Het leven der gemeente (2 - slot)
1980-06-27
We willen tot slot met name drie faktoren noemen, die van groot gewicht zijn in de beoefening van de gemeenschap der heiligen. Deze gemeenschap betekent in de eerste plaats deel hebben aan de sancta - de heilige dingen (de rechte prediking en sakramentsbediening) en dan ook deel hebben aan de sancti - de heilige mensen. (M. P. van Dijk).- Jaargang 24
- nummer 26
DRIE FAKTOREN
A. De faktor van de voorbede voor elkaar
Die voorbede wordt niet alleen aangetroffen in het leven van de voorgangers, maar ook in dat van de gemeenteleden. Zij bidden voor elkaar. (Zie b.v. Efeziërs 6: 19.) Ook de gemeenteleden onderling hebben elkaar te gedenken in de gebeden. Je brengt niet de beste wensen voor de ander aan God over, maar brengt de ander zelf naar Christus toe!
De voorbede mag 's zondags niet ontbreken, maar ook in het tafelgebed en in het morgen- en avondgebed van ouders en kinderen dient zij een vast bestanddeel te vormen. Dat verlost tegelijkertijd van allerlei uitstulpingen van bot egoïsme zoals het een mensenleven van nature verwoest.
Je bent meer met de ander dan met jezelf bezig.
Dat is naastenliefde in optima forma. Die voorbede dient uiteraard konkreet te zijn. We moeten maar eens wat minder met elkaar en wat meer met God over anderen praten. Dat geldt zowel chronisch zieken als bejaarden, ouders en kinderen, overheden en andere hooggeplaatsten, zendelingen en evangelisten alsook hen, voor wie niemand meer bidt. Aan deze aktiviteit kan ieder in de gemeente deelnemen ook ais hij of zij meent volledig uitgeschakeld te zijn en klaagt over een ontstellend gebrek aan kommunikatie. "Het gebed van een rechtvaardige vermag veel doordat er 'kracht aan verkend wordt" (Jacobus 5 : 16b). Dat betekent: doordat het met energie geladen is. Het geloof van de bidder geeft kracht aan het gebed. Iemand, die in Christus in de rechte verhouding tot God staat, mag in de weg van zijn gebed ook waar het de voorbede voor de ander geldt, veel verwachten. En die regel is niet getermineerd. "Voor de ander bidden betekent niets anders dan de broeder voor God brengen, hem zien onder het kruis van Jezus als de arme mens en zondaar, die genade nodig heeft. Dan valt alles weg wat mij van hem afstoot en dan zie ik hem in al 'Zijn gebrek en nood. Zijn nood en zonde komen zo groot voor mij te staan en benauwen me zozeer alsof ze de mijne waren, en nu kan ik niets anders meer doen dan bidden: Heer, handel Gij zèlf, Gij alleen met hem, in Uw ernst en in Uw goedheid. Voor de ander bidden wil zeggen: aan de broeder hetzelfde recht toekennen, dat wij ook ontvangen hebben, namelijk om voor Christus te staan en deel te hebben aan Zijn barmhartigheid." (Dietrich Bonhoeffer). "Calvijn is van dit bidden voor elkaar een groots voorbeeld. Hij beëindigt om zo te zeggen geen enkele brief zonder te verzekeren, dat hij voor hen aan wie hij schrijft bidden zal. Calvijn acht het zijn plicht alle noden, die hij voor ogen zag, in zijn voorbede op te nemen, bewogen als hij was door liefde en medelijden.
Hij bidt voor vervolgden, gevangenen om het geloof; voor medestrijders en -lijders in het evangelie en vele anderen." (T. Brienen).
B. De faktor van het luisteren naar elkaar
Luisteren is moeilijker dan praten. Praten zonder echt naar de ander te willen luisteren ontaardt in kletsen. De ander in de gemeente vraagt van ons een open hart, maar zo ook een open oor. Hij moet zichzelf aan ons kwijt kunnen al is het soms alleen maar, dat wij voor hem als praatpaal dienen.
Daarbij komt, dat twee meer weten dan één. Wij moeten niet doen alsof wij de wijsheid in pacht hebben. Ook anderen hebben de Heilige Geest ontvangen en de kerk is niet bij ons begonnen. Het is juist zo fijn om niet alleen 'n ander een goede raad te mogen geven, maar ook van de ander 'n waardevol advies te mogen ontvangen. Bovenal mogen wij dankbaar gebruik maken van de wijsheid, die de HERE anderen geschonken heeft.
Wijsheid is uiteraard nog iets anders dan kennis. Hier komen wij in aanraking met het generatieverschil. Als de jongeren willen luisteren naar de ouderen, die ervaring hebben, al hebben zij misschien op bepaald terrein minder kennis, kunnen zij hun winst doen met wat de ouderen zeggen.
Omgekeerd dienen de ouderen niet in star konservatisme de verleden tijd op te hemelen, maar moeten zij openstaan voor de inbreng der jongeren en zullen zij begrip hebben voor hun motivatie. Zo groeit een generatieverschil niet uit tot een generatiekloof! "Als wij zoeken naar wat wij "vinden"
is dat alleen maar goed als we luisteren naar wat de ander "vindt".
Het is goed als wij zoeken naar wat Christus vindt en voor ons allen gevonden heeft. Wat vindt Christus ervan. Daarna komt: wat vinden wij er van? De sancta gaan vooraf aan de sancti. Dat is de nieuwe wereld van Christus: één lichaam en geen "geheel" van oren en ogen of allemaal ogen of oren. Een gebouwen geen losse hoop stenen" (M. P. van Dijk).
Wij hebben elkaar te dienen met het inzicht, dat de Heilige Geest ons in de Schriften geeft. Zo heerst er eenheid in verscheidenheid. Die verscheidenheid kan een gezonde spanning doen ontstaan. Maar spanning is heel wat anders dan polarisatie. (M. P. van Dijk). Spanningaksentueert, dat je bij elkaar hoort en op elkaar aangewezen bent. Polarisatie houdt in, dat je in principe bezig bent afscheid van elkaar te nemen. Schandelijke partijzucht verwoest het kerkelijk leven. (Zie 1 Cor. 1 : 10 e.v.) Men bestond het in de Corinthische gemeente van destijds zelfs om Christus te degraderen tot Partijhoofd. Maar de partijzucht wordt verslonden en de polarisatie overwonnen waar men het woord van Paulus tot zich laat doordringen en serieus in praktijk brengt zoals hij het heeft geadresseerd in eerste instantie aan de gemeente van Rome: "Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods." (Romeinen 15 : 7). Uiteraard mogen wij niet het oor lenen aan valse leer en aan de dwaling der zedelozen. Daarvoor moeten wij op onze hoede zijn.
Anders verliest men zijn eigen standvastigheid en wordt er niet meer gevonden de gestadige groei in de kennis en genade van onze Here Jezus Christus. (Zie het slot van 11 Petrus 3.) S. G. de Graaf heeft het eens zo geformuleerd: " "Van nature" leven wij bij deze volgorde: ik-de gemeenschap-God; wij moeten een totalen omkeer beleven, zodat de volgorde wordt: God-gemeenschap-ik." Zo alleen worden subjektivisme en individualisme bestreden en overwonnen. S. G. de Graaf brengt één en ander als volgt onder woorden: "De cardinale fout is, dat men van zichzelf blijft uitgaan. Wil men nu van zichzelf komen tot God, van het subject tot God, dan noemen wij die fout het subjectivisme. Wil men komen van zichzelf tot de gemeenschap, dus van de enkeling tot de gemeenschap, dan noemen wij die fout het individualisme. Maar die beide fouten hebben denzelfden wortel: men blijft in zichzelf het uitgangspunt zien."
C. De faktorvan het helpen van elkaar
Het onderlinge dienstbetoon is het levensklimaat van de kerk. De prediking en elke andere vorm van het pastoraat beoogt het toerusten van de heiligen tot dienstbetoon, de opbouw van het lichaam van Christus.
Wij mogen ook onze stoffelijke goederen besteden ten dienste van de anderen. Wij zijn slechts rentmeesters van gegeven goed. Alles wat wij bezitten hebben wij van God ontvangen. Wij kunnen er dus niet mee doen wat wij Willen. Het staat allemaal onder Gods supervisie. Eens vraagt Hij rekenschap. Het gaat erom of wij in al die dingen de Christus hebben gezocht. (Zie Mattheüs 25 : 31-46.) Als David naar aanleiding van een fantastisch millioenenoffer, dat het volk van het Verbond in zijn dagen voor de tempel bij elkaar gebracht heeft, de HERE dankt, gaat Hij zijn God prijzen (Zie 1 Kronieken 29: 10 e.v.). Daarin komt ook deze belijdenis voor: "Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken? Want het komt alles van U, en wij geven het U uit Uw hand!" C. Veenhof gebruikt in dit kader het volgende beeld: "Ons "geven" aan Christus voor zijn rijk en kerk lijkt heel veel op, ja, is in wezen gelijk aan dat wat kinderen doen als vader of moeder jarig is. Ze komen dan met hun cadeautjes aandragen. En ze hebben dat "zelf" en van hun "eigen" centjes gekocht. Ja - maar kwam niet alles wat die kinderen hadden en gaven rechtstreeks van hun ouders?
Wat en is dat in feite niet van die alleen? Wat die kinderen doen is in werkelijkheid niet meer dan het nemen van iets uit de hand van vader om dat daarna ook weer in diezelfde hand neer te leggen". Wij worden in de kerk totaal opgeëist. Dat ontdekken we met name in Handelingen 2 : 43-47. De goederengemeenschap in de eerste christelijke gemeente had niets te maken met een kommunistisch gelijkheidsideaal. "In de greep van de communistische ideologie roepen de mensen: al het uw is het mijne.
In de eerste christelijke kerk beleefde men het: al het mijne is het uwe". (C. Veenhof). Het diakonaat heeft bij en in dit alles een stimulerende en begeleidende funktie, maar verricht geen plaatsvervangende taak!
Waar allen allen dienen met alles wat zij bezitten wordt het leven uit de Geest transparant voor de wereld. Daar voert de blijdschap de boventoon en heerst de eenvoud van het hart. Het elkaar dienen door de liefde is een levensvoorwaarde voor de kerk van Christus. Men aanvaardt dan een bepaalde verantwoordelijkheid voor elkaar en bant de Kaïnsgeest in de trant van: "Ben ik mijns broeders hoeder?" radikaal uit. Het helpen van elkaar bestaat niet zonder meer in grote dingen. Het zijn vaak de kleine dingen, die het doen. Het serieus informeren naar elkaars gezondheid kan al verkwikkend werken. De kerk komt in beweging - als het goed is wanneer een hulpbehoevend gemeentelid, die regelmatig naar het ziekenhuis moet voor bezoek of onderzoek, geen vervoer heeft. Dan wordt er een autodienst georganiseerd. Zo zouden er nog veel dingen te noemen zijn. De kerk trekt niet met vliegende vaandels en slaande trom door deze wereld. Nee, haar emblemen zijn de schenkkan en de handdoek! (Zie Johannes 13 : 1-17.).
Geciteerde litteratuur
1. Dietrich Bonhoeffer: "Leven met elkander" - tweede druk - 's-Gravenhage 1978.
2. Dr T. Brienen: "Onderlinge dienst" - Utrecht 1969.
3. Ds M. P. van Dijk: "Onze enige troost en het komende Rijk" - Amsterdam 1980.
4. Ds S. G. de Graaf: "Het Woord Gods en de Kerk" - Zutphen 1935.
5. Ds H. J. Hegger: "Het leven der eerste gemeente", artikel in "In de rechte straat"
- april 1980, 23e jrg., nr. 4.
6. Dr J. M. van Minnen: "Pinksteren" in: "Feesten, die doorgaan" - zj. - Uitgever onbekend.
7. Prof. C Veen hof: "Geestelijke armenzorg" in: "Om wèl te doen" - 1952 - Uitgever onbekend.