Komt, verwondert u hier, mensen

2011-12-23
  • Jaargang 55
  • nummer 25
Gezang 139 is een van mijn favoriete kerstliederen. Ik houd van de melodie, en ik ben onder de indruk van de diepzinnige tekst. Die brengt ontroerend het geheim tot uitdrukking dat besloten ligt in de beroemde zin uit Johannes 1:14: ‘Het Woord is mens geworden.’

Gezang 139 is onmiskenbaar een Kerstlied. De aandacht is gericht op het kind Jezus: Ziet, hoe men hem in doeken bindt.
(couplet 2) De verwijzing naar Lucas 2:7 is duidelijk.
Maar wat gaat het lied verrassend verder: Ziet, hoe men hem in doeken bindt die met zijne godheid wandelt op de vleugels van de wind.
Dat kind Jezus is dezelfde als de machtige HEER, die volgens Psalm 18:11 de cherub besteeg en vloog, zwevend op de vleugels van de wind.
Het is niet te bevatten: in een kermende baby die een luier om krijgt zou de Schepper van hemel en aarde aanwezig zijn. Want dat is toch de suggestie van dit kerstlied: Ziet, hoe tere is de Here,die ’t al draagt in zijne hand (slot tweede couplet) De tekst is onmiskenbaar Bijbels. Er laat zich een onmiddellijke link leggen naar Johannes 1:14. Van het Woord dat mens is geworden wordt immers eerder gezegd: Alles is erdoor ontstaan (vers 3) Maar wat moeten we hiermee? Wat betekent het voor ons geloof, dat in Jezus het Woord dat God is, mens is geworden?
Is dit Kerstlied een stukje ingewikkelde dogmatiek op rijm, of helpt het daadwerkelijk om gegrepen te worden en te blijven door de persoon van Jezus?

Ziet hoe dat u God bemint
Op dat laatste houd ik het. Want neem nu eens de openingsregels van het lied: Komt, verwondert u hier, mensen, ziet, hoe dat u God bemint.
Zien hoe dat God van je houdt: wie wil dat niet? De vraag is hoe en waar je dat kunt zien. Het antwoord luidt, dat je daarvoor bij Jezus moet zijn: ziet, hoe dat u God bemint, ziet dit nieuwgeboren kind.
Op zichzelf was er aan de pasgeboren Jezus niet veel te zien, niet meer dan aan andere baby’s. De belofte van God dat Hij door dit kind verlossing zal brengen – die maakt het zien ervan tot een belevenis (Lucas 2:17). Sterker nog: wij, die bekend zijn met de verhalen over leven en werken van de volwassen Jezus, kijken van daaruit aandachtig terug naar zijn prille begin. Toen was er nog niets aan te zien, maar wij weten inmiddels wat voor bijzonders daar in de kribbe lag! Deze geboorte luidde een mensenleven in waarin de liefde van God overstelpend aanwezig is.
‘God is een gloeiende bakoven van liefde,’ heeft Luther gezegd. Waar haalt hij het vandaan? Niet uit de loop van de wereldgeschiedenis. Die is grillig, soms het toneel van liefde, vaker van menselijke en demonische wreedheid.
God: een gloeiende bakoven van liefde? Die uitspraak laat zich alleen maar staven aan de levensloop van Jezus. Kijk naar Jezus en je weet dat God je bemint, en hoe die liefde inhoud krijgt. Paulus zegt het van zijn sterven: God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is. (Romeinen 5:8)

De evangelisten zeggen het van de daden die Hij bij zijn leven verrichtte.
Kijk Hem ingrijpen bij het bed van Jaïrus’ oogappel, uitgelachen door de omstanders, Marcus 5:40. Zie Hem de irritatie van de Schriftgeleerden trotseren, in zijn vastbesloten keus om er te zijn voor zondaars en tollenaars, Matteüs 9:10,11. Kijk, hoe Hij een bezetene zijn menselijke waardigheid teruggeeft, met als gevolg dat hij niet langer welkom is bij diens volksgenoten, Lucas 8:35. Steeds wordt duidelijk dat het Jezus wat kost om mensen zo lief te hebben. Ons Kerstlied zegt, dat als je Jezus zo bezig ziet, je de manier ziet waarop God liefheeft. Ook God betaalt een prijs voor zijn mensenliefde. Want God is in geen enkel opzicht anders dan Jezus. Jezus definieert Gods liefde als het ware, zodat wij pas weten wat de liefde van God inhoudt wanneer wij op Hem letten. Hoe dat kan? Doordat Hij het Woord is, Gods enige Zoon, Johannes 1:18.

Teer
Je zou het voorgaande kunnen samenvatten door de regel van Johannes 1:14 uit te spreken met de nadruk op het woord ‘God’: het Woord van God is mens geworden. Maar je kunt de nadruk ook leggen op het woord ‘mens’: het Woord van God is mens geworden.
Dan beklemtoon je dat Jezus, hoezeer God zich ook in Hem manifesteert, toch nooit boven de breekbaarheid van een mensenkind is uitgekomen. Zo spreekt dit Kerstlied óók over Jezus.
Zeker, het heeft als inzet dat de liefhebbende Schepper van hemel en aarde in Hem tegenwoordig is. Maar tegelijk gebruikt het heel wat woorden om aan te duiden dat Jezus daarmee bij lange na geen supermens was. Hij is een mens zonder pracht geweest, en Hij heeft zijn gebreken gekend (eerste couplet). Gebreken?
Ja: misschien was Hij enigszins bijziend, of ontbrak het Hem aan een zekere handigheid in de timmermanswerkplaats.
Het gezang gaat verder: reeds aan het begin van zijn leven heeft Hij geleden (tweede couplet). Maar ook aan het einde van zijn leven stond Hij aan menselijk lijden bloot. Hij kon met gemak ingerekend worden: geboeid werd Hij afgevoerd. Hij is een mens in nood geweest, die als alle mensen de eenzame weg van het sterven moest gaan (derde couplet). Het Woord van God is niet tegenwoordig geweest in een mens die met kop en schouder boven alle andere mensen uitstak en om zo te zeggen de hemel al bijna kon aanraken. Integendeel. Het Woord van God is een mens geworden die laag op de maatschappelijke ladder stond. ‘Hij die de gestalte van God had, nam de gestalte van een slaaf aan.’ (Filippenzen 2:6) Dit alles wordt in gezang 139 samengevat in het woord ‘teer’: Ziet, hoe tere is de Here (tweede couplet).

Het is niet toevallig dat dit in een lied staat dat de geboorte van Jezus bezingt.
Immers, nooit zie je zo goed hoe teer een mens is, als in de eerste uren van zijn leven. Maar in het evangelieverhaal wordt niet onder stoelen of banken gestoken dat Jezus, net als wij allemaal, ook in zijn volwassenheid die kwetsbaarheid behouden heeft. Zorgvuldig wijzen de evangelisten de momenten aan waarop Hij als volwassen man de menselijke breekbaarheid uitstraalde. Ik noem drie voorbeelden. De duivel verzoekt Hem als hij te kampen heeft met een van de sterkste menselijke behoeften die er is: honger (Matteüs 4:2) Johannes verhaalt dat Hij in huilen uitbarst als Hij met Maria het verdriet over haar overleden broer deelt (11:33-
35). Marcus beschrijft hem in de hof van Getsemane: onrustig, angstig, dodelijk bedroefd (14:33,34). Zijn hele leven lang, en misschien wel het allersterkst in zijn laatste uren, is het blijven gelden: het Woord van God is een teer en breekbaar mens geworden.

Verwarrend
Intussen gebruikt Gezang 139 wel een van Jezus’ eretitels als het daarop wijst: Ziet, hoe tere is de Here.
Het eindigt in het derde couplet ook met een reeks beden waarin dat Heerzijn van Jezus serieus wordt genomen:

Sterk mij!
Maak mij groot!
Maak mij vrij!
Maak mij rijk!
Maak mij blij!
Maak mij levend!

Want deze dingen vragen aan iemand – dat heeft toch alleen zin als die iemand het voor het zeggen heeft? Daarmee klinkt weer door wat hierboven naar voren kwam: het is echt God de Heer die in Jezus tegenwoordig is! Maar vreemd: dat wordt nu verbonden met de menselijkheid van Jezus. De Heer waarop wij ons vertrouwen stellen is een breekbaar schepsel. Die beden van het derde couplet brengen dat met de meest krasse tegenstellingen onder woorden: Sterk mij door uw tere handen, maak mij door uw kleinheid groot, maak mij vrij door uwe banden, maak mij rijk door uwe nood, maak mij blijde door uw lijden, maak mij levend door uw dood.

Wat verwarrend is dit. Hoe kunnen tere handen nu sterken? Hoe kan iemands dood mij levend maken? Hoe kan een Heer zo gering zijn? Hoe kan God zo menselijk zijn?

Waar God zich vinden laat
Dit is niet alleen verwarrend. Het kan ook irritatie en ongeloof oproepen. Wat is dat nou: een Verlosser die zelf doodsbang loopt te zijn?! Het spreekt echt niet vanzelf dat je je aan Jezus gewonnen geeft. Biedt een God die aan alle menselijkheid ontheven is niet veel betere garanties voor verlossing? Werkelijk: een God die zich laat vinden in een breekbaar mens zouden wij niet bedenken.
Met ons eigen Godsbeeld komen wij in het christelijk geloof niet meer uit. De aanwijzing van Jezus als het mens geworden Woord van God dwingt ons God in een andere richting te zoeken dan wij gewend zijn. Jezus toont ons dat God veel meer verbonden is met het kleine en geringe dan wij ons hadden voorgesteld. In geen tempel voelt de Allerhoogste zich zo thuis als in die eenvoudige, Godvrezende timmermanszoon.
Als wij God zoeken tussen de presidenten en de miljardairs vinden wij Hem niet. God is uitsluitend daar waar Jezus is. Alleen als wij Jezus volgen in zijn aantrekken op de onbeduidendste en beklagenswaardigste en afzichtelijkste mensen die er zijn, naderen wij tot God. God blijkt een God te zijn die omwille van zijn liefde tere handen heeft, en tot lijden bereid is. ‘God is nederig,’ zegt Augustinus. ‘Nu wij nog.’

Troost
Het heeft iets van een avontuur om op deze wijze in God te geloven. Het brengt ook troost met zich mee. Want als het waar is dat God zich slechts daar laat vinden waar zijn nederige en zachtmoedige zoon Jezus is, dan hoeven wij niet meer te vertwijfelen als deze wereld zo weinig van zijn pracht en praal laat zien. Dan hoeven wij ook niet meer wanhopig te worden als wij staren naar die tallozen die lijden in deze wereld. Dan mogen wij verwachten dat juist in de afschrikwekkende diepten van deze wereld God aanwezig is. Dan is de geteisterde schepping minder God-loos dan wij dachten. Want in het middelpunt van al die massa’s noodlijdende mensen treffen wij altijd weer Jezus aan. Hij zocht ze immers niet alleen op – Hij trok ze ook aan. En wonderlijk: Hij betoonde zich dáár, te midden van al die door ziekte en zonde en dood en duivel gekwelde mensenkinderen, de Verlosser. Zijn tere handen maken werkelijk sterk. Zijn lijden verblijdt. Zijn banden maken vrij. Zijn dood maakt levend. Wis en zeker vinden wij onze sterke, reddende God, wanneer wij Hem zoeken waar Jezus is.
Komt, verwondert u hier, mensen.

Hier, waar het Woord mens geworden is.

Dr. Ad van der Dussen is kerndocent bij de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding en predikant van de NGK Eindhoven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief