Brief

1980-06-27
  • Jaargang 24
  • nummer 26

Brief,

aan ds. Geert Boogaard, naar aanleiding van zijn pas verschenen bundel gedichten "Mijn eiken kansel"

Geachte ds. Boogaard,

Het lezen en herlezen van uw gedichten schept zo'n band, dat ik het waag u eens te schrijven. De achtste bundel, onlangs verschenen bij Callenbach, is daarvoor een directe aanleiding.
Uw eerste bundel "Tijd en teken" heeft u indertijd (ca. 10 jaar geleden) opgedragen aan uw gemeente en zij is toen voorzien van een "Woord vooraf" van ds. J. J. Buskus.
Deze wenste, dat u "velen (zou) onderrichten in de dienst van God, opdat er toename zij van inzicht en kennis en bovenal van de verborgenheid van de omgang".
Zijn wens gaat telkens opnieuw, bij elke bundel die uitkomt, in vervulling.
U hebt een plaats gekregen in een heel grote gemeente, getuige ook de regelmatige herdrukken van vorig werk.
U blijft (gelukkig) in vorm en stijl uzelf. Toch lijkt het mij, dat u zich in "En toch. . ." en "Er is een Woord" op indringender wijze hebt geuit dan in het daarna verschenen werk. Het viel mij op, dat in- dit nieuwe boekje verschillende gedichten zeggingskracht missen. Het lezen ervan geeft enig genoegen, maar het doet je verder niet veel.
Je neemt er kennis van meer niet.
Ze zijn wat vlak, ze beroeren je niet. En dat is jammer, want u wilt toch mensen (de gemeente) áánspreken.
Hoe zou dat komen? 't Is toch niet zo, dat u onder drang van de uitgever werkt, die graag ziet dat er jaarlijks een bundel op de markt kan komen en u daardoor minder selectief doet worden?
In deze nieuwe bundel presenteert u zich duidelijk als de prediker, die de gemeente onder uw eiken kansel ontmoet. Een mooie oude kerk, groot, misschien niet altijd goed bezet. En wat hebt u die gemeente veel te zeggen. Wat doet u het ook graag. U wilt haar de verwondering over Gods grote goedheid telkens weer doen zien in "een feest van tekst en uitleg" (19). In de traditie van het samenkomen van de gemeente is zo duidelijk onze God, "die ons niet zal vergeten" (29) bezig.
Wat mij bijzonder trof is dat u, die gemeente kennende en vóór u ziende, ditmaal haar gebreken en ellendigheid zo breed uitmeet. Met opzet, neem ik aan, om haar te bewegen tegen zoveel (kerk)zonden in haar midden te strijden: dat we "het heil-om-niet" toch niet lichtvaardig voorbijgaan; dat we toch niet te gemakkelijk leven met Gods grote barmhartigheid; dat er diep in ons- hart toch geen verzet tegen de genade zou ontkiemen. Maar ook, dat we acht geven op onze Heer, die met Zijn evangelie ieder, ook armen, homofielen, verachten, bereiken wil. Wij mogen hen, die aan de kant staan, deswege niet minachten. We mogen ze daar niet laten staan, maar moeten ze in ons midden trekken. "Men zegt in de Messias te geloven, maar houdt Zijn minste broeders zich van 't lijf" (27). Dat gebeurt, jammer genoeg. Maar als u die zonde zo aan de kaak stelt, is het toch ook naar de Schriften deze afgedwaalden te wijzen op de Verlosser en Zijn werk? Ook voor hen is er toch enkel bevrijding door Hem? Niet hun arm-zijn op zichzelf, niet het aan de kant staan is hun redding, maar Hij. Zijn bloed is hun en ons leven. En dat mis ik wel. Loopt u niet 't gevaar u geïrriteerd te uiten en daarmee in 't vaarwater van moderne stromingen te komen, zodat het lijkt alsof (enkel) de maatschappelijk verachten de kudde van de goede Herder vormen, terwijl de "gewone" schapen, die zonder enig gerucht dag aan dag hun heil in Christus zoeken, eigenlijk de moeite niet waard zijn? Ik durf dat zo scherp te vragen, juist omdat u ons ook - en vrijwel critiekloos - Steve Biko (11) en Mahlangu (73) voorhoudt; strijders voor mensenrechten presenteert u als martelaren om Jezus' wil. Begrijpt u goed, ik wil het tegenovergestelde niet gezegd hebben. Maar het is zo 'in' onrecht en verdrukking zonder meer te verbinden met het Koninkrijk der hemelen en dan blijft het "strijdt om in te gaan" dikwijls achterwege.
Dit is wel een vrijmoedige brief.
Maar met de wens van ds. Buskes voor me gevoelde ik me gesterkt om die u voor te leggen.
Het laatste gedicht uit de bundel, die u ons dezer dagen gaf, roept de nood van ons allen uit, terwijl het verwijst naar wat ons samenbindt: Een kind ligt naast een lappenpop te slapen.
Een dwaas werkt verder aan het laatste wapen, waarmee men straks de werelden verdoet.
Herder van Israël, behoed Uw schapen.
Met de wens dat u en ik, wij allen samen, in Zijn hoede blijven, daarin léven, en uw werk daarvan nog lang moge blijven getuigen, groet ik u hartelijk,

Uw broeder, M. de Jonge

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief