Gaat het goed met de kerk?
1980-07-04
Onderstaand artikel stuurde ik februari van dit jaar als ingezonden naar het dagblad Trouw.- Jaargang 24
- nummer 27
De redaktie vond het te lang.
Omdat de actualiteit ervan nog niet verdwenen is.
publiceer ik het alsnog.
Wanneer mensen de dingen op 'n rijtje gaan zetten, bewijzen zij hun medemensen meestal een dienst.
Zo ben ik ds Hans Bouma dankbaar voor de tien stellingen die hij 'zonder veel moeite' - zoals hij schrijft - als tien zwaarwegende pluspunten heeft opgesteld ten bewijze dat het aan het begin van de jaren tachtig 'goed gaat met de kerk'. Zij stonden afgedrukt in het zaterdagnummer van Trouw op 9 februari jl. Overigens hebben deze stellingen mij geprikkeld om er in kritische zin op te reageren, want
juist om wat ds Bouma schrijft vind ik dat het niet goed gaat met de kerk.
Laat ik kort de tien stukjes bij langs lopen.
1. Ds Bouma schrijft dat de kerk van vandaag God heeft herkend in zijn radicale aardsgezindheid.
In het midden latend of deze 'ontdekking' slechts aan onze tijd was voorbehouden, wil ik vragen wat hier precies onder aardsgezindheid verstaan moet worden. Kiest God voor deze onverloste aarde of strijdt God sinds de val in zonde tegen satan om deze aarde, die onder de macht van de overste dezer wereld gekomen is, terug te veroveren?
Christus predikte het Koninkrijk der hemelen. Dat is wel voor deze aarde bestemd, maar het komt er niet uit op. Daarom zien wij in de verwachting ervan wel degelijk naar de hemel op. Is 'aardgezindheid' niet één van de dubbelzinnigheden waarin de hedendaagse kanselretoriek zich hult?
2. Ds Bouma: "Sinds de tweede wereldoorlog (... ) heeft de kerk Israël en het Oude Testament weer de plaats trachten te geven die hun toekomt."
Welk Israël is hier nu bedoeld? Dat van de bijbel of dat van onze tijd of beide? Is het verder wel goed om Israël en het Oude Testament zo in één adem te noemen? Het Oude Testament is een joods boek, wordt wel gezegd. Het boek van welke Joden, vraag ik dan. Van Jeremia of van zijn tegenstanders?
Van de Farizeeërs of van Jezus?
Wanneer ik komend uit het Oude Testament overstap op de joodse litteratuur van Talmoed en Midrasj, merk ik dat ik het Oude Testament geestelijk totaal verlaat. Ga ik daarentegen over op het Nieuwe Testament, dan komt dat op mij over als een noodzakelijke aanvulling op het Oude Testament. De bijbel, Oude en Nieuwe Testament allebei, is noch van Joden noch van niet-Joden. Vlees en bloed heeft ons de inhoud ervan niet geopenbaard.
Tegenover het verwijt van verwaarlozing en (nog erger) vergeestelijking van het Oude Testament, waarover ds Bouma schrijft, zou ik in de eerste plaats willen wijzen op de vele oudtestamentische persoonsnamen in onze door Calvijn gestempelde cultuur, hetgeen onbetwijfelbaar wijst op een tijd in onze geschiedenis dat er grote belangstelling voor het Oude Testament was. En wat de vergeestelijking betreft, een tendens daartoe zit onmiskenbaar in het Oude Testament zelf (vgl. de voortgang van besnijdenis naar besnijdenis des harten bij de profeten). Deze tendens wordt in het Nieuwe Testament opgenomen en ten einde gebracht, maar zonder dat het meer uitwendige en aardse vergeten wordt. "ik geloof in de wederopstanding des vleses" - maar door de geestelijke verlossing en door de verzoening heen. De oudtestamentische breedte moest door de nieuwtestamentische diepte heen.
3. Ds Bouma: "Ontdaan van Griekse filosofie en dogmatische abstractie kwam Jezus weer voor de dag als de man van Nazareth, die tot het laatste toe de weg van zijn volk gaat. Geen verre, bovenaardse, onwerkelijke godenzoon, geen theologische formule, maar een mens onder mensen, een broeder, vlakbij, solidair en inspirerend."
Als de Christus niet meer is dan dit, wordt het onbegrijpelijk dat men na negentien of twintig eeuwen nog steeds geen nieuwe inspirerende gestalte gevonden heeft, die meer 'vlakbij' is. Het is dan rondweg een blamage voor het christendom dat het zo ver in de geschiedenis terug moet gaan om iemand te vinden die naar Gods bedoelingen voorbeeldig geleefd heeft.
Hier blijkt dan ook eigenlijk dat het moderne humanisme rondom Jezus Christus teert op de kracht van het oude dogma aangaande Hem. Is de kracht van dat dogma geheel uitgewerkt, dan zal natuurlijk niemand meer spreken over Jezus als "het begin van een nieuwe humaniteit". Dan blijft er zelfs geen Boeddha of Mohammed van Hem over, gekruisigde die Hij is.
(Dr Jan Woltjes zei ooit eens: grondslag der kritiek is de betrouwbaarheid der overlevering.)
4. Ds Bouma: "Steeds klemmender bindt de kerk haar leden op het hart, dat zij onvermoeibaar werk hebben te maken van de eenmaal door God gestelde opdrachten.
.. Want dwars door alle schuld en ontaarding heen, tiet God hen nog steeds als partners, zaakwaarnemers. "
Steeds klemmender? Steeds krampachtiger!
Zoals dat gewoonlijk gaat als de heiliging buiten de rechtvaardiging om aan de orde wordt gesteld. God vergééft ons onze schuld en ontaarding en dááruit vloeien krachten voort tot een nieuw leven. AIs het evangelie van de verzoening meer gepredikt werd, in z'n karakter van belofte en eis, dan zouden de kansels ophouden plaatsen te zijn waar een prestatiegodsdienst wordt opgebouwd. Dan zou ook het wettische gedram verstommen.
"Bij U HERE, is de vergeving - opdat Gij gevreesd wordt" (ps. 130).
5. Ds Bouma: "Een zalige ‘honger en dorst naar gerechtigheid' (Mattheüs 5 vers 6) grijpt om zich heen. Her en der staat men op tegen de ondergang, pleegt men rebellie tegen de gevestigde wanorde en schaart men zich aan de zijde van een God die uit alle macht strijdt om een betere wereld."
De gerechtigheid waarnaar Jezus ons leert hongeren en dorsten, is dat de gerechtigheid van anderen, van de grote "ze" en de anonieme "men" of is dat 'uw gerechtigheid, die overvloediger moet zijn dan die van schriftgeleerden en farizeeërs' (Mattheüs 5 vers 20)? Zien we werkelijk de honger en dorst naar deze laatste persoonlijke gerechtigheid om zich heengrijpen? Wie neemt de gerechtigheid die Jezus in Mattheüs 5 aan de hand van de geboden uit stalt, als een verlanglijstje vóór zich en bidt zo het Koninkrijksgebed (het Onze Vader) van Mattheüs 6?
Als men voor deze persoonlijke inzet en strijd kiest, zal men minder hovaardig zich maken tegen alle onrecht in de wereld. Men heeft dan meer de handen vol aan zichzelf.
6. Ds Bouma: "Wij hebben begrepen, dat de heerschappij waarover Genesis 1 spreekt, geen kwestie van geweld en uitbuiting maar van creatief beheer is en dat de opdracht om de aarde "te bewerken en te bewaren" slaat op de rentmeester, die nederig en dienstvaardig de belangen van zijn heer behartigt. "
Akkoord! Een gelukkige combinatie van de accenten van prof.
Goudzwaard en ds Bouma! Maar tot ds Bouma zeg ik toch: er zijn niet alleen dingelijke en dierlijke belangen te behartigen. Tot de opdracht om te bewerken en te bewaren behoort ook de zorg voor de geestelijke volksgezondheid, En zo zou ik (b.v.) de moderne predikers van vandaag wel eens wat vaker willen horen over wat Hebr. 13 zegt: het huwelijk zij in ere ... , tegenover de hand over hand toenemende praktijk van het ongehuwd samenwonen. Of is het huwelijk geen scheppingsordinantie?
Ook geestelijke belangen dus? Zelfs hebben die als de nood aan de man komt voorrang op welke andere belangen ook. Dat lijkt me belangrijk voor het gesprek (?) over de kernwapens.
7. Ds Bouma: "Geloven is niet meer het aanhangen van een complex dogma's, het theoretisch beamen van een reeks artikelen, maar een heel concrete manier van leven."
Ds Bouma schijnt niet door te hebben, dat zijn hele verhaal wemelt van dogmatische vooronderstellingen en keuzes. Alleen vanen die nu bij hem anders uit dan vroeger, dat wel. Een ander verschil met voorheen is, dat de bemoeienis rondom het dogma eertijds de vorm aannam van een betoog. Daar is nu veelszins d kreet voor in de plaats gekomen.
Daardoor is er vandaag veel dogmatische sluikhandel.
8. Ds Bouma: "Niet langer wordt het beeld beheerst door de bijzondere ambtsdragers, valt de kerk samen met de geestelijkheid - nee, de leden van de kerk vullen zèlf het beeld, zèlf maken zij samen de kerk uit. Men is wakker geworden uit de slaap der onmondigheid."
Laten we het hopen! Maar het ter zijde treden van het ambt ten behoeve van het 'leken'element komt ook voort uit het (begrijpelijke) willen ontlopen van verantwoordelijkheden bij degenen die leiding geven. Niet alles is zo positief als het lijkt. Bovendien is er naast groeiende mondigheid ook smoeligheid.
9. Ds Bouma: "De kerk heeft begrepen, dat de vrouwelijke mens evenzeer van de partij mag zijn als de mannelijke mens en dat een door mannen gedomineerde kerk nimmer kan beantwoorden aan de verwachtingen van een God, die de mens schiep naar zijn beeld: man en vrouw, of, zoals 't er letterlijk staat: mannelijk en vrouwelijk."
Hier zou ik willen onderscheiden tussen enerzijds een revolutionair aan de orde stenen van dit thema (waarbij op de achtergrond een groot gezagsprobleem staat) en anderzijds een gerijpt inzicht in de situatie-gebondenheid van Paulus' voorschriften aangaande de vrouw in de gemeente. Het verschil tussen deze twee benaderingen zie ik hierin dat in het laatste geval niet alle verscheidenheid tussen mannen en vrouwen dogmatisch wordt weggeredeneerd ten gunste van een absolute gelijkheid. De wonderlijke polariteit van nevenschikking en onderschikking, die wij uit Genesis 1 en 2 aflezen, zal bij 'de vrouw in het ambt' tot haar recht moeten komen.
10. Ds Bouma: "Het laatste pluspunt, dat ik wil aanstippen, betreft de liturgie van de kerk. Van een opvullend en versierend element rond de allesbeheersende preek heeft de liturgie zich ontwikkeld tot een hoogwaardige en onmisbare component van de eredienst."
Ja. Ook ja tegen de opmerking dat wij in de afgelopen jaren op dit gebied een verrijking hebben meegemaakt.
(Al staan er in het Liedboek teveel persoonlijke gedichten i.p.v. gemeentelijke gezangen).
Maar het primaat van het Woord op ons antwoord moet blijven. Antwoorden op het Woord is goed, maar het hoofddoel van ons antwoord moet toch in de week gegeven worden; dat we onze lichamen stellen tot een levend, heilig en God welgevallig offer; dat is onze redelijke eredienst (Rom. 12: 1).
De eredienst op de zondag is inderdaad een dialoog van Woord en antwoord, maar niet een dialectiek van Woord en antwoord, (dat wil zeggen dat ze elkaar wederzijds zouden bepalen.) "Zwijg Israël en luister", zegt Mozes in Deuteronomium (27: 9). Daarmee vermoordt hij het antwoord niet, maar maakt hij het wel totaal ondergeschikt aan het Woord. Komt de prediking in de moderne liturgie niet teveel in het gedrang? (Ongecorrigeerd)