Wat beweegt de leerkracht?
2008-09-12
Wat was meer vormend voor mijn ontwikkeling: de lesstof of de persoon van de leraar? Dat is een vraag die veel mensen zichzelf stellen als ze terugdenken aan vroegere leerkrachten. Meestal geven ze als antwoord dat het vooral de persoon van de docent was.- Jaargang 52
- nummer 18
Parafraserend kun je stellen dat het niet de vraag wát de docent was, maar wie de docent was. Maar als het om de persoon gaat, wat maakt dan die persoon zo inspirerend? Als je die vraag wilt beantwoorden kom je in aanraking met het onderwerp spiritualiteit, en nog specifieker: de rol van het geloof. De herinnering aan een leraar die jou op een bijzondere manier 'raakte'.
We ervaren dat het dus zo kan 'werken'. Maar kun je het ook meten?
Dat is de taak van een wetenschapper.
Maar is dat niet een onmogelijke opdracht? Hoe kun je aan zo'n thema nu wetenschappelijk handen en voeten geven? Kun je spiritualiteit eigenlijk wel meten?
Wetenschappelijk onderzoek
Bram de Muynck, lector onderwijs aan de Driestar Educatief, ging aan de slag.
Hij wilde weten 'wat' leerkrachten zélf 'beweegt'. Het onderzoek gaat dus niet over de ervaringen van leerlingen.
Op 10 april van dit jaar promoveerde hij aan de Vrije Universiteit op een onderzoek naar de spiritualiteit van leraren in het gereformeerd en reformatorisch onderwijs. Het lijvige onderzoek (bijna 500 bladzijden) bevat een theoretisch deel en een onderzoeksdeel.
De Muynck heeft veel aan literatuurstudie gedaan. Daarnaast werden de gegevens getoetst in de praktijk. Voor dat deel van de studie heeft hij onderzoek gedaan onder leerkrachten van een zestal scholen: drie Vrijgemaakt-Gereformeerde basisscholen en drie scholen vanuit een (bevindelijk) reformatorische achtergrond.
Wat is spiritualiteit?
De eerste vraag is natuurlijk: wat is nu eigenlijk spiritualiteit? De Muynck hanteert een werkdefinitie: 'de wijze waarop men - zich oriënterend aan bronnen - ervaringen van inspiratie en/of transcendentie meer of minder methodisch in verband brengt met het concrete leven'.
Het gaat daarbij in de eerste plaats om transcendentie: 'er is meer dan alleen de wereld die wij zien'. In de tweede plaats gaat het om inspiratie: er is iets in mijn werk dat mij 'beweegt'. In de derde plaats gaat het om een zoekproces: hoe werkt dat besef nu door in mijn handelen? Als ik een christendocent ben, hoe geef ik aan dat christen-
zijn in de praktijk voor de klas vorm?
Refo en GKv
De Muynck heeft onderzoek gedaan op reformatorische scholen en vrijgemaakt-
Gereformeerde scholen. Alleen al de verschillen tussen die beide scholen zouden een artikel waard zijn. In het Nederlands Dagblad (22 maart 2008) werd de Muynck dan ook mede naar aanleiding van deze bevindingen bevraagd. Daarbij valt o.a. op dat Gereformeerd-vrijgemaakte leraren -in de lijn van K. Schilder- meer gewend zijn om het geloof te integreren in het dagelijks leven: Christus is Heer over de héle Schepping, dus ook over alle vakken.
De Muynck merkt ook de geloofszekerheid van de leerkrachten aan deze scholen op. Bij de reformatorische (bevindelijke) scholen wordt door docenten niet gemakkelijk gezegd dat ze een kind van God zijn. De authenticiteit zit vooral in de vroomheid, zoals bijvoorbeeld de verstilling van de klas tijdens het Bijbelverhaal.
De Muynck vindt het jammer dat de beide loten van het christelijk onderwijs niet vaker met elkaar in gesprek gaan over de dagelijkse praktijk van het onderwijs, zoals over de vraag: 'hoe vertel je nu een verhaal uit de Bijbel aan kinderen in groep 4?' Wat betreft hun houding blijken er ook verschillen te zijn tussen leerkrachten van de reformatorische scholen en van vrijgemaakt-Gereformeerde scholen.
De laatsten zijn meer gericht op het doen en ze laten een kritischer houding zien. Voor alle scholen geldt wel dat er bij de leerkrachten sprake is van een grote mate van verbondenheid met de eigen geloofsachtergrond.
Drie basisvragen
De Muynck heeft leerkrachten van de zes basisscholen bevraagd aan de hand van drie kernvragen: 1) Waardoor word je in je werk geïnspireerd?, 2) Waarom heb je ervoor gekozen om leraar te worden? En 3) Hoe komt je inspiratie tot uiting in je professionele handelen?
Daarnaast heeft hij in de klassen geobserveerd.
Vervolgens stelde hij vragen aan de leerkrachten over het 'waarom' van hun handelen.
Leraar met een doel
Als het gaat om de manier waarop de leerkrachten naar hun werk en de kinderen kijken blijkt dat ze diep doordrongen zijn van de aard van de pedagogische relatie die ze tot de kinderen hebben. Leraar en leerling staan op dezelfde manier tegenover God, beiden zijn onderworpen aan het gezag van God. Leraar én kind moeten rekenen met hun eigen zondige en kwetsbare positie ten opzichte van God. Het diepe besef dat je niet los van God kunt handelen naar de kinderen toe is een centraal kenmerk in het denken van de leraren.
Zes motieven komen duidelijk naar voren: a) geborgenheid bieden, b) zorg bieden, c) God (leren) kennen, d) godsbesef bijbrengen, e) nieuwsgierigheid wekken, f) willen toerusten.
Leerkrachten ervaren ook druk, omdat ze zich zorgen maken over de toekomst van de kinderen in een geseculariseerde samenleving. Dat maakt de drang des te sterker om hen iets mee te willen geven.
Bronnen van inspiratie
Wat hebben leraren zélf ervaren als vormend voor hun eigen ontwikkeling?
Jeugdervaringen blijken van blijvende en inspirerende invloed te zijn geweest op de beroepsuitoefening. Ook de contacten met studiegenoten waren vormend.
Opmerkelijk is dat bijzondere ervaringen zoals een stage in het speciaal onderwijs of in het buitenland als zeer leerzaam werden ervaren. Deze invloeden worden als belangrijker omschreven dan de opleiding die werd gevolgd.
Ook hier blijkt weer dat de invloed van de opleiding als zodanig beperkt is. Er zijn andere factoren die minstens evenzeer op de vorming van leerkrachten van invloed zijn geweest tijdens hun studietijd.
De praktijk
Ooit vroeg ik (H.A.) aan een directeur van een basisschool waaruit het christelijke karakter van de school bleek. Zijn antwoord was: 'We bidden en we vertellen uit de Bijbel'. Hij had er niets van begrepen. Christelijk onderwijs omvat veel meer dan de bekende rituelen. Je kunt niet zonder zingen, bidden en Bijbelvertelling. Maar er is méér. De manier waarop er met de kinderen gesproken wordt, de wijze waarop de leerkracht de kinderen 'bekijkt', de creativiteit waarin men situaties hanteert.
Daarbij is het o.a. nodig dat leerkrachten emoties durven tonen, waardering kunnen uitspreken en een passie hebben voor de lesstof. Wat de conditie van de school betreft is een open cultuur noodzakelijk, waarbij o.a. nadrukkelijk de pedagogische en sociale betrokkenheid van de directeur als steunbiedende factor wordt benoemd.
Tenslotte
Wie met mensen werkt moet zelf 'regelmatig' opgeladen worden.
Daarom is het belangrijk dat leerkrachten daarvoor de ruimte krijgen en in goede condities kunnen werken.
Daarin verschillen ze overigens niet van andere mensen die met mensen werken.
Denk bijvoorbeeld aan de gezondheidszorg en het werk in de kerk. Wat 'beweegt' déze mensen? Waar putten ze hun energie uit? Het zou een vervolgonderzoek waard kunnen zijn.
Daarnaast ben ik meer dan ooit nieuwsgierig naar de vraag: hoe ervaren leerlingen nu hun leraar? Wat maakt een leerkracht tot een 'levend voorbeeld'?
Naar aanleiding van: Bram de Muynck, Een goddelijk beroep, spiritualiteit in de beroepspraktijk van leraren in het basisonderwijs. Dissertatie pedagogische wetenschappen Vrije Universiteit Amsterdam. Als handelseditie verschenen bij uitgeverij Groen in Heerenveen (€ 29,95).
Henk Algra is orthopedagoog. Hij is lid van de CGK/NGK gemeente van Alkmaar.