De christen in de politiek (5 - slot)

1981-05-29
  • Jaargang 25
  • nummer 21
Na het vorige artikel kan het geen grote verbazing meer wekken als ik zeg dat ik wel wat zie in die tweerijken-
leer. Hoe je die leer nu ook precies benoemt en hoe je haar ook uitwerkt, een dergelijke onderscheiding in tweeën lijkt mij onvermijdelijk Of ik nu echter op Lutherse wijze een belijder van die leer ben, zoals de heer Venderbos in zijn 'Ingezonden' vraagt, waag ik te betwijfelen.
Bij Luther, en zeker bij de Lutheranen, heeft wel het gevaar gedreigd dat men dat ene rijk (het 'wereldse') geheel of teveel van Christus losmaakte. Dat heb ik niet gedaan. Getuige de moeite die ik mezelf gegeven heb in de voorgaan de artikelen om de waarden van de algemene zedewet (die m.i. in de politiek vooral behartigd moeten worden) te verwortelen in Christus.
Zijn naam kan er niet bij gemist worden, wanneer wij in het publieke leven strijden voor het hoog houden van die waarden. Het ontchristelijken van het wereldse 'rijk' lijkt me trouwens een algemeen gevaar, dat niet alleen Luther bedreigd heeft. We worden op dit terrein gauw te neutraal, dat is waar.
Daarom heeft de heer Venderbos ook wel gelijk als hij zegt dat wij bij sommige protestanten in het Hitler-Duitsland de gevolgen van die twee-rijken-leer in kwalijke zin gezien hebben, waarbij ik intussen blij ben met het genuanceerde 'bij sommige protestanten', want als ik bijvoorbeeld Luther zelf hierover lees, zou dit uitglijden hem waarschijnlijk niet zijn overkomen.
Maar hoe dat ook zij, het misbruik van de leer van de twee rijken neemt het gebruik ervan niet weg.
Je zou van die leer het zelfde kunnen zeggen als wat de Heid. Cat. van de eed zegt (antw. 101) dat ze namelijk in Gods Woord gegrond en daarom ook door de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament terecht gebruikt is geweest. Of je nu Christus zelf hoort over het recht des keizers naast het recht van God (Matth. 22 : 15-21) of wel bij Paulus leest dat hij de christenen de wraak verbiedt en even later de overheid een door God aangestelde 'toornende wreekster' noemt voor degene die kwaad bedrijft (Rom. 12: 9 en 13: 4) - het is één doorlopende indruk die we door heel de bijbel heen opdoen, dat de drieenige God op twee wijzen in de wereld regeert: door Woord en Geest en door middel van het overheidsambt. En dan maar hopen (met Luther) dat de personen die dat overheidsambt uitoefenen zelf door Woord en Geest geregeerd worden.

Met deze laatste opmerking kom ik toe aan wat ik in drit artikel eigenlijk wilde bespreken. Ik me namelijk de tijd naderbij komen dat wij ons als christenen aan het actieve politieke bedrijf (waaronder ik vooral versta het maken en uitvaardigen van wetten) maar beter kunnen onttrekken, omdat wij onmogelijk langer de verantwoordelijkheid ervoor kunnen dragen. Zelfs het uitbrengen van onze tegenstem tegen bepaalde voorstellen zal dan te weinig zijn, eenvoudig omdat de ideologische beheersing van de politiek zo ver gaat dat de nuchtere en zakelijke sfeer die voor politiek handelen nodig is, ontbreekt. Weggaan is dan het enige dat overblijft, Ik denk niet dat alle christenen op het zelfde tijdstip tot de konklusie zulten komen dat het zo ver is. Zoals op andere gebieden onderscheid ik ook hier wel eens voor mezelf tussen 'nog'-christenen en 'al'-christenen, van welke beide ik hoop dat ze veel met elkaar zullen spreken en goed naar elkaar zullen luisteren.
Juist omdat je niet mag verwachten dat over zo belangrijke en ingrijpende zaken onmiddellijke eenstemmigheid bereikt zal worden.

Maar gesteld nu dat we zover zijn, dat wij het hele parlementaire gebeuren laten voor wat het (geworden) is, omdat in het ideologische noodweer dat daar woedt, juist ook de waarden van de algemene zedenwet worden weggestormd, zou dat dan betekenen dat er voor ons christenen geen politieke taak meer overschiet? Volstrekt niet, is mijn mening. Er zal alleen een wat lakonieke opstelling nodig zijn om in die situatie een heleboel taken te zien en aan te vatten, die niemand zo gauw politiek zal noemen, maar het intussen wel degelijk zijn.
Tot het politieke bedrijf behoort namelijk niet alleen de wetgevende, maar ook de uitvoerende macht. En dus is ook de ambtenaar in de samenleving een politieke figuur in de ruimere Zin van het woord. Erastus, de stadsrentmeester van (waarschijnlijk) Korinthe (Rom. 16: 23) en zijn soortgenoten van alle tijden heb ik hier op het oog. Mogelijk ook de hoogedele Theophilus, tot wie Lukas zich in zijn beide boeken wendt (Luk. 1: 3; Hand. 1: 1).
Eveneens een hoge ambtenaar. Wat hebben zij een mogelijkheden gehad om in welk politiek systeem dan ook veel kwaad af te remmen of zelfs te voorkomen! Ik denk hier ook met name aan veel politieambtenaren in de laatste wereldoorlog.
Nu wij tegenwoordig zo ver zijn dat men zich bij de overheid kan opgeven als verzetsheld ten einde op deze manier nog wat achterstallige waardering te oogsten, moet mij toch iets van het hart dat er al geruime tijd op ligt. Hulde aan een bepaald soort verzet!, dat staat voorop. Maar evenzeer hulde aan al diegenen drie ook om des gewetens wil op hun post gebleven zijn en zo met gevaar voor eigen leven veel onheil en rampen hebben kunnen voorkomen, Niet ieder kon onderduiken in die tijd. Behalve dat het niet kon, is het ook maar goed, dat niet ieder het gedaan heeft. Tegenover een overdreven verheerlijking van het Verzet is het misschien wel eens goed dit op te merken.

Terug naar het onderwerp. Marcel van Dam nam onlangs in het programma 'de achterkant van het gelijk' een aantal leger-officieren een soort verhoor af. Vele kijkers zullen - zoals hij trouwens ook zelfgetroffen zijn geworden door de grote beheerstheid en het hoge roepingsbesef waarmee deze mensen de zaken van oorlog en vrede benaderden.
De indruk die door een bepaald soort propaganda gevoed wordt,als zou de legerleiding bestaan uit een stelletje nauwelijks in te tomen oorlogszuchtige lieden, dat van ongeduld staat te trappelen om met het grote gooi- en smijtwerk te mogen beginnen, werd wel zeer grondig weersproken. Bij het kijken naar dat programma kwam er een grotere rust over mij dan bij het volgen van zo menig paniekerig Kamerdebat over dit onderwerp. Achteraf hoorde ik van een insider dat zich onder deze hoge officieren verschillende christenen bevonden. Het deed mij goed en als in een flits zag ik even Daniël aan het hof van Darius.
Zou dat onze toekomstige politieke taak kunnen zijn: op hogere of lagere posten een uiteindelijk aan God verantwoordelijk bestuur te voeren? En wanneer wij daar al zelf niet toe geroepen worden dan toch voor zodanige bestuurders te bidden?
Om zo op tamelijk onopvallende wijze als een soort kruipolie de samenleving te doordringen?
Volgens het woord van Christus: gij zijt het zout der aarde. Zout is minder opvaHend dan haagse bluf, maar heeft wèl zo veel uitwerking! Maar is dit wel politiek? Nou, en of! Ook in deze zin dat ik er een intense bestudering van politieke vraagstukken noodzakelijk voor vind. Men moet, om een voorbeeld te noemen, de abortus-wet goed kennen, om in de medische wereld waar deze wet werkt, z'n christelijke weg te vinden.
Mijn verhaal komt er dus zeker niet op neer dat we als christenen de politieke dimensie uit ons geloof zouden moeten laten vallen.

Maar wel vraag ik me af of onze parlementaire democratie op de duur voor ons wel zoveel perspektieven biedt. Gaat deze demokratie niet uit van een vooronderstelling die steeds meer begint te ontbreken?
Die van een verantwoordelijk burgerschap? Als vanuit de samenleving de pressie op de volksvertegenwoordiging steeds groter wordt om groepsbelangen in plaats van hel algemeen belang te behartigen; als dan verder de overlevingsideologie steeds meer vat krijgt op de geesten; als, kortom, van de politiek steeds meer een oneigenlijk en overbelast gebruik gemaakt gaat worden om onze vastgelopen samenleving te redden, dan voorzie ik in de naaste toekomst veel rumoer en paniek, maar weinig zakelijkheid.
De lezer zal weten dat ik niet de enige ben die het parlementaire bedrijf als spel en tijdverdrijf begint te voorzien. In de hoek van de PSP kun je dergelijke geluiden horen.
Maar dan stel ik wel prijs op het aangeven van een belangrijk verschil.
Degenen die zich aan de linker kant aan het parlementaire gebeuren beginnen te onttrekken, doen dat om de diktatuur van de straat voor te bereiden, Dat is mijn alternatief niet. Juist integendeel gaat mij het goed funktioneren van déze samenleving ter harte en, verre van die op anarchistische wijze op de schroothoop te gooien, gaat het mij om de broodnodige zakelijkheid in de politiek, die ik op 't ogenblik beter gegarandeerd vind door gewetensvol bestuur op hoog en laag niveau (want bestuurd zal er altijd en overal moeten worden) dan door de overvloedige veelheid van inspraak, waaronder ik dus ook reken de best georganiseerde inspraak van onze samenleving: het parlement, Maar misschien ben ik wel te somber.
Het stelt mij in ieder geval gerust dat deze regels pas in de krant komen nadat de verkiezingen gehouden zijn. Door deze omstandigheid leiden ze mogelijk een volgende periode van rustiger bezinning in. Ik feliciteer dus de broeders die in het parlement gekozen worden hartelijk en wens hun van harte Gods kracht toe voor de niet gemakkelijke taak waarvoor ze komen te staan. Maar ik kan niet verhelen dat tegenwoordig de vraag: wat of wie zal ik stemmen? bij mij overschaduwd wordt door de voorafgaande vraag: zál ik wel stemmen?
Ben ik in dezen een 'nog'-christen of een 'al'-christen? Ik denk dat ik het voor deze keer nog maar zal doen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief