De filosoof Sinuhe
1981-05-29
Op zijn buitenlandse reizen werd Sinuhe steeds getroffen door volksbedrog, toverij en zelfs zwarte magie. Het viel hem op, hoe weinig de mens bereid is zelf na te denken. AI op de medische faculteit van Thebe werd het hem zwaar aangerekend, wanneer hij geen genoegen nam met geschreven waarheden, maar steeds naar het waarom vroeg. De priesters wensten geen waarom? te horen en verwezen naar de overlevering. En het gewone, ongestudeerde volk had blindelings vertrouwen in de priesters, de goden, de farao en de dokters.- Jaargang 25
- nummer 21
Farao Achnaton was anders. Die nam niet genoegen met de overgeleverde toestanden en zocht naar waarheid en inzicht. Dat verbond Sinuhe met deze vreemde farao.
Het volksbedrog was een bron van welvaart, voor wie het hanteerden. Zo kon de slaaf tegen Sinuhe zeggen: "meester, laten we hier blijven, het zijn onwetende, lichtgelovige schepsels, die zich gemakkelijk laten bedriegen".
Zelf geloofde deze slaaf onwankelbaar in zijn geluk, dat van een gevonden scarabee mestkever afkomstig zou zijn. En soms kon Sinuhe dit spel meespelen - al hield hij afstand. Het volk geloofde algemeen in de werking van amuletten, van priesters gekocht. Het stond verslagen wanneer vijvers in bloedmeren veranderden - een truc van de priesters, die Sinuhe voor de grap aan een verre vorst verklapte. Het volksbedrog zat ook in de toespraken van generaal Horemheb, die eerlijk tegen zijn vriend Sinuhe beleed: "een generaal moet zijn woorden met zorg kiezen en vooral mooie frasen te berde brengen, die beroemde voorgangers met succes gebruikt hebben. Ze maken het volk het hoofd op hol en verblinden het, zodat ze goed kunnen vechten."
Toverij was gevaarlijker; hier werden demonen gebruikt. Bij een oproer vlogen kraaien en roofvogels over de koninklijke draagkoets. Later vlogen zwarte vogels krijsend over de verlaten tempel van Amon. En toen meer dan de helft van Thebe's inwoners gedood was vlogen de kraaien en gieren niet meer - ze bleven op de tempelpilaren zitten ..
Bij een offerritueel voor een veldtocht offerde Horemheb warme harten van slaven aan de god van de oorlog. Ze waren van Hethitische krijgsgevangenen genomen, om de Hethieten te overwinnen. Ook in Syrië werden mensenoffers aan de wrede Baäl gebracht: kinderen, krijgsgevangenen, slaven, mismaakten. Men zei: de ene demon bant de andere uit!
Het meest duivelse bedrijf, de zwarte magie, kwam Sinuhe ook tegen. De Amonspriesters lieten hem "genezingen" zien, door middel van Amon, die ze, beter dan de Baälspriesters op de Karmel, wisten op te roepen. Ze lieten ook een wassen pop zien, die met naalden doorstoken was en op farao Achnaton geleek. "Vraag ons niet hoe we aan het haar en de nagelranden van de farao zijn gekomen", zeiden ze hem - maar begrijp dat het einde van deze valse farao nadert. En omdat hun methode doelmatig maar langzaam was, vroegen ze Sinuhe om de farao een spoorloos of toe te dienen: om land en volk te sparen van verder bloedvergieten. Sinuhe nam het vergif aan - en heeft het verstrekt, toen de farao er einde!ijk om vroeg.
Wie kennis verzamelt, vermeerdert smart, besefte Sinuhe. En hij was niet gelukkig. Een "hofdame, die hem zwaar beschonken het hof maakte, bracht hem verder op het spoor van zijn afkomst. Ze vertelde ongevraagd, dat koningin Teje - die door het volk de zwarte tovenares genoemd werd een aantal zwarte tovenaars in haar kelders hield. Door toverij of ingreep had ze gezorgd, dat er aan de farao geen levende zoontjes geboren werden, voor haar eigen zoon Achnaton was geboren. Sinuhe kende dat thema en luisterde, stelde critische vragen. De ”hofdame" antwoordde, dat Teje zeker drie maal een kind in een bieren mandje had weggestuurd.
Sinuhe probeerde de waarheid te toetsen door ongeloof te veinzen: De Hofdame" zei: eenmaal heb ik zelf de biezen voor haar moeten snijden, want ze was te ver in verwachting om bij avond het nijlwater in te lopen.
Wanneer was dat? vroeg Sinuhe, - Het was bij het opkomen van de Nijl, dus in de herfst, voor farao Achnaton werd geboren. De moeder was een
prinses van Mitanni. Op dat ogenblik besefte Sinuhe dat hij dicht bij de oplossing van zijn levensvraag stond. Hijzelf was in die maand met Westenwind aangedreven op de Oostoever van de Nijl; het Gouden Paleis stond aan de Westelijke oever.
Absolute zekerheid kreeg Sinuhe pas, toen koningin-moeder Teje hem op visite riep. Ze was openhartig tegen de hofarts, wilde wel weten dat ze de zwarte tovenares genoemd werd. Beroemde zich er op, dat ze haar man, het hof en het hele volk geregeerd had - meer dan Amenhoteb had gedaan. En dat terwijl ze, als dochter van een vogelaar uit de Nijldelta, zich overeind moest houden tegen de adel en vorsten van den bloede.
Maar ze had dit met hulp van haar attracties, haar handigheid en haar zwarte tovenaars wel geklaard - al was ze niet kieskeurig geweest in haar middelen. Het was haar dan ook gelukt, geen won aan het hof geboren te laten worden, voor haar eigen zoon er was!
Sinuhe hoorde haar praat aan en lette op haar handen. De koninginmoeder was bezig een mat te vlechten uit gekleurde biezen. En plotseling herkende hij de vogelaarsknoop, die ze in haar werk gebruikt: de knoop van het biezen mandje, dat in het huis van zijn pleegouders hing, Een vogelaarsknoop uit de Nijldelta - een vrouw uit de Nijldelta. een dochter van een vogelaar. Het licht ging hem ten volle op. Deze handen hadden biezen mandjes geknoopt, hadden koningskinderen de Nijl op gestuurd, hadden ook hèm, Sinuhe, te vondeling gelegd.
Of de dokter niet moest toegeven, dat haar handigheid en magie verbluffend waren? vroeg ze hem vrolijk.
Sinuhe antwoordde: uw toverkunsten worden in biezen gevlochten, waar ieder ze in terug vindt!
Uit de ontsteltenis van Teje begreep hij, dat zijn opmerking raak was. Ze vroeg: weet het volk dit? Ben je zelf magiër? Weet je, dat ik je tong en handen kan wegnemen, zodat je je kennis nooit aan anderen kunt doorgeven?
Weet je dat ik je naar de kelders kan sturen, waar mijn tovenaars nooit iemand uit terug laten komen?
Sinuhe wist veel, zeer veel, maar gelukkig werd hij niet. Van Achnaton zei hij: "ik hield van de farao, al was hij krankzinnig - misschien wel daarom - want zijn waanzin was schoner dan de wijsheid van anderen".
Maar ook schreef hij: "niets ter wereld is zo gevaarlijk als de droombeelden van een farao".
De enige vrouw, die hij in zijn leven beminde, werd bij een revolutie voor zijn ogen gedood, haar kind het hoofd ingeslagen. Bij zijn poging haar te helpen werd hij zwaar gewond. En later vernam hij, dat haar kind zijn eigen enige kind geweest was! Toen bedacht hij, dat de dood van de farao wel erg zacht geweest was. Toch bleef hij trouw aan de verlichte ideeën van de farao. Om die reden werd hij door zijn vriend Horemheb verbannen naar de oever van de Rode Zee.
Daar sleet hij de rest van zijn dagen, door zijn levensgeschiedenis op papyrus te schrijven. In vijftien rollen, elk in manden, zilveren dozen en hardhouten kisten gevat, legde hij zijn "gedenkschriften van een geneesheer"
vast, ongeveer 1350 jaar voor Christus.
Mika Waltari's roman steunt op deze overgeleverde papyrusrollen van Sinuhe.
Wie het boek leest - waarom zoudt u niet? - beleeft de idealen van een krankzinnige farao in een corrupte wereld, krijgt een prachtig beeld van het verre verleden en een belangrijke aanvulling (zo niet verklaring) van veel Bijbelse gegevens.
Bij onze recente Egypte-reis werd een gids geïntroduceerd als een der belangrijkste Egyptologen van deze tijd. Hem vroegen we naar de waarde van het boek van Sinuhe. Zijn antwoord was: "een geromantiseerd stuk Egyptische historie, zeer belangrijk." Dat was een waardevol attest - maar we kregen meer.
Thuisgekomen en alles overdenkende, nalezende en vergelijkende, troffen we in de Willibrord-vertaling van de Bijbel - in de chronologische tabel van de oudheid - onder 11 De Patriarchen (Genesis 12-50) aan: "autobiografische vertelling van de Egyptenaar Sinuhe". *)
*) We betwijfelen of de datering (2100-1560) houdbaar is. Het boek werd geschreven tijdens Achnaton, dat is na 1400, de tijd van de Tell-Amarna-brieven. Ook was het spijkerschrift van Ugarit aan Sinuhe bekend. Daardoor komt de datum van 1350 v.C. ons meer aannemelijk voor.