Horizontaal en verticaal

2008-09-12
  • Jaargang 52
  • nummer 18
De psalmen 1 en 36 lijken hierin op elkaar dat ze opgebouwd zijn rondom een tegenstelling. In de ene psalm vinden we de horizontale tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, in de andere komen we de verticale tegenstelling tegen tussen de Here God en de mens.

Ik stel de vraag of en hoe deze twee tegenstellingen met elkaar te maken hebben. Het moeilijke woord voor tegenstelling is antithese. Dat is een zeer bekend woord uit de kerkgeschiedenis van de laatste honderd jaar.

Kuyper en Barth
Abraham Kuyper staat bekend als de man van de antithese, de tegenstelling die hij in de samenleving zag lopen tussen gelovigen en ongelovigen.
Zijn hele politieke stellingname was op die antithese gebaseerd.
Christelijke partijvorming, christelijke frontvorming was zijn ideaal en zag hij als zijn roeping.
Na hem kwam Karl Barth en die zette die horizontale tegenstelling van Kuyper verticaal overeind. Hij zag de tegenstelling niet lopen tussen mens en mens, maar tussen God daarboven en de mens op aarde. Daarmee gooide hij heel de blokkendoos van Kuyper omver. Van een politiek die op die horizontale tegenstelling gebaseerd was kon volgens hem helemaal geen sprake zijn. En die verticale tegenstelling leende zich nog minder voor politiek gebruik. Dat namelijk was een tegenstelling die alle fronten doorbrak. De volgelingen van Barth hier te lande waren dan ook de mensen van de doorbraak die niet langer lid wilden zijn van een christelijke politieke partij.
Je zou kunnen zeggen dat Kuyper het hield op Psalm 1, terwijl Barth zich meer thuis voelde bij Psalm 36. Beide psalmen staan in de bijbel. Zou dat kunnen betekenen dat zij elkaar net zo uitsluiten als sommigen vinden dat Kuyper en Barth dat deden? Of is het mogelijk dat elk van beide psalmen één kant van dezelfde zaak belicht?

Vanuit het uiteindelijke bekeken
Eerst Psalm 1. Dat deze psalm vooraan in het psalmboek staat is niet toevallig.
Psalm 1 snijdt een thema aan dat in het hele psalmboek (en in heel de Schrift) een grote rol speelt, namelijk de tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de goddelozen (zie kader).
Hier in Psalm 1 wordt van beide categorieën een typering gegeven in een thematische uitwerking, waarbij de psalm het heeft over de uiteindelijke bestemming van rechtvaardigen en goddelozen. 'Want de HERE kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen vergaat'. Dat God je weg kent wil zeggen dat Hij in zijn genade je accepteert, zodat je niet beschaamd uitkomt. In alle eeuwigheid niet. De goddeloze daarentegen bevindt zich op een doodlopende weg. Voor hem is er geen toekomst.
Denk erom, beide lotsbestemmingen kijken de eeuwigheid in (het gaat om het uiteindelijke), maar dat kleurt de gang van zaken hier beneden al. Dat wordt ons met forse uitspraken duidelijk gemaakt. De zondaars hebben in de vergadering der rechtvaardigen geen been om op te staan, zegt de psalm, terwijl van de rechtvaardigen geldt dat ze succes hebben bij alles wat ze doen. Daar zijn natuurlijk uitzonderingen op, de goddelozen kennen voorspoed en de rechtvaardigen worden beproefd, maar zoals gezegd, hier worden de levens vanuit het uiteindelijke bekeken. En dan ziet de psalm de twee wegen vanuit dit leven al in eeuwig geluk en eeuwig ongeluk uiteengaan. Daar is dit lied zeer duidelijk over.

In mijn hart
Tot zover Psalm 1. Psalm 36 lijkt wel wat op Psalm 1. Er zit ook een tweedeling in. Het eerste stuk, de verzen 2-5, gaat over de goddeloze. Wat wordt er in die verzen een diepteboring in zijn bestaan uitgevoerd!
Huiveringwekkend! 'De goddeloze heeft een orakel van rebellie diep in zijn hart' - zo staat er in vers 2. Er welt een sprake van opstandigheid uit zijn binnenste omhoog, een fontein die enkel dat vuil spuit. Ook in het vervolg van de verzen 2-5 worden dingen over de goddeloze gezegd, die zeer diep gaan.
En daartegenover wordt nu… de rechtvaardige gezet? Zoals je dat in Psalm 1 vindt? Nee, toch niet, de 36e psalm durft dat niet aan. David, die van deze psalm de dichter is, weet dat hoe dieper hij met zijn beschrijving van de goddeloze gaat, des te dichter hij in de buurt van … zichzélf komt. Al dit erge is hem, rechtvaardige die hij is, toch ook niet vreemd, het huist ook in zijn eigen hart. En daarom luidt dat tweede vers, hoe eigenaardig ook, maar toch nog letterlijker dan zoëven: 'Een orakel van rebellie heeft de goddeloze diep in MIJN hart'.

Een schrijffout?
In mijn hart? Dat levert in de psalm toch helemaal geen zin op? Ja, ik weet het, geen van de moderne vertalingen heeft het aangedurfd om de tekst zo weer te geven, ze hebben allemaal aan een schrijffout gedacht (de NBV geeft deze vertaling nog in een voetnoot, maar in de tekst zelf heeft ook zij: '…in zijn hart'). Toch staat het er werkelijk zoals de Statenvertaling het nog heeft: '…in MIJN hart'.
Bezig met de diepborende beschrijving van de goddeloze is het alsof David opeens in de spiegel kijkt. 'Hé, wat ik daar van die goddeloze zeg, dat is mijzelf niet vreemd!' En zonder zich om de zinsbouw te bekommeren schrijft hij dat dit orakel ook in zijn hart huist. De psalm die hij tot dusver gemaakt heeft nog eens overlezend (zo stel ik het mij voor) schrapt hij, zonder op het verband te letten, spontaan het woordje zijn, om dat te vervangen door mijn.

De vlucht naar omhoog
Deze zelfherkenning is de reden waarom in Psalm 36, anders dan in Psalm 1, tegenover het beeld van de goddeloze niet dat van de rechtvaardige komt te staan. Wanneer de tegenvoeter van de goddeloze, de rechtvaardige, zijn intrede zou moeten doen, vlucht David naar Boven. Zelf rechtvaardige weet hij dat de goddeloosheid ook diep in zijn eigen hart woont. En daarom: 'HERE, hemelhoog is úw goedertierenheid, úw trouw reikt tot de wolken…'.
Dat is die vlucht naar Boven.
En zo bedoel ik het als ik zeg dat de tegenstelling in Psalm 36 niet (zoals in Psalm 1) de horizontale is: die tussen mens en mens, maar de verticale: die tussen de Here God en de mens. Dé mens, hij moge een goddeloze of een rechtvaardige zijn. Want tegenover de goedheid en de trouw van de Here God valt het verschil tussen die twee weg. Het is immers alleen maar uit kracht van de goedertierenheid van God dat er mensen zijn die boven dat niveau van goddeloze slechtheid worden uitgetild. Zulke mensen hebben hun rechtvaardigheid niet van zichzelf, het is gekregen goed. En daarom wordt de horizontale tegenstelling van Psalm 1 nu recht overeind en verticaal neergezet, als de antithese tussen God en mens.

Het deel-gelijk van Kuyper en Barth
Ik denk dat het nu tijd is om de twee psalmen, Psalm 1 en Psalm 36, met elkaar in verband te brengen. Is het misschien zo dat Psalm 36 Psalm 1 vervangt? Dat kan even zo schijnen, maar het is niet zo. De bijbel gaat na Psalm 36 rustig door met het tegenover elkaar stellen van de rechtvaardigen en de goddelozen. Zelfs in de eindverzen van Psalm 36 vind je het weer terug: de oprechten van hart tegenover de bedrijvers van ongerechtigheid (vss 11-13). En geen wonder, dat front doorloopt de hele Schrift en het hele leven. Er is dan ook geen sprake van dat de Schrift gaandeweg ten opzichte van dat verschil onverschillig zou worden. Dat is het gelijk van Kuyper. Terecht had hij oog voor de diepe kloof, die dwars door de mensheid loopt. En het was niet verkeerd van hem dat hij de rechtvaardigen aan één front samen wilde brengen, tegenover de goddelozen.
Dat getuigde van geestelijk onderscheidingsvermogen. Alleen - en daar had Barth tegenover Kuyper weer gelijk in - die horizontale tegenstelling kan zo gemakkelijk een oppervlakkige tegenstelling worden.
In die zin dat de goddelozen natúúrlijk goddeloos zijn en de rechtvaardigen natúúrlijk rechtvaardig, alsof het om een soort natuurgegeven zou gaan. Dan is het geheimenis eruit weg. Want dat er rechtvaardigen zijn, dat is een geheimenis. Je kunt je er alleen maar met beving over verheugen dat je door Gods genade tot de rechtvaardigen mag behoren. En die verwondering, die is in de Kuyperiaanse gelederen gaandeweg gaan ontbreken. Ik zeg niet: bij Kuyper zelf. Zeker niet! Maar ik denk aan die na hem kwamen. Het werd bij hen allemaal zo vanzelfsprekend. En ook zo weinig bescheiden. Denk maar aan de gereformeerde arrogantie waar de Barthianen zo terecht over gevallen zijn. Ik denk daarom dat het beter ware geweest als Kuyperianen en Barthianen, de geestelijke nazaten van deze beide groten, in de achter ons liggende tijd meer naar elkaar hadden geluisterd. Ze hadden elkaar nodig. Ze hadden elkaar kunnen dienen met hun deel-gelijk.

Moslims en christenen
Het geding tussen Kuyper en Barth is nu goeddeels geschiedenis geworden.
Er is weinig actueels aan te beleven, zo lijkt het. Laten we daarom tot slot met wat we gevonden hebben even een andere richting inslaan. En letten op het verschil tussen moslims en christenen. Bij beiden leeft het besef dat gelovigen en ongelovigen niet op één noemer te brengen zijn. Er loopt volgens allebei een kloof tussen geloof en ongeloof. Bij alle verschil tussen die twee geloven is dit een overeenkomst. Maar als ik het goed zie dan blijven de moslims in de horizontale tegenstelling hangen. Zij maken de verticale verdieping niet mee. En dat maakt dat christenen de kloof met de wereld toch anders beleven dan moslims. Dat er bij christenen, meer dan bij moslims, het besef is dat het verschil tussen de twee fronten als we tegenover de Here God staan wat verbleekt. Omdat wij, gelovigen, zijn die we zijn: tot alle kwaad geneigde mensen. En dat wij daarom meer in staat zijn (en denk erom, ik heb het nu over de mogelijkheden van ons geloof, niet eens over de werkelijkheid van wat wij ervan maken!) naast de ongelovigen te gaan staan en minder de neiging vertonen die te vuur en te zwaard te bestrijden. Wat de ongelovigen bezielt, dat kennen wij zelf van binnenuit. Dat moet niet tot onzekerheid leiden, dat is wel het laatste dat ik bedoel.
Bescheidenheid, verwondering, dat zijn de dingen die ik op het oog heb.
Daarom ben ik zo blij dat die twee psalmen, Psalm 1 en Psalm 36, allebei in de bijbel staan. We hebben ze allebei nodig. Psalm 1 om de werkelijkheid onder ogen te zien dat er een front door het leven loopt. En dat het de Here God volstrekt niet onverschillig laat hoe wij leven. En Psalm 36 om van tijd tot tijd dat verschil vanuit de verhouding met de Here God te relativeren, in het besef dat we tegenover Hem allebei de norm niet halen. Dat kan tot nederigheid leiden, tot het afleggen van elke vorm van arrogantie.

Drs. Henk de Jong is emeritus-predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Zeist en oud-studiebegeleider van de TSB.

Rechtvaardige en goddeloze
De rechtvaardige is de mens die zijn welgevallen heeft in de wet des Heren en die daar altijd mee bezig is. Hij houdt van de bijbel, mag je omschrijven, want bij het woord wet is het niet nodig enkel aan voorschriften te denken. Het hele onderwijs dat de Here God in het verbond geeft is ermee bedoeld, de hele thora. De bedoeling is natuurlijk dat dit intens zich-bezig-houden-met tot daden zal leiden.
Goddeloze wil in de bijbel niet zeggen: godloos of religieloos, maar het gaat dan over een mens die het verbond dat God met ons mensen heeft willen sluiten aan z'n laars lapt. God kennen en Hem dan, al of niet venijnig, verwerpen en voor het vaderland weg leven, dat is de goddeloze. Van de goddeloze wordt gezegd dat hij een spottende zondaar is. Ik zou zeggen: daar hoef je vandaag de tv maar voor open te zetten en je weet hoe waar dit is. De spot met alles wat heilig is golft je tegemoet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief