De reformatle van Achnaton
1981-05-15
Toen de grote farao Amenhotep de Derde op zijn uiterste lag werd de hof-schedelboorder geroepen. Het was namelijk een Egyptisch gebruik om hoogwaardige personen de schedel te lichten, wanneer andere middelen tot levensbehoud te kort schoten. In enkele gevallen gaf deze operatie verlichting, zelfs verlenging van leven. In de meeste gevallen stierf de patiënt tijdens of kort na de behandeling. En ook in dit geval moest de hofarts na de operatie de koningin zeggen: als zijn god het 'toestaat zal de farao juist de morgen halen.- Jaargang 25
- nummer 19
Bij deze operatie assisteerde een jonge arts, Sinuhe, die nauwelijks twee schedellichtingen had meegemaakt. Bovendien hielp koningin Teje, de raadselachtige vrouw uit Beneden-Egypte, die door Amenhotep na een van zijn jachtpartijen in de Nijldelta als buit was meegebracht. Als derde assistent was een barbaar aanwezig, die de gave had met zijn aanwezigheid het bloeden te stelpen. Terwijl de overige getuigen de voornaamste leden van het koninklijk gezin vormden: de schone prinses Baketamon en haar broer, de kroonprins Achrnaton.
Hoewel de gebeurtenis aan het sterfbed vooral de troonopvolger aanging, had de kroonprins Achriaton zijn ogen gesloten. Hij kon geen bloed zien.
En niet alleen was hij overgevoelig voor bloed, wreedheid, ziekte,-oorlog, dood - maar hij was ook fysiek misdeeld. Te lang uitgegroeid ging hij op misvormde benen. Zijn ogen stonden dweperig, zijn oren waren te lang, zijn kin was uitgezakt en zijn jukbeenderen staken erbarmelijk uit.
Maar deze weinig fiere, allerminst vorstelijke figuur was bezeten van hoge idealen. Hij zou straks Egypte de religie van de Waarheid schenken, afrekenen met alle duizend goden, het sociale leven hervormen, de standen afschaffen, oorlogen beëindigen, slaven de vrijheid schenken, zijn volk gelukkig maken!
Te lang had Amon, Egypte's oppergod, over alle duizend geschapen goden geregeerd. Achnaton, die Amenhotep de Vierde had moeten heten, had zijn naam al gewijzigden zich naar Aton genoemd. Aton immers, de oorspronkelijke godheid van zijn vaderen, was niet door beelden voor te stellen - hij was de verpersoonlijkte Waarheid zelf, die zich alleen in de zonneschijf openbaarde. En wie eenmaal diep in de zonneschijf had gestaard was blind: zag alleen nog talloze stralen, die alle uitliepen in zegenende handen.
Ook Achnaton was in zekere zin verblind. Hij haatte blindelings de overgeleverde religieuze leugenachtigheid, het moeizaam overeind houden van onbegrepen tradities, de onredelijke verschillen in stand, rijkdom en eer; hij haatte ook de leugenachtige kunstenaars, die farao's en hun hofhoudingen styleerden tot godenfiguren en hun zo alle menselijkheid ontnamen.
Hij haatte vooral het leugenachtige bijgeloof, waaronder zijn volk gebukt ging; want wie middelen bezat kon de goden gunstig voor zich stemmen maar de arme was aan de demonen overgeleverd. En dan haatte hij de oorlogen met een gruwelijke haat.
Achnaton leed aan de "goddelijke ziekte" van de toevallijders. Hij kreeg tijdens zijn aanvallen visioenen, die hij voor boodschappen uit de onzienlijke wereld aanvaardde. Ook in de nacht waarin zijn vader stierf had Achnaton een visioen in de Arabische woestijn, waarheen hij met de jonge Sinuhe gegaan was. Hij zag de zonsopgang boven de Sinai, achter de Rode Zee, werd verblind door de gouden stralen, viel in aanbidding ter aarde, kreeg een toeval en ontwaakte door Sinuhe's goede zorgen, verrukt door het profetische visioen: dat hij van heden af het volk van Egypte gelukkigzou maken.
Zo bracht de jonge farao een definitieve verandering in de krachtige 18de dynastie van Egypte. Waren zijn voorouders vechtjassen geweest, die vele volkeren onderwierpen en schatplichtig gemaakt hadden, hij, Achnaton, was een vredevorst. Wilden onderworpen volkeren hun schatting niet langer afdragen, dan had hij daar begrip voor. Werden de Egyptische belastingontvangers en landvoogden in het buitenland beledigd, met mest en stenen bekogeld, dan wenste hij niet in te grijpen. Toen zijn bekwame generaal Horemheb gelden eiste voor een leger, dat Egypte's aanzien zou herstellen - wenste farao Achnaton uitsluitend houten lanspunten te kopen, goed voor parades en oefeningen, maar ongeschikt om bloed mee te vergieten. En sprak Horemheb duidelijke taal over 'een krachtige militaire ingreep, dan bezwoer Achnaton zijn domme vechtjas: dat men altijd beter vijfhonderd Egyptenaren kon laten afslachten dan duizend vijanden vernietigen - want dat waren ook mensen. Wreedheid was voor hem onmenselijk, in strijd met zijn religie. Want Aton, die de Waarheid was, wenste vriendelijkheid, mededogen, waarachtigheid, naastenliefde, onbaatzuchtigheid en offervaardigheid.
En krachtig bestreed de nieuwe farao alle afgoden, de duizend goden van Egypte; liet hun beelden vernietigen, hun namen van de gedenkstenen wegnemen, hun tempel kapitalen aan het arme volk geven, hun namen uitroeien.
Alleen god Aton mocht nog genoemd en aangebeden worden. Zijn offers bestonden in vruchten, veldgewas en bloemen, gebracht op een open altaar onder de blote hemel in het licht van de zonneschijf. Maar het was afgelopen met amuletten en tovermiddelen, met afpersing en priestertyrannie; want wie in de Waarheid leeft was vrij, vrij van angsten, bijgeloof, van leugen en haat, van klasseverschillen en van een wrede schijnwereld.
Achnaton heeft van zijn opvolgers en priesters de naam van ketter-koning gekregen. Zijn afbeeldingen, die zijn menselijke onvolkomenheden op surrealistische wijze weergeven, werden een aanfluiting van de faraonische goddelijkheid geacht. Zijn naam is door Ramses II als van een "valse farao" uit de koningstafel te Abydos weggelaten. Om hem is de geschiedenis vervalst en dat zou zo gebleven zijn, had niet zijn tijdgenoot dokter Sinuhe ons de waarheid nagelaten.
Toch mogen we zeggen, dat Achnaton zijn tijd vele eeuwen vooruit is geweest.
Wat duizenden jaren later pas met bloed, zweet en tranen kon worden veroverd: vrijheid van denken, erkenning van menselijke rechten, democratie,eerbied voor de medemens en zijn geluk, vrije kunsten, onpartijdige wetenschapsbeoefening, inkomensverdeling, sociale zekerheid, bescherming van het leven - het kon niet ineen handomdraai door een jonge farao op tafel worden getoverd.
Wij mogen nog meer van Achnaton zeggen. Zijn reformatie naar de monotheïstische religie (één God, schepper van hemel en aarde, geen andere goden, geen afbeeldingen aanbidden, het onschendbare huwelijk, respect voor het leven, het bezit en de naam van de medemens) het doet alles sterk denken aan de Woorden van Gods Verbond. Spreekt de Bijbel in dezelfde tijd niet over een Jethro, Mozes' schoonvader, die priester Gods was? En over koning Melchizedek, koning van Salem en priester Gods?
Was Achnaton minder bedeeld dan een van hen? Luister dan naar een van zijn zonnehymnen:
Gij zijt in mijn hart / en niemand kan u kennen / dan uw zoon, de farao!
Hem verklaart gij uw oogmerk / hem heiligt ge door uw macht. In uw handen ligt besloten het heelal/zoals gij dit hebt gewrocht. Van uw licht leeft de mens. Legt gij u neer / dan is hij gedoemd te sterven. Want gij zijt het leven / en door u leeft de mens. Alle ogen aanschouwen uw schoonheid / totdat gij u neervlijt. Gaat gij onder in het westen / dan staakt elk de arbeid. Sinds gij de aarde schiept / hebt gij haar voorbereid tot de komst van uw zoon / die is neergedaald uit uw armen / te ontvangen de koning / die leeft in de waarheid. De Heer der twee landen / de zoon van Re / die leeft in de waarheid. Geschapen hebt gij de wereld / voor de Heer der beide diademen / en voor zijn gemalin, de grote koningsvrouwe / zijn veelgeliefde heerseres van het dubbele land / voor Neiertete, levend en bloeiend tot in eeuwigheid ...
Herkent u iets van psalm 104? Van Franciscus' Zonnelied, gezang 400?
U hebt gelijk: Franciscus bezong niet de zon, maar de Schepper van de zon. En psalm 104 spreekt niet van aardse koningen en koninginnen, maar van de Koning der koningen. In deze zaken schiet Achnaton te kort. Maar verder?
Het leven van deze idealist werd natuurlijk één grote teleurstelling. Zijn revolutie mislukte aan alle kanten; de realiteit ging aan al zijn schone idealen voorbij. Het volk, dat bij deze hervorming álles had te winnen, was niet bereid het oude los te laten. Liever dan de wraak van goden en hun priesters te trotseren, liet het zich onmondig verklaren en uitzuigen.
Het wenste geen vegetarische farao, die in soberheid en monotheïsme leefde.
Het wenste geen onzichtbare god, die ongrijpbaar en onbegrijpelijk was. Het wenste goden, die voor hen uit trokken, opstandige volkeren tegemoet.
En zeker accepteerde Egypte de honger en armoede niet, die door Achnaton's slappe buitenlandse politiek het land indrong: want geen onderworpen volk dat nog belasting opbracht, geen handelsschepen die veilig terugkeerden. En geen oogst - zodat de honger zwaar werd in dat land.
De Amons-priesters stookten het volk op: dat is de wraak van Egypte's goden, jullie bent misleid dooreen valse farao. Achnaton heeft Thebe, de koningsstad, moeten verlaten. Zocht toevlucht voor zijn idealen in een nieuwe stad aan de Nijl: Achet Aton, Horizon van Aton. Daar leefde hij met een klein gezelschap van getrouwen zich uit aan zijn idealen, ver buiten de wereld, die voor deze idealen nog niet rijp was. Eerst 1350 jaar later zou de ware Vredevorst in deze wereld komen.
En langzaam drong het tot Achnaton door: dat de stromen bloed en leed, die zijn reformatie had aangericht, alleen nog werden overtroffen door het bloeden het leed van de contrareformatie, die de klok terug zette. Bewust dronk hij de gifbeker, die zijn hofarts hem vriendelijk reikte. Deze hofarts was Sinuhe - maar dat is een ander verhaal.
Correctie. In mijn artikel "Koning - leef in eeuwigheid" is helaas een zin uitgevallen, waardoor de alinea onleesbaar werd. De 5e alinea op pag. 125 moet als volgt luiden: "Toen het volk Israël, door de Heere uit Egypte uitgeleid maar in zijn richters teleurgesteld, een koning wenste "als alle andere volken", moet het aan de "onsterfelijke" farao's hebben gedacht. Het verwierp daarmee de enige onsterfelijke Koning, die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft ... "