Over de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift

1980-07-25
  • Jaargang 24
  • nummer 28
Het was niet te verwachten dat ik aanstonds door iedereen zou worden begrepen; laat staan dat ik op grote bijval kon rekenen, toen ik in verband met de identiteit van onze kerken schreef over het gezag van de Heilige Schrift. Ik ben mij ervan bewust geweest dat ik daarmee aan iets zeer gevoeligs raakte en daarom ben ik ook niet gepikeerd over de scherpe toon waarop sommigen hun reacties hebben gegeven. Collega Van der Kwast is algemeen geprezen om de goede toon die hij wist te bewaren en voor wat de eerste drie artikelen betreft, die hij op 7, 13 en 21 december van het vorige jaar schreef, ben ik 't daar ook goed mee eens. Het laatste artikel van 8 febr. 1980 was evenwel 'n beetje stemmingmakend omdat hij de namen van voorgangers als Gerijdanus, Schilder en Holwerda te berde bracht en het liet voorkomen alsof ik er niet van overtuigd zou zijn dat zij wetenschappelijk integer waren. Ook schreef hij over "krenkende passages" voor onze predikanten in het algemeen. Nu, een zekere dogmatische bevangenheid is aan de vaderen in hun uitleg van de Schrift wel eigen geweest, een gladstrijken van oneffenheden in de bijbel vanwege een onfeilbaarheidleer die ik niet meer deel, maar taat ieder gerust zijn: voor hun eerbied en nauwgezetheid heb ik groot en blijvend respect.
Toen ik schreef over de mentaliteit van 'laten we maar niet al te nauwkeurig lezen', had ik, zoals duidelijk kon zijn, de 'van-kaft-tot-kaft' mensen op het oog.

Maar de al of niet of minder geslaagde toon van een artikel is natuurlijk niet iets om lang bij stil te staan. De lezers betalen hun abonnementsgeld voor belangrijker zaken.
Wat staat er in de artikelen van ds Van der Kwast en wat heeft hij aan argumenten tegen mijn artikelen ingebracht?
Laat ik daarvoor een samenvattend citaat kiezen. "In wat ds De Jong schrijft bespeur ik een zeker perfectionisme, waarin alles recht in het gelid moet staan, wil de Schrift inderdaad onfeilbaar zijn." Ik ben dit met ds Van der Kwast helemaal i eens. Ik ben in mijn artikelen op het standpunt van de onfeilbaarheid gaan staan om zo aan te tonen dat die onfeilbaarheidleer, strikt genomen, tot moeilijkheden leidt. Ik wil namelijk af van dat begrip 'onfeilbaarheid', omdat het onduidelijk is en oneigenlijk bijbelgebruik in de hand werkt.
Want ds Van der Kwast kan wel schrijven: "De onfeilbaarheid van de Schrift is niet die van een notariële acte of een strak juridisch vastgesteld wetboek", - maar voor die bewering krijgt hij geen enkel woordenboek op zijn hand.
Onfeilbaarheid is op deze manier altijd een woord waar een nadere verklaring bij gegeven moet worden.
Voor mij ,is dat een reden om het woord, dat zelf niet eens uit de Schrift komt, af te schaffen.
Trouwens, ds Van der Kwast blijft zelf niet bij de verklaring die hij ervan geeft. Enerzijds trekt hij zich met de onfeilbaarheid terug op het gehéél van de Schriften en op het doel ervan en hij haalt in dat verband het mooie artikel 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis aan (waar ik zelf ook van heler harte achter sta, - voeg ik er maar even voor de volledigheid aan toe). Maar als ik dan op een kleine oneffenheid van een onderdeeltje wijs, antwoordt hij mij: "Je moet dit kleine onderdeeltje, dat misschien iets onduidelijks heeft, gewoon uit het geheel van Paulus' brieven verklaren.
Dan is er geen enkel probleem."
Dan wordt dus vanuit het geheel toch weer een uitval gedaan naar de details om ook die in de onfeilbaarheid te betrekken. Dit vind ik in en uit praten. En we leven in een tijd waarin veel gemeenteleden dit ietwat willekeurige, toedekkende en bevoogdende spreken van de orthodoxe theologie op dit punt beginnen te doorzien. Wij moeten hen serieus nemen.

Wij zullen een stapje terug moeten met onze Schriftleer. Ik bedoel niet dat we een onhoudbaar gebleken opvatting direct moeten vervangen door een betere. Bijvoorbeeld dat we van een meer kwantitatieve opvatting inzake de goddelijke geïnspireerdheid van de Heilige Schrift moeten overstappen op een meer kwalitatieve - een overgang die op zo menig gebied plaats vindt vandaag -, nee, we zijn aan een nieuwe opvatting nog niet toe. Wat eerst moet gebeuren is dat we enkele feiten onder de ogen zien.
Theorie-vorming kan daarna nog wel eens komen, voor wie dat nodig vindt. De geschiedenis kan ons op dit punt leren. Want de overgang van de mechanische naar de organische opvatting van de inspiratie is ook te vlug en te argeloos gemaakt. Er is veel mee vervaagd en toegedekt. Daarom, eerst moeten enkele feiten tot ons doordringen.
Wat voor feiten? Wel, feiten van het kaliber van Paulus' opmerking over de dorsende os - waarvan niemand mij tot dusver heeft kunnen aantonen dat ik daar fout mee zat. Een aantal kleine onjuistheden dus, die niet in het centrum maar aan de rand van de Schrift liggen.
Ik heb weliswaar de vorige maal gesproken over een 'rand van onzekerheid', maar dat was een eufemisme, een mooiere manier van.
zeggen dan de werkelijkheid toelaat, want in werkelijkheid gaat 't niet om dingen waarover we in 't onzekere behoeven te blijven, Ik althans ben er zeker van dat 't om kleine onjuistheden gaat. Maar om een schijn van eigenwijsheid te voorkomen, sprak ik van een 'rand van onzekerheid' want ten slotte kan ik me vergissen hoewel ik dat in dit geval niet geloof. Ieder schoolkind kan me immers narekenen.
Theologie-studie is daarvoor niet nodig. Ik keer me dan ook krachtig tegen het verwijt (niet van ds Van der Kwast overigens) als zou ik vanuit een theologische hooggevoelendheid over de Schrift oordelen. Integendeel, ik keer .dit verwijt om: er zit in onze theologische traditie een bevangenheid die doet sjoemelen met gegevens. Dat gebeurt argeloos en vanuit liefde tot Gods Woord, ik weet en waardeer dat, maar het kan tot schuld worden als het tegen alle evidentie in wordt volgehouden.

Ik ga nu een opsomming geven van zeven met zorg gekozen gevallen waarin de Schrift m.i. een onjuistheid bevat. Waarom met zorg gekozen?
Omdat ik wil komen met voorbeelden die iets onweerlegbaars hebben, omdat ze tevoorschijn zijn gekomen bij het vergelijken van Schrift met Schrift. Zodat iedereen, geschoold of niet-geschoold, mij kan narekenen.

1) In Gen. 11 : 31-12 : 1 (zie ook vs. 5) wordt duidelijk gezegd dat de roeping van 's Heren wege tot Abraham kwam, toen deze reeds met vader Terach uit Ur der Chaldeeën meegegaan was naar Haran.
Vandaaruit, vanuit Haran dus, gaf Abraham gevolg aan de roepstem van God. Stephanus echter, in zijn bekende rede van Hand. 7 (vs. 2 v.v.) zegt: "De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, en Hij zeide tot hem: verlaat uw land en uw bloedverwanten en ,kom herwaarts naar het land dat Ik u wijzen zal. Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont." M.i. kan wat in Gen. 11/12 staat en wat we in Hand. 7 lezen niet allebei waar zijn.

2) In Gen. 35 : 19, 20 lezen we: "Zo stierf Rachel en werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. En Jakob zette op haar graf een opgerichte steen, dat is de opgerichte steen van Rachel tot op heden". (zie ook Gen. 48: 7). In 1 Sam. 10: 2 echter wordt voor Rachel's graf een plaats aangegeven in het gebied van Benjamin (Zelzah). Bij deze traditie sluit de profeet Jeremia zich aan, als hij in hfst. 31: 15, met een duidelijke toespeling op Rachel's sterven in die omgeving, zegt: "Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is." Rama, de plaats waarvandaan de joodse ballingen naar Babel werden afgevoerd, Jer. 40: 1, lag evenals Zelzah in het kleine stamgebied van Benjamin. De ene of de andere traditie is juist; Rachel kan niet op elk van beide plaatsen begraven liggen.

3) In Gen. 50: 13 lezen we van de zojuist gestorven vader Jakob: "Zijn zonen vervoerden hem naar het land Kanaän en zij begroeven hem in de spelonk van het veld van Machpéla, welk veld, tegenover Mamre gelegen, Abraham tot een eigen grafstede had gekocht van de Hethiet Efron." In Hand. 7 : 15 en 16 staat echter iets anders: "En Jakob trok af naar Egypte, en hijzelf stierf, en onze vaderen; en zij werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham voor een som gelds van de zonen van Hemor te Sichem gekocht had."
Stephanus (of Lucas) schijnt hier gegevens uit Gen. 23 en Gen. 34 met elkaar te verwarren. Hoe dit ook zij, vader Jakob kan niet op twee plaatsen tegelijk begraven liggen.

4) In Ex. 30 : 6 wordt ten aanzien van het gouden reukoffer bepaald: "Gij zult het zetten vóór het voorhangsel, dat vóór de ark der getuigenis is, vóór het verzoendeksel dat boven de getuigenis is, waar Ik met u zal samenkomen." Hoewel er voor mij voldoende duidelijkheid is omtrent de plaats die hier bedoeld is, namelijk in het heilige en niet in het heilige der heilige, kan ik me toch voorstellen dat daarover aarzeling bestaat. Toch doen Ex. 26 : 33b, 39 : 35-38, 40: 3-5 en 20-28 (gezien de volgorde van het tabernakel-meubilair in de laatste drie aangehaalde Schriftplaatsen) alle onzekerheid verdwijnen: het reukofferaltaar stond in het heilige.
Daarmee stemt ook overeen dat een niet-hogepriester aIs Zacharias dit altaar bediende (Luc. 1 : 9) wat niet mogelijk zou geweest zijn als het reukofferaltaar in het heilige der heilige gestaan had, waar immers alleen de hogepriester, en dat slechts eenmaal per jaar, mocht komen, Lev. 16: 2 en Hebr. 9: 7.
Toch staat in Hebr. 9 : 3, 4 te lezen: "en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds ... " Hier staat dus het gouden reukofferaltaar niet in het heilige, maar in het heilige der heiligen.
Dit kan niet beide waar zijn.
Volgende week verder, D.V.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief