Over de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift

1980-08-08
  • Jaargang 24
  • nummer 29
Wij vervolgen ons lijstje van Schriftplaatsen waarin er iets niet klopt.

5) In 1 Kon. 22 zien wij een profeet, genaamd Micha, optreden tegenover de koning van Israël, die pas tamelijk laat in het verhaal Achab blijkt te zijn (vs. 20). De volledige naam van de profeet is: Micha, de zoon van Jimla. Als de geschiedenis van zijn optreden uitverteld is, volgt er in het verhaal een eigenaardige mededeling: "Voorts zeide hij (Micha): Hoort, gij volken, allemaal", vs. 28. Dit woord van Micha past op geen enkek wijze in het verband. Dat is ook niet de bedoeling. De verhaler wil zeggen: als je nog meer over deze Micha wilt weten, dan moet je het profeten-boek Micha opslaan.
Doen we dat, dan ontdekken we dat- de uitspraken van de profeet Micha daar inderdaad in vs. 2 beginnen met: "Hoort gij volkeren allemaal ... ". Hier herinneren we ons de oudtijdse gewoonte om een boek of geschrift te noemen naar de eerste woorden of de eerste regel. Zo heet 'Klaagliederen' bij de joden het boek 'Hoe', naar het eerste woord ervan en Leviticus heet 'en Hij (de HERE) riep', naar het eerste zinsdeel ervan. We hebben dus in 1 Kon. 22 : 28 te doen met een verwijzing naar nog een andere bron, het hek boek Micha, voor onze kennis van de profeet Micha.
Alleen, de Micha van de kleine profeten heet anders: Micha, de Morastiet, leefde ook ongeveer een eeuw later, in de dagen van Jotham, Aohaz en Jehizktia, en behoorde bovendien tot het zuidelijk koninkrijk, (Micha 1 : 1). Voor mij is her onweersprekelijk dat we hier vaneen vergissing moeren spreken, een verwarring van de twee Micha's.

6) In Mattheüs 1: 17 lezen we: "Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de babytonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten".
Om ons tot het middelste veertiental te beperken, wij weten uit Koningen en Kronieken dat er in de Koningslijst van Matth. 1 : 6-11 drie koningen ontbreken, te weten: Ahazia, Joas en Amazia. De bewering dat er tussen David en de ballingschap veertien geslachten liggen, is dus, strikt genomen, niet juist. Mattheüs wilde met dat getal veertien iets boodschappen (zie daarvoor mijn 'Bron en Norm', pg. 84-89), toegegeven, maar dat neemt niet weg dat hij die boodschap (waarschijnlijk bewust) betaalde met een historische onnauwkeurigheid.

7) In het lijdensverhaal van onze Here wordt, nadat voor het verradersloon van Judas een akker gekocht is, het profetenwoord van Zacharia 11 : 12, 13 aangehaald als een woord van Jeremia: "Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van de geschatte, die zij geschat hadden van de kinderen Israëls, en gaven die voor het land van de pottenbakker, gelijk de Here mij had opgedragen." Men kan bij dit niet geheel nauwkeurige citaat wel denken (en ook Mattheüs kan mogelijk gedacht hebben) aan de profeet Jeremia, die inderdaad over een pottenbakker (hfst. 18 en 19) en over een akker (hfst. 32) gesproken heeft, zelfs kan men wel in de aanhaling scherfjes van Jeremiawoorden terug vinden, maar het blijft toch als een paal boven water staan, dat naar de duidelijke zin en mening der woorden de profeet Zacharia en niet Jeremia is geciteerd.
We moeten spreken van een kleine vergissing.

Uit deze eenvoudige voorbeelden blijkt duidelijk dat we inderdaad aan de rand van de Schrift zitten, En al zijn er zeker voorbeelden te noemen die meer ingrijpend zijn (maar hoe dieper ingrijpend, hoe meer omstreden en boe minder onweerlegbaar dus!), we blijven ook daarmee aan de rand. Er loopt voor de boodschap van de bijbel geen bloed uit, zo min als dat 't geval was met de dorsende os uit 1 Cor. 9. Toch zijn ze bij elkaar voor ons een signaal, dat wij de leer van de Schrift niet helemaal 'rond' krijgen.
Waarom beklemtoon ik hier de woorden 'bij elkaar'? Omdat wij meestal dit soort dingetjes afzonderlijk tegen komen. De dominé houdt over een tekst, waarin zo'n oneffenheid voorkomt, een preek en praat met enige waarschijnlijkheid de moeilijkheid weg (als hij er al de vinger bij legt). Maar wanneer zo iets zeven keer achter elkaar gebeurt, vat ook de meest goed gelovige argwaan op. Daarom is het goed, eens een aantal van zulke gevallen opeen rijtje te zien.
Al is het geen plezierig werk; gezien de onvergelijkelijke rijkdom van de Schrift voel ik me er een ondankbare hond bij. Toch meen ik dat het gedaan moet worden.
Theologisch geschoolden lachen zich misschien wel een bult als ze dit lijstje lezen. "Wat een muggezifterij!" en "Die vent loopt twee eeuwen achter!" Nu, ik weet dat ik niet origineel ben. Toch sta ik zulke theologen vrijmoedig te woord.
De theologie namelijk moet zich schamen dat ze gedurende de achter ons liggende eeuw(en) op het gebied van de bijbelwetenschap weinig pastoraal met de gemeente omgesprongen is. Feiten, zoals ik die nu naar voren breng, werden vermengd met boude theorieën en ongefundeerde vermoedens gepubliceerd en dat op zo'n hautaine en oneerbiedige toon, dat het volk van God daar zeer terecht een hartgrondig nee! tegen liet horen. Zo verwijderden de theologie en de gemeente zich van elkaar. De theologie, vooral in haar bijbelwetenschap, werd steeds kritischer en de gemeente verstrakte zich steeds meer ineen onfeilbaarheidsfeer.
Waar was bij de theologen het geduld en de wil om controleerbaar te zijn? Vaak, als ik theorieën over de bijbel of een bijbelgedeelte lees, denk ik: een goed onderlegde catechisant zou ze kunnen weerleggen.
Maar men is al lang niet meer gewend aan de confrontatie met het onbevangen, niet-vakmatige, nuchtere verstand en blijft cirkelen in het kringetje waarin de bijbelkritische theorieën de lucht zijn waarin men ademt. Daarom riskeer ik het, door de vakgenoten uitgelachen te worden, als ik maar voor mijn catachisanten en gemeenteleden verstaanbaar en vertrouwbaar ben, ook wanneer ik spreek over oneffenheden in de Heilige Schrift.
Ze hebben recht op harde feiten al zijn ze nog zo klein en op solide argumentatie die nagerekend kan worden, want het gaat om de bijbel die evenzeer van hen is is van mij.

Maar wat is het nut van dit peuteren aan de rand? Wat weten wij eraan dat er in de Schrift kleine kleinigheden zijn die niet kloppen?
Neemt dat met een stuk zekerheid weg en, belangrijker vraag nog, is het in overeenstemming te brengen met de ernst van onze tijd? We hebben vandaag toch wel wat anders, wat belangrijkers te doen?
't Is waar, zowel religieus als sociaal lijkt het onbenullig wat ik schrijf. Er is echter één reden die het acceptabel maakt. Ik heb die in mijn vorige artikelen al genoemd, maar doe het nog eens. Ik zie de orthodoxie bedreigd door een oneigenlijk bijbelgebruik. Daarvan heb ik eerder voorbeelden genoemd, die ik achteraf niet zo gelukkig vind. Veroordeling van abortus, euthanasie, enz. Ik moet toch toegeven dat het niet onterecht is dat men voor zulke menselijke problemen z'n licht zoekt in de Schrift.
Ds Van der Kwast had wel gelijk toen hij in dit verband klaagde dat ik wel erg veel overhoop haalde.
Laat ik daarom duidelijker zeggen wat ik bedoel. Dingen als zondvloed-geologie, die heb ik op het oog. Het in elkaar schuiven dus van gegevens uit de bijbel en de natuurwetenschap om zo tot een gedetailleerde reconstructie van het oudste verleden van wereld en mensheid te komen. Of, naar voren toe, het gebruiken van de Openbaring van Johannes en andere profetische boeken om de menselijke nieuwsgierigheid naar de toekomst te bevredigen.
Dr Ouweneel heb ik voor een radio-uitzending van de E.O.
horen zeggen, dat voor hem de hfstt, 12-14 van de profetie van Zaoharia een draaiboek waren van de laatste dagen. Nota bene, ongeveer de moeilijkste hoofdstukken van heel de bijbel!
Dat zijn voor mij voorbeelden van oneigenlijk bijbel gebruik. Een christelijkheid die meent de hoofdzaken van de bijbel wel zo ongeveer in haar zak te hebben en zich nu wendt tot de details. Voor mij zijn de oneffenheden aan de rand van de Schrift een aanwijzing, een signaal, ja een waarschuwing dat we die kant niet op moeren. Zeker heb ook ik liefde tot het detail. Wie wel 'eens wat van mij gelezen heeft, weet dat. Maar dan voor het detail voorzover het in dienst staat van de grote lijn. Wij moeten met ons Schriftgebruik toch uitkomen bij de eenvoud van de hoofdzaak, zoals we die bijvoorbeeld vinden in Matth. 25: Ik ben hongerig geweest maar gij hebt Mij te eten gegeven ... Gemakkelijk wordt ons detaillisme een vlucht voor die hoofdzaak. Daarom heb ik in mijn eerdere artikelen over dit onderwerp ook gewezen op een tendens tot samenvatten, tot het formuleren van de hoofdzaak, in de Schrift zelf: "Hij heeft u bekend gemaakt, o mens ... " (Micha 6 : 8) en "Het eerste gebod is... en het tweede daaraan gelijk is ... " (Matth. 22: 34 v.v.) en Jezus' verwijt aan de farizeeërs, dat zij "het gewichtigste der wet verwaarloosden: het oordeel, de barmhartigheid en de trouw" (Mat~. 23 : 23).
De kleine oneffenheden aan de rand van de Schrift zijn voor mij een aanwijzing dat er aan die rand voor ons niet veel te halen valt.
We mogen er wel op studeren, maar niet te veel. En zeker mogen we willen de suggestie niet wekken dat als we maar ijverig studeren, eens alle moeilijkheden en moeilijkheidjes als sneeuw voor de zon verdwenen zullen zijn. Gevaarlijk vind ik dan ook een zin uit het artikel van ds Van der Kwast: "Met het verstaan van de Schrift zijn we nog maar aan het begin." Zo'n zin kaneen verkeerde nieuwsgierigheid voeden en kan aanleiding geven tot oneigenlijk bijbelgebruik.
En, om nu af te sluiten, misschien kan nu ook duidelijk zijn waarom ik deze dingen ter sprake heb gebracht in verband met de identiteit van onze kerken. Goed, je kunt daar een belachelijke kant mee op: onze kerken zijn kerken die bereid zijn om toe te geven dat er aan de rand van de bijbel kleine foutjes voorkomen. Inderdaad, wat is dat voor een identiteit? Maar je kunt ook zeggen (en dat is waar ik voor pleit): onze kerken wijzen geargumenteerd het fundamentalisme en de daarin meekomende Schriftovervraging af. Want het komt me voor dat er in de orthodoxe hoek meerdere kerken zijn die het fundamentalisme vrezen maar er toch geen verweer tegen hebben. Daarom gaat het hier wel degelijk om een stuk identiteit, waarmee we trouwens ook anderen van dienst kunnen zijn.
Korte omschrijving van mijn standpunt: van harte aanvaard ik hetgeen in art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis van de Heilige Schrift wordt gezegd: "Wij geloven, dat deze Heilige Schrift de wil Gods volkomen vervat, en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven.
om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt." Ook het woord 'onfeilbaar', zoals het dáár voorkomt (de Schrift als onfeilbare regel des geloofs), neem ik voor m'n rekening. Zelfs als er van daaruit in art. 4 van dezelfde N.G.B. beleden wordt dat er tegen de Schrift 'niets te zeggen valt', ga ik daarmee akkoord. Maar, zoals ds Van der Kwast terecht zegt, dat laatste belijden, over die onfeilbaarheid dus, "moet geen eigen leven gaan leiden." Gebeurt dat welen inderdaad is dat het geval dan staat de poort wijd open voor fundamentalisme, overvraging van de bijbel en oneigenlijk gebruik van de Heilige Schrift. Daarom zeg ik nee tegen het woord 'onfeilbaar' als globale typering van de Schrift, want in die zin waarin men dat dan bedoelt, is het niet waar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief