Oog voor elkaar
1980-08-08
- Jaargang 24
- nummer 29
Dit thema van de Ontmoetingsdag 1980 in Zutphen was met zijn toestemming ontleend aan een geschrift van prof. dr J. P. Versteeg uit Apeldoorn.
Onder deze titel volgt hier nu de toespraak, die prof. Versteeg gehouden heeft op deze dag.
Broeders en zusters, Ik wil graag beginnen te zeggen dat wij elkaar als Nederlands Gereformeerde Kerken en Christelijke Gereformeerde Kerken nodig hebben en niet buiten elkaar kunnen. Ik ben heel dankbaar dat juist in deze week te kunnen zeggen, nadat de afgelopen dinsdag op de kerknieuwspagina van het blad "Trouw" een grote kop stond met de woorden: Christelijke Gereformeerden niet tuk op kontakt met buitenverbanders.
Ik ben blij juist nu hier bij u te mogen zijn om te laten blij ken hoezeer zo'n kop mensen in de Christelijke Gereformeerde kerken verdriet doet. Je kunt er erg boos om worden. Dat bèn ik ook geworden.
Je kunt er ook verbaasd over zijn, dat dit zo met grote letters in een krant kan staan. Terwijl nota bene ook de synode van de Chr. Geref. Kerken officieel heeft besloten om bij de kerkeraden van die Chr. Geref. Kerken erop aan te dringen dat, waar maar mogelijk, met uw kerken kontakten in het geloof zullen worden begonnen en waar deze reeds zijn, deze moeten worden bewaard en versterkt. Dat is de juiste fijn, denk ik. Daar gaat het om. Daarom zijn we dankbaar dat u bij uw ontmoeting ook de Chr. Gereformeerden wil betrekken.
Want juist in dat wat we zelf zijn, in het eigene van ons als beide kerken ligt iets waarmee we elkaar kunnen dienen. Wat dat eigene is, zowel van de Chr. Gereformeerden als van de Ned. Gereformeerden, is, denk ik, bijzonder moeilijk helemaal op een formule te brengen.
Het is meer iets wat je alleen kunt benaderen. Maar als zodanig is er toch wel iets te zeggen. Ik denk dat er inderdaad toch wel iets karakteristieks te zeggen valt van beide kerkengroeperingen. En juist daarin hebben we elkaar nodig.
In dat verband word ik geholpen door het feit dat uit uw kring ds Amelink heel onlangs in een voortreffelijk artikel in Opbouw twee punten genoemd heeft die karakteristiek zijn voor de Christelijke Gereformeerden, waar zij u als Nederlands Gereformeerden mee zouden kunnen helpen. En ook omgekeerd noemde hij twee punten waarin u als Nederlands Gereformeerden de Christelijke Gereformeerden zou kunnen dienen.
Ds Amelink zegt dat, als je vraagt naar het eigene van de Chr. Geref. Kerken, naar hun identiteit, je zou kunnen zeggen dat zij meer oog hebben voor de ernst van de zonde.
Zij zullen het nooit vanzelfsprekend vinden om over het dellen in de genade te mogen spreken.
In de tweede plaats noemt ds Amelink als iets eigens van de Chr. Gereformeerden. dat zij de kunst verstaan "om de zaak bij elkaar te houden". In Chr. Geref. kring is misschien daarom meer besef van de noodzaak en ook van de rijkdom van een kerkelijk geordend leven.
Aan de andere kant noemt ds Amelink als die punten, waarin u als Ned. Gereformeerden ons mee zou kunnen dienen, vooral het meer oog hebben voor de vastheid van het verbond en de vastheid van de belofte. In verband daarmee ook het meer oog hebben voor het echte gemeente-zijn. En ik denk dat ds Amelink daarin inderdaad helemaal gelijk heeft.
Het tweede punt dat hij noemt waarin u als Ned. Geref. Kerken de Chr. Gereformeerden zou kunnen helpen, is het feit dat u meer oog hebt voor de grote lijn. Het zal bij u misschien minder makkelijk gebeuren dat over duidelijk ondergeschikte punten als een bepaalde berijming of vertaling (ik vond het overigens Ieuk over dlit punt toch iets te horen in de toespraak van dis Verleur) - bij u zal men daar waarschijnlijk toch minder drukte om maken dan in Chr. Geref. kring.
U zult ons kunnen helpen om meer attent te zijn op datgene, waarop het werkelijk aankomt i.p.v., op datgene, wat in het geheel van de roeping van de kerk van vandaag toch bijzonder ondergeschikt genoemd moet worden.
We hebben iets eigens: u als Ned. Gereformeerden en ook de Chr. Gereformeerden. Ik zei dat we daarmee elkaar moeten dienen. We kunnen nl. ook iets anders doen met dat eigene wat we bezitten, ook als kerken. We kunnen twee dingen doen, die we naar mijn overtuiging nooit mógen doen.
In de eerste plaats kunnen we ons achter dat eigene verschuilen, We kunnen dat eigene, die identiteit beschouwen als een bolwerk, waarachter wij ons terugtrekken. Waarachter we ons veilig voelen voor de ander. We kunnen het beschouwen als iets dat we als een onaantastbaar pand alleen zelf willen bewaren.
We gaan het eigene van ons kerkelijk leven dan koesteren. En zo komen we in ieder geval heel dicht bijeen kerkelijke zelfgenoegzaamheid en misschien zelfs wel bij een vals vertrouwen op dat, wat wij dan zien als het specifieke en eigene van ons kerkelijk leven.
In de tweede plaats - en dat is net zo verkeerd - kunnen we het eigene van ons kerkelijk leven, de identiteit van onze kerk proberen op te dringen aan de ander. Dan trekken we ons er niet mee terug in eigen kring. We gaan er inderdaad wel mee naar buiten. Maar in die zin dat we dat eigene proberen op te dringen aan de. ander. Het is in wezen precies dezelfde verabsolutering van dat, waar wij mogen kennen in het eigen kerkelijke leven.
En de ander mag zich dan alleen maar aanpassen aan wat wij zelf belangrijk vinden. Voor de ander is ook alleen maar in zoverre plaats als die dat kader, waarbinnen wij ons bewegen, wil overnemen.
Ook dat is een weg, die naar mijn diepe overtuiging in het kerkelijk gesprek tot niets leidt. Trouwens, met andere woorden kunt u ditzelfde toepassen op de verhoudingen binnen de eigen plaatselijke gemeente. Daar kan ook ieder zich achter het eigene verschuilen of men kan proberen het aan de ander op te dringen. Het ligt in de kerkelijke verhoudingen in het groot in wezen niet anders dan in de plaatselijke verhoudingen van een kerk in het klein. Noch het één, noch het ander mag het gevat zijn.
Als we echter één ding vandaag nodig hebben dan is het een derde mogelijkheid, die we kunnen aangrijpen: dat we met onze eigen identiteit de ander dienen en zo echt oog hebben voor elkaar. Want we moeten niet vergeten dat de rijkdom van het eigene in het kerkelijk leven tegelijk ook de eenzijdigheid is in het kerkelijk Ieven.
Niet genoeg kunt u als Ned. Gereformeerden ons wijzen op de vastheid van de beloften en van het verbond en daarin op de noodzaak van de beleving van het echte gemeente-zijn. Niet genoeg kunt u ons wijzen op het feit, dat het om meer dingen gaat dan om die vragen waar toch heel veel diskussies in Chr. Geref. kring over gaan, over ook in liturgisch opzicht bepaald ondergeschikte dingen.
Misschien dat wij ook van onze kant u een dienst kunnen bewijzen door u voor te houden de ernst van de zonde en voortvloeiend daaruit het feit, dat bekering in een mensenleven echt een overgang is tot een werkelijk nieuw leven.
En misschien dat wij ook iets kunnen laten zien van het feit, dat je toch ook met heel veel verschillen echt kerk kunt zijn binnen één kerkverband en daar èn de moeite èn toch ook de rijkdom van mag beleven.
In de krant van deze week stond de kop dat Chr. Gereformeerden niet tuk zouden zijn op kontakten met Ned. Gereformeerden. Is dát de kwestie? Gaat het dáár kerkelijk om, waar wij tuk op zijn? Als dát doorslaggevend wordt in het Koninkrijk van God, wat is dan de zaak van Jezus? Het Koninkrijk van Jezus vraagt niet waar wij tuk op zijn, wat wij ambiëren of appreciëren.
Ook daarin hebben we ons kerkelijk vlees te kruisigen. Gaat het daarom of wij tuk zijn op kontakten met elkaar? Waar het om gaat dat staat hier voor me in dat prachtige symbool, waar ik nu achter mag staan: Jezus' Naam en daar onder twee handen in elkaar, d.w.z. handen die elkaar vasthouden. die elkaar dienen. Er zijn echt wel verschillen. We hebben ook kerkelijk iets eigens. Maar laten onze handen elkaar mogen vinden op deze wijze onder en in de Naam van Jezus. Niet waar wij tuk op zijn is bepalend. Maar wat Jezus' Naam ons zegt, dát is bepalend.
Ook voor de eenheid, die we mogen zoeken op alle wijzen met elkaar.
Ik dank u heel hartelijk voor de mogelijkheid om dat ook hier op uw Ontmoetingsdag vanmorgen te mogen zeggen.
Te zingen op de wijs van Lied 109.
1. Laten wij elkaar verdragen
zoals Christus ons verdroeg;
laten wil elkaar behagen
zoals Christus naar ons vroeg.
Laten wij ook eensgezind zijn
naar het voorbeeld van de Heer,
brengen wij die zo bemind zijn
uit één mond de Vader eer!
2. Laten wij elkaar aanvaarden,
Christus heeft ons ook aanvaard,
eer zij God op deze aarde,
Hij is onze hulde waard!
Heidenen gaan Hem vereren
wegens zijn barmhartigheid,
Jezus Christus zal regeren
in de nieuwe wereldtijd.
3. God der hope, geef ons vreugde!
God der vreugde, geef geloof!
God die geeft geloof, geef vrede!
God van vrede, geef ons hoop.
Wil ons met geloof vervullen,
doe ons uitzien naar uw feest,
wil ons in de liefde hullen
door de kracht van heilige Geest
Tekst: Koos Veefkind naar Rom. 15 : 7-13