In de kerk ben je samen

1980-07-04
  • Jaargang 24
  • nummer 27



Toespraak van ds J. J. Verleur, gehouden op de Ontmoetingsdag van 26 april jl. in de Hanzehal te Zutphen.

We zongen zoëven in het lied "Hoor een heilig koor van stemmen" (Lied 109) de regels: " ... psalmen zingend, palmen dragend, in de hemel is een dans". Nou vraag ik je: wat zijn wij eigenlijk een harken met elkaar, vindt u niet? Hebt u wel eens gedanst in de kerk? En dan moet je niet zeggen: Ja, maar het gaat over het hiernamaals, over de hemel. Het gaat over de eeuwigheid. Want wij moeten als gemeente toch eigenlijk een klein stukje van dat Koninkrijk hier laten zien, als een soort proeftuin.
Maar van dat dansen en van de blijdschap dat we Gods volk mogen zijn blijkt niet zoveel.
Maar zo komen we wel bij het punt dat vanmorgen aan de orde is: in de kerk ben je samen. En als je danst ben je ook samen. En dan heb je oog voor elkaar ook. Ook in de kroeg ben je samen. Daar blijkt dus wel uit dat we die titel nog wat moeten omschrijven. We moeten nog wat nader aangeven waarom het gaat.
Ik had als ondertiteling gegeven: Enkele opmerkingen over onze omgang met elkaar. Hoe ga je met elkaar om? Als je moet gaan praten over de onderlinge omgang, staan er direct al enkele lichten op rood. Stel je voor dat twee verloofden moeten gaan práten over de vraag: Hoe gaan we met elkaar om? Tien tegen één dat er dan helemaal niets van terecht komt.
Je kunt wel een handboek schrijven voor erotiek. Maar voor dat andere woord uit de bijbel - voor liefde (de agapè, de liefde van de hele mens tegenover de hele mens) kun je geen handboek schrijven. Wie van mij een handboek verwacht voor de omgang tussen kerkleden en gemeenten onderling, zal wel bedrogen uitkomen.
De moeilijkheid is dat, als je oog voor elkaar hebt in een Gereformeerde kring, je elkaars lelijke dingen veel meer ziet dan de goede. We geven nogal eens af op de wijsbegeerte van onze tijd. Onlangs hoorden we dat Jean Paul Sartre overleden is. En we zeggen dan tegen elkaar: De wijsbegeerte van deze man moeten we niet. Die is niet christelijk. Toch kunnen we van deze man wel iets leren. Hij zei namelijk dat de omgang met elkaar een onmogelijk iets is. Want de ander, de man of de vrouw die naast me leeft is een stukje hel. Zodra ik met een ander moet omgaan verlies ik mijn vrijheid, dan verlies ik mijn zelf-zijn. We kunnen elkaar alleen be-kijken, we kunnen alleen naar elkaar kijken. Dat hebben we in de kerk heel goed geleerd. Want vaak doen we daar niet anders dan elkaar bekijken en naar elkaar kijken: hoe orthodox we zijn, hoe christelijk we zijn, hoe we ons houden aan de regels. Ik heb in de verleden jaren enkele generale synoden meegemaakt. En ik denk wel dat een man als Sartre daar in dit opzicht terecht kon, dat hij daar een bevestiging vond van de vraag hoe we elkaar moeten bekijken en hoe we naar elkaar moeten kijken. En dan komt er meestal niet zoveel moois uit. Hij heeft ook wel deze raad gegeven: Je kunt eigenlijk alleen maar met elkaar omgaan als je sámen naar iets kijkt. Je moet dus van je áf kijken.
Eén van de dingen die wij in de gemeente van onze Heer Jezus Christus moeten leren, is wel dat we van ons zelf moeten afzien. We moeten niet altijd met onszelf bezig zijn. We moeten niet altijd bezig zijn met de vraag hoe Gereformeerd we zijn. Maar met elkaar moeten we van ons zelf af zien naar de wereld. Hebt u zich wel eens ingedacht wat een vreemde mensen wij moeten zijn in het oog van mensen, die nooit naar de kerk gaan? Ik stel mij voor dat ze met heel wonderlijke ogen naar ons kijken. Want wij zijn mensen die op allerlei manieren onze vroomheid in praktijk willen brengen. Maar we zitten vaak in onszelf opgesloten. Er gaat zo weinig van ons uit. Op de Paasmorgen zei de Heiland dat we niet bij zijn opstandig moesten blijven stilstaan. Maria mocht Hem niet vasthouden, niet tegenhouden. De discipelen moesten overal gaan vertellen dat Hij was opgestaan. We hebben een boodschap voor de wereld.
En dat kun je alleen maar samen doen. Maar die verbondenheid ligt dan ook in onze Heer Jezus Christus.
Je kunt oog voor elkaar hebben op de humanistische manier: lief zijn voor elkaar. Dat is alleen maar horizontaal, van mensen onderling. Maar we mogen elkaar alleen zien via het oog van Christus. Laten we ons dat eens even indenken - dat we naar elkaar mogen kijken via het oog van Christus. Stel je voor dat Petrus in de kerkeraad zat naast Paulus en al die andere lui, de ongelovige Thomas en onbelangrijke figuren waarvan je helemaal niet kon ontdekken wat het precies was. Petrus is natuurlijk altijd haantje de voorste. Maar ze mogen elkaar alleen zien via het oog van Christus. En als de discipelen ruzie maken over de vraag wie de meeste is, wie de eerste is, dan zegt de Heiland: Je moet worden als Ik.
Want de meeste is degene, die allen-dient. Die niet aller slaaf, maar wel aller dienaar is. En dat vraagt een heel grondige bekering. Als je kijkt met je eigen oog en niet met het oog van Christus, zegt de Heiland heel konkreet: Als je oog je ergert (dus niet als je nááste je ergert, maar als je oog je ergert, als je kijkt met een oog dat niet geheiligd is in Christus) ruk het uit en werp het van je. Bekeer je!
En we lezen telkens in de bijbel van die gevallen. Denk wat er staat In de Romeinenbrief over de zwakken en de sterken. Er waren Joden-christenen en heiden-christenen. En de Joden-christenen dachten natuurlijk: Wij zijn de mensen van de behoudende groep. Wij hebben de oudste rechten. Wij hebben de boeken. Wij hebben de traditie. En die heidenen mogen blij zijn dat ze mee mogen doen.
En zo hebben wij dat ook. Wij kennen alle mogelijke tegenstellingen, grote en kleine. Je hebt de mensen, die "autochtoon" zijn, mensen van de bodem in tegenstelling tot de "import", de mensen van buiten. Je hebt de behoudenden en de vooruitstrevenden. Er is verschil van mening over oude of nieuwe berijming, wel of geen liedboek. Er is de tegenstelling tussen oudere en jongere generatie. En we denken dan vaak dat de één zich maar moet bekeren tot de ander. De ouderen onder ons zeggen natuurlijk: De jongelui moeten zich maar bekeren. Dat zijn zulke vrijgevochten rare typen. Maar als je dan leest in de bijbel, hoor je aan het eind van de oude bedeling één van de profeten zeggen, dat de vaders zich tot de kinderen moeten bekeren. Ja, ja, dat is wat anders! We moeten beginnen met trachten te verstaan wat de jongelui beweegt. Wat is het diepste motief? Wat beroert hun hart?
In de kerk ben je, hoe verschillend ook, samen in Christus. In Christus!
In de invloedssfeer van Christus. Eén lichaam zijn. Niet een geraamte.
Dat maken wij vaak van de kerk: allemaal van die klepperende beentjes bij elkaar. De één heeft nog een grotere mond dan de ander. En dan proberen we uit te vinden wie maar het meeste te zeggen heeft. Maar nee, we zijn een lichaam, een geheel van leden, door één Geest beheerst.
Machtig mooi is dan wat de apostel Johannes moet schrijven aan de kerk in Pergamum (Openbaring 2), dat ieder van ons een naam krijgt die niemand anders kan lezen en kennen dan degene die hem draagt. Dat betekent niet dat je verstoppertje speelt met jezelf maar dat je in de kerk ieder je eigen geschiedenis hebt. En eens wordt dat op die witte steen als het glanswerk van God gezien. Ieder heeft zijn eigen identiteit, ieder is een 'zelf'. Jij en ik en de man van tachtig en het kind van acht, ieder heeft in die sfeer van Christus zijn eigen plaats. Een naam is in de bijbel altijd een opdracht. Wat je bent, dat moet je doen. En zo krijgt ieder een naam naardat de Heilige Geest van hem of haar gemaakt heeft. En zo wordt het individu herboren. Maar dan in de gemeenschap van Christus' gemeente. Individu en gemeenschap passen in elkaar. Want ieder heeft zijn eigen opdracht in die gemeenschappelijke opdracht van het kerk-zijn naar buiten.
En dan komen we aan iets dat heel ingrijpend is in onze tijd, nl. het individualisme. Dat is heel iets anders dan het individu. Het individualisme is dat iemand zijn eigen gedachten, zijn eigen ik op de troon zet en zegt: Zo wil Ik het en zo moet het. Wij zijn als Nederlanders daar heel sprekende voorbeelden van. Ieder heeft zo zijn eigen inzicht. Ook in de kerk komen we dat tegen. En dan zijn we alleen maar een kring van gelijkgezinden, maar geen gemeente.
Er is ook een ander verschijnsel dat in onze kerken heel sterk speelt.
Na de jongste kerkscheuring zijn heel wat mensen als de dóód geworden voor elke vorm van gemeente-zijn, voor kerkverband, voor samengaan.
En ze verschuilen zich achter alle mogelijke misbruik daarvan. Maar het betekent wel dat de kerk eigenlijk een soort genadewinkel wordt, als dat doorzet. Kijk, je bent van de Spar of van de Gruyter geen lid. Je gaat er heen als je wat nodig hebt. En als de kerk geen gemeenschap is, geen verbondenheid in Jezus Christus, dan is het een genadewinkel. Je gaat er 's zondags heen om een opkikkertje te halen. En dan ga je weer naar huis en verder trek je je van die zaak geen zier aan. Hebt u wel eens ontdekt hoeveel mensen er onder ons zijn, ouderen èn jongeren, die door de jongste kerkscheuring zo gewond zijn en innerlijk ontredderd dat ze eigenlijk al op de vlucht slaan als ze iets horen over gemeenschappelijk-zijn en samen-zijn, in Christus zijn? Tientallen, honderdtallen mensen, die innerlijk zo gewond zijn dat we er wat op zullen moeten vinden als we ze in de toekomst niet willen verliezen of zien weggaan naar allerlei groeperingen die wat meer nadruk leggen op het persoonlijke of het individuele.
Ik denk aan allerlei charismatische bewegingen en sekten die de nadruk leggen op individuele geloofsgetuigenissen. Het samen-in-de-kerkzijn boeit hen niet meer. Als we daar overheen kijken, moeten we er niet gek van opzien dat dat samen-in-de-kerk-zijn geen echo meer heeft.
Daarbij wil ik vooral onze jongere generatie noemen. Wat mij vooral getroffen heeft in mijn ambtelijke praktijk is dat ook de jongelui die meegingen, die zogezegd buiten verband kwamen te staan, er eigenlijk helemaal niets van snapten wat het voor zin had om weer een scheuring aan te gaan. Dat heeft ook te maken met het feit dat onze jongens en meisjes historisch veel minder belangstelling hebben. Dat is ook een gevolg van heel de kultuur van onze tijd. Heel onze kultuur wordt anoniem. De grote verstedelijking en vertechnologisering van de samenleving maakt de mensen tot nummers. Op school ben je een nummer. Op je werk ben je een nummer. In de samenleving ben je een nummer. In de flat waar je woont ken je amper wie naast je of boven je woont. Daarin vereenzaamt de mens. Trouwens, waarom zouden onze jongelui prat gaan op de historie?
De historie van een generatie, die twee wereldoorlogen heeft gekend, waarin de boel ook kultureel kapot gegooid is. Van een generatie in ons land, die twee kerkscheuringen heeft doorstaan. Voor hun hoeft het niet meer. Vindt u dat zo vreemd? Ik heb in die tijd de grootste toer gehad om mijn eigen kinderen te trachten duidelijk te maken waarom het ging.
Al dat praten hierover komt over als een vroom geleuter, dat in feite niets verandert. En ze kijken heel argwanend naar onze kerkelijke bedrijvigheid en blijven (als ze al bij ons blijven) op een afstand. Ze hebben er zelf niet werkelijk deel aan.
Als je werkelijk in de kerk sámen wilt zijn, moeten we beginnen onze jongelui te betrekken bij ons kerkewerk. Niet maar op onderschikte punten.
Nee, we moeten ze metterdaad opnemen in de schoot van de kerk en hun een taakgeven met een eigen inhoud, zodat ze niet op een afstand blijven staan. Eén van de ergste dingen die je vandaag bij jongelui ziet, is dat ze wel meedoen - ze gaan wel mee naar de kerk, nog welmaar eigenlijk hoeft het voor hen niet meer. Want ze hebben van dat levende beeld van Christus in ons nog zo weinig gezien.
Daar komt bij dat in onze naamloze, anonieme wereld de helft plus één beslist. Er zijn allerlei wereldorganisaties, vakbonden, oekumenische instanties die een demonische imitatie van gemeenschap vormen. Mensenmassa's worden anoniem bijeen gebracht voor het verkrijgen van andere strukturen. Maar de mens zelf verandert niet. In de kerk betekent dat, dat men vaak meer streeft naar overstemming dan naar overéénstemming.
Als je in de kerk het samen-zijn in praktijk wilt brengen, dan moet je de gemeente niet allereerst zien als een verzameling van vrome mensen, die toevallig in alles gelijkgezind zijn, maar als een levend lichaam in Jezus Christus, waarvan jij en ik levende leden mogen zijn. Daar hoef je als vaders en moeders voor je kinderen niet over te piekeren. Maar ze moeten het wel zién. Wis en waarachtig moeten ze het zien! Want als ze in jou, vader of moeder, de levende Heer niet ontmoeten, dan moet je niet denken dat ze het ergens anders wel zien. En als ze dan tot de jaren van het onderscheid komen, dan zeggen ze: Ajuus, voor mij hoeft het niet meer!
Natuurlijk, er is op de jeugd een hoop aan te merken. Dat is in elke tijd zo. Mijn grootvader waarschuwde mijn vader en mijn vader waarschuwde ons en zo zal het altijd wel doorgaan. Maar één van de belangrijkste dingen is toch wel dat de oudere generatie vóórleeft, laat zién wie Jezus Christus is. En daarom moeten we ook niet blijven steken. We moeten geen slaven worden van bepaalde tradities of vormen. Ik weet wel dat ik nu aan een heel teer punt raak. Want we zitten vaak vast in tradities.
We hebben vaak alleen maar dat ene voor ogen, dat het net zo gaat als vroeger. En als je dus werkelijk iets wil laten zien van het Koninkrijk, van het wonder van Jezus Christus, dan moeten we niet vastlopen in allerlei vormen, die toch weer worden losgewrikt. En we moeten als gemeente niet blijven staan bij de kerk van gisteren, maar met elkaar bouwen aan de kerk van morgen. Want morgen moeten Jan en Piet dat overnemen, als u en ik niet meer kunnen. Dan moeten Gerrie en Nelly en Gerarda en Stoffel en hoe ze ook mogen heten, dat overnemen. Maar dan moet je natuurlijk niet aankomen met een ouwe stoel van de vorige eeuw. Als je zo aan het eind van je leven komt en je denkt er wel eens over hoe je je huisraad zal verdelen, dan weet je van tevoren al dat die ouwe stoel bij hen geen plaats meer heeft. Als we niet maar onze zin, ons inzicht, ons systeem, maar de levende gemeente naar onze kinderen willen toedragen zodat ze haar me kunnen nemen, dan moeten we dat loswikkelen uit alles wat alleen maar vorm is en geen inhoud heeft.
Dat betekent niet dat je alles maar ondersteboven moet gooien. Want dat is typisch voor onze tijd. Onze tijd zegt: Gooi alles maar stuk. Keer heel de samenleving maar ondersteboven. Goed, dan vallen er scherven.
Natuurlijk! Marcuse zegt ook in één van zijn maatschappij beschouwingen: Ja, als je een omelet wil bakken, moet je eieren stuk slaan. En als je een nieuwe maatschappij, een nieuwe kerk wilt stichten, dan moet je de bestaande kapot slaan. Dat is typisch de geest van beneden, de geest van de revolutie. Maar we moeten ons niet gevangen geven aan een traditie of een vorm, alleen omdat die van de vorige eeuw is. Want onze kinderen zijn ons allang vooruit. Ze moeten ook aan het geloven een eigen inhoud geven. Niet een ándere inhoud, maar wel een eigen inhoud. Ja, ze moeten het zèlfde geloven als grootvader en grootmoeder, als vader en moeder.
Maar ze moeten het doen in een wereld van mórgen! Niet in een wereld van gisteren!
Het lijkt me dat vooral prediking en sakrament, bijbelkringen en gemeente-aktiviteiten dáár in de eerste plaats mee bezig moeten zijn.
Natuurlijk mogen we dat doen in gebed. Maar ik ben altijd bang, dat als je zoiets zegt, dat een soort dooddoener is. In de trant van: wij kunnen het niet, dus moeten we er maar om bidden. Zeker, in gebed. Maar dat betekent dat je in liet gebed meevecht, dat er een zoeken is met elkaar om de Geest van Christus. Zo moeten prediking en sakramenten en alle andere vormen van gemeenteleven hun eigen inhoud van deze tijd krijgen.
Het moet opkomen uit het evangelie. Het mag niet gebeuren naar eigen menselijke inzichten, maar het mag evenmin overspoeld raken door historisch geworden, vastgelegde dingen.
Even wat anders. Ik denk bv. ook aan onze verhouding met de Christelijke Gereformeerde broeders en zusters. Kijk, als je naar elkaar blijft kijken op de manier van Sartre (en dat doen we helaas als Gereformeerde mensen) dan zal ieder van ons bij de ander wel dingen vinden, waar we niet zo geweldig over te spreken zijn. We zullen als Nederlands Gereformeerden best een heleboel dingen vinden bij de Christelijke Gereformeerden, die ons niet liggen. En waarschijnlijk zullen zij bij ons ook wel allerlei dingen vinden. die niet overkomen en waar nog eens over gepraat en
gepraat moet worden. Maar één van de belangrijkste dingen is dat we elkaar zien door het oog van Christus.
We moeten als gemeente een proeftuin zijn. Kijk, een proeftuin is nooit een vaste aangelegde tuin, waarin elk jaar hetzelfde groeit. Je hebt van die tuintjes, waarin men elk jaar hetzelfde plant. Misschien in een wat andere volgorde, maar toch elk jaar zie je dezelfde indeling, dezelfde kleuren. Een proeftuin is wat anders. In de bollenstreken, waar ik vroeger gewerkt heb, hadden we de proeftuin van de Rijkstuinbouwhogeschool.
Daar probeerde men elk jaar weer opnieuw het mooiste, het fijnste, het echte, het volmaakte te benaderen. Zo werd het straks dan in de praktijk gebracht. In dat opzicht is eigenlijk elke gemeente van Christus in de Geest van Christus zo'n proeftuin, waarin we met elkaar bezig zijn: biddend, samen de bijbel lezend en zoekend en telkens elkaar vragend hoe we nu verder moeten.
Geef nou de jongelui daar eens een taak in, broeders en zusters. Laat nou niet alles over aan de kerkeraad of de dominee. Maar laat een deel van het werk, ook onder verantwoordelijkheid van hen, op hen aan komen.
Zet hen, ieder met zijn eigen individualiteit en zijn eigen gaven, midden in de tuin van Christus. En laat hen zo proberen iets ervan te laten zien.
Houd ook niet alles binnenboord. Er zijn van die mensen die altijd maar binnen de grenzen van de kerk blijven. Laat de jongelui eens meegaan met akties, lektuurakties e.d. waarin het getuigenis van het evangelie naar buiten dringt. Het is ontzaglijk belangrijk dat we in de gemeente van Christus een echt bijbelse leer hebben. Maar laat niet heel het gemeentezijn opgaan in het vechten om de zuivere leer. Wees een levende gemeente, waarin men oog heeft voor elkaar. Niet dat het zo leuk is om naar elkaar te kijken. Maar laten we oog hebben voor elkaar om elkaars lasten en lijden te kennen. Ook dat is een onderdeel van echte bekering. U kent misschien die leus van de vastenaktie: Ommekeer = Ommekaar. We zullen het misschien niet allemaal zo direkt in praktijk brengen, maar laten we toch de kern daar even uit lichten. Ommekeer, omkeer dus, bekering.
Maar ook om elkaar, met elkaar mee. Leef met die ander mee. Lijd ook met die ander mee. Niet alleen door een bloemetje als hij of zij ziek is, maar in de verbondenheid van het gemeente-zijn.
Maak ook onze jongelui jaloers op het geheim van het christen-zijn.
Weet u, als niet-gelovige jongelui naar ons kijken, zeggen ze altijd: Ja, wat hebben jullie eigenlijk? Wat doe je eigenlijk? Ja, je hebt het over het hiernamaals, over het leven na de dood en een wissel op de eeuwigheid.
Maar wat zie ik er eigenlijk van? Wat draag je naar me toe? Wat krijg ik mee? Wat is dat geheim van jullie? Probeer dat als ouders aan je kinderen duidelijk te maken. Er zullen vast wel jongelui zijn in uw gezinnen, die een andere weg gaan dan u zou willen. Jongelui, die nou niet direkt weg zijn van een jongen of meisje uit eigen kerk. Maar ze zoeken het daar buiten, het geeft niet waar. Een heleboel jongelui zeggen: Ik heb geen zin meer om naar de kerk te gaan. En waarom moet ik belijdenis doen en waarom moet dit en waarom moet dat? Begin dan niet direkt met te zeggen wat dat allemaal wel is, maar laat met elkaar zién wat gemeente-zijn is: het samen in Christus verbonden zijn en het dáárom met elkaar meelijden, meestrijden, meebidden, meewerken. Omdat we elkaar in Christus ontmoeten.
Je komt ze overal tegen in de gemeente; de perfektionisten als Petrus en de ongelovigen als Thomas en de fanatieken als Paulus. Maar we hebben ze ook allemaal nodig. Want in de kerk ben je samen. Dat betekent niet alleen maar dat je onder één dak zit of dat je samen naar een preek luistert of samen bidt. Dat is alleen de werkvloer. Maar daar buiten begint het: het samen zijn als gemeente, het met elkaar meeworstelen om iets te laten zien van het Koninkrijk van Christus. Naarmate onze tijd anoniemer wordt en de mensen meer nummer worden, zullen de gemeenten kleiner moeten worden. Een gemeente, die 1000 à 2000 zielen telt, draagt in zichzelf vandaag aan de dag al het oordeel van de anonimiteit. Kleine gemeenten, maar dan wel lévende gemeenten. Levend door de kracht en de vaart van de Geest.
In de kerk ben je samen, maar alleen door en met Christus. Alleen door een levend geloof. Leg je oor eens te luisteren naar de vragen van onze jonge mensen, waarmee ze bezig zijn. Wat voor kritiek hebben ze. Natuurlijk hebben ze een heleboel kritiek op jou en mij. Maar luister! En kijk naar ze met het oog van Christus. Want zo alleen kun je in de kerk samen zijn.

Richtvragen voor bespreking van ditonderwerp:

1. Hoe zou het komen dat zoveel kerkmensen zich, ondanks prediking, sacramenten, bijbelkringen en gemeente-aktiviteiten, zo verlaten en eenzaam voelen?
2. Wat is uw eigen bijdrage aan het samen-gemeente-zijn, een levende gemeente?
3. Voelen onze kinderen (zowel kleineren als de opgroeiende jeugd) zich opgenomen in en betrokken bij de gemeente, zo, dat ze er werkelijk bijhoren en zo niet, hoe zou dat komen en veranderd kunnen worden?
4. Weet u, of er in de gemeente waar u woont ook gebeden wordt om de Geest van de gemeenschap met Christus en wat denkt u van gebedskringen daarvoor? Neemt u daarvoor initiatief?
5. Zijn prediking en ambtsdienst voldoende gericht op de vorming van een levende, christelijke gemeente, die als proeftuin van Christus' rijk, iets kan laten zien van de komende Heer en zijn heil? Kunt u daarover met ambtsdragers en gemeenteleden praten?
6. Dankt u wel eens, juist als we zoveel kritiek hebben op de kerk en op de kerkmensen, voor het feit, dat we samen-in-de-kerk mogen zijn?
7. Bidden en werken we alleen om het behoud van de kerk van gisteren of óók en vooral om ontplooiing van de kerk van morgen? Blijft ons bidden daarvoor steken in algemeenheden of is het konkreet gericht op het overbruggen van de kloof tussen de generaties? Weet u ook of de jeugd daarom bidt en daarvoor werkt? En zo niet, wordt het geen tijd hen daarbij te betrekken?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief