Heilige Geest niet in de samenleving werkt, wat zien we dan van heide idealen terecht komen? Als het socialisme z'n zin krijgt, dan bereikt het hoogstens een van boven af opgelegde en afgedwongen bekommernis voor de minderbedeelden. Geen persoonlijke beaming van binnenuit staat daar achter. Dat is onlangs schrijnend gebleken uit wat de franse kommunist Marchais met de gastarbeiders in de voorsteden van Parijs heeft kunnen uithalen, op aandrang van zijn achterban. Weg bekommernis voor de minderbedeelden!
zagen we toen. En zo voorzie ik dat de hele socialistische beweging in de 'komende tijd van ekonomische malaise voor een zware proef zal komen te staan, waar in blijken moet hoe diep eigenlijk het sociale mededogen zit. Ik ben daar niet gerust op. Maar anderzijds, als je het liberalisme z'n gang laat gaan, kom je terecht in de wildgroei van de persoonlijke vrijheid. Ook voor het goede in het liberalisme ontbreekt de innerlijke gesteldheid des harten. Christelijk zou zijn: een in persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid aanvaarde bekommernis voor de minderbedeelden; als vrucht der dankbaarheid, zogezegd.
Maar juist daarvoor is nodig een samenleving die in brede lagen innerlijk geregeerd wordt door Woord en Geest.
Socialisme en liberalisme zijn naar hun goede trekken allebei snijbloemen die, afgesneden van hun evangelische wortel, ten dode opgeschreven zijn. Juist dat maakt het voor een christen-politicus moerlijk de waarden die zij vertegenwoordigen voetstoots bij te vallen. Zeker, door getuigenis kunnen wij herinneren aan de wortel waaruit die waarden zijn voortgekomen, maar ik vraag me af of dat voor de lange duur wel kan door middel van het politieke apparaat. Is dat niet een oneigenlijk gebruik ervan? Juist nu in onze tijd voor zoveel mensen de politiek de plaats heeft ingenomen van de religie ("Niet de religie maar de politiek moet de samenleving veranderen"), moeten wij waken en waarschuwen tegen de overspanning van de politiek als middel tot verbetering van de samenleving en moeten wij met de profeet zeggen: niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest, zegt de HERE der heerscharen (Zach. 4:6).
Nog eens, voor onze boodschap kunnen wij het politieke apparaat tijdelijk gebruiken en kunnen wij de spreekplaatsen in de beide Kamers tijdelijk als kansel benutten.
Maar als we merken dat wij met ons getuigenis toch geen gelovig gehoor krijgen, dan kan het niet anders of ons geluid zal op dit punt zwakker worden. Misschien dat het ons gegeven zal zijn af en toe nog iets ontnuchterends te zeggen, als het ideologische gedram al te duidelijk met de werkelijkheid in strijd komt. Dat is niet niks, vooral niet als er naar geluisterd wordt en in dat opzicht moet ik de heer Kadijk gelijk geven, als hij in zijn derde vraag zegt dat politiek niet vereenzelvigd mag worden met macht. Zij is inderdaad ook wel eens een middel tot geestelijke beïnvloeding.
Maar: afnemend, is mijn indruk.
Zeker nu de politiek voor zeer velen de plaats van de religie gaat of is gaan innemen. De reden Vela die overstap is immers dat men wanhoopt aan de kracht van het Geestelijke argument en daarvoor in de plaats iets wil hebben dat (denkt men) meer uithaalt, namelijk macht.
Dus moeten wij ons voor de christelijke politiek inderdaad steeds meer beperken tot die waarden die buiten het geloof om door de medeburgers beaamd (kunnen) worden.
En als men mij dan tegenwerpt dat ik daarmee geen volledig politiek program aanbied, dan heb ik daartegen geen verweer. Dat is zo. Wij hebben wèl onze idealen. (En het is ook nodig daar hard op te studeren om er ons politiek mee gereed te houden, want er kunnen weer andere tijden komen dan deze!). Maar hoezeer ook idealen koesterend, wij hebben er op 't ogenblik in de samenleving onvoldoende dragers voor. In een andere zin dan vroeger Groen van Prinsterer zijn wij een veldheer zonder leger geworden.
En er valt ook niet meer, zoals in de negentiende eeuw, een volk achter de kiezers te mobiliseren. Dat is op.
Maar, mij beperkend tot die basiswaarden, ben ik dan van mening.
dat juist zij onwrikbaar verankerd liggen in de consciëntie van ons volk? Ben ik daar optimistisch over? Nee, dat niet. De aandachtige lezer zal stellig hebben opgemerkt dat ik steevast geschreven heb over waarden die door de medeburgers beaamd (kunnen) worden. . Dat woordje 'kunnen' kwam er steeds tussen haakjes bij. Ook de waarden van de algemene zedewet immers kunnen uitslijten. Dat hebben we rondom de abortus-wetgeving wel kunnen zien. Want zonder twijfel was en is daar zo'n algemene waarde bij betrokken: die van de zorg voor het (ongeboren) leven.
[Als iemand hier geestdriftig aan toe zou willen voegen: ... en wat denkt u van de moeite die wij als christenen wel niet hebben om 't atoomwapen uit de wereld te helpen, óók ter bescherming van een grondwaarde: gij zult niet doodslaan,die krijgt van mij toch geen bijval.
Inderdaad is het een grondwaarde: gij zult niet doodslaan. Maar met de Heidelbergse Catechismus zeg ik toch vrijmoedig: "waarom ook de overheid het zwaard draagt om de doodslag te weren" (antw. 105).
Tot dat zwaard behoort vandaag ook het atoom-wapen. Juist op dit punt zie ik christenen teveel van de politiek verwachten. Alsof die in staat zou zijn de burgers buiten het geloof om tot liefde voor de vijand te brengen!
Nee, optimistisch ben ik niet over de kracht waarmee de algemene zedewet over het hart van ons volk regeert. Ook de grondslagen die daarin aan de orde zijn, kunnen worden vernield (vgl. Ps. 11: 3).
Maar wel is het zo dat ongehoorzaamheid aan de geboden van de algemene zedewet eerder bestraft wordt dan wanneer men meer rechtstreeks religieuze inzettingen aan z'n laars lapt. Het vertrouwen heimelijk op afgoden stellen, dat kan een mens een heel leven lang ongestraft doen, maar als men de huwelijksmoraal laat verslappen, dan worden de geslachtsziekten een ware volksplaag. De algemene zedewet levert hier onverbiddelijk boter bij de vis. Wel niet persoonlijk, maar uit maatschappij-oogpunt. Een ongelovige zal daar niet de God van hemel en aarde achter zien staan en zal mogelijk zeggen, dat bepaalde gedragingen zichzelf hard afstraffen. Wel, dat is zijn verantwoordelijkheid.
Maar 't effekt is wel, dat hij wanneer hij dat verband gaat zien, zich uit eigenbelang zal gaan inhouden.
Welnu, dáárop zal christelijke politiek dan maar wat meer moeten gaan mikken. Dat zal dus neerkomen op een politiek die (zoals ik al zei) het gebruik van de NAAM niet schuwt, maar die verder het (nog) gezonde verstand zal trachten aan te spreken. Dat is natuurlijk geen politiek die het koninkrijk van Jezus Christus doet vorderen (zie art. 36 van de N.G.B.), maar wel een die het rijk van de anti-christ misschien nog een beetje tegenhoudt.
Ik ben ook nu nog niet klaar.