Onderweg aangesproken

1980-08-22
  • Jaargang 24
  • nummer 31
De gelovigen worden door de schrijver van de Hebreeën aangesproken op hun tocht door deze wereld. Onderweg aangesproken. Uit het woord van de profeet Jesaja, dat de schrijver aanhaalt, krijgen we een beeld van de situatie waarin deze gelovigen zich bevinden. En dat is een weinig bemoedigend beeld. Een futloze houding, heel treffend beschreven met het beeld van de slaphangende armen en de benen waarop je niet meer kunt staan.
Wat mankeert er eigenlijk aan? Waar komt deze moedeloze houding vandaan? Ik denk, dat deze Hebreeën het doel uit het oog zijn verloren. Dat de vele vragen en ook de konfrontatie met de synagoge hen onzeker gemaakt hebben. Dat ze zich daardoor ook teveel met de details hebben beziggehouden i.p.v. met de hoofdlijnen. En dat ze zodoende het spoort wat bijster zijn geraakt.

De duidelijke aansporing die de schrijver hen geeft, is: "maakt een recht spoor met uw voeten ... " Zet een recht pad uit. Maak er een duidelijk afgebakende, overzichtelijke weg van. Ze moeten recht op het doel afgaan en zich niet verliezen op zijwegen. Zodat ook het kreupele, dat zijn in de gemeente de eersten die afhaken, weer mee kan komen.
Is dit niet een vingerwijzing naar de verkondiging? Dat het de taak is van de verkondigers om het doel duidelijk aan te geven. Want waar het doel in de prediking vervaagt, daar raakt de gemeente het spoor bijster.
Ik denk, dat de gemeente behoedt wordt voor moedeloosheid, wanneer in de verkondiging duidelijk gemaakt wordt waar het in de blijde boodschap om gaat. Wat het doel is, waar de weg heenleidt. Of, zoals de apostel dat ergens zegt in één van zijn brieven: "wij prediken een gekruisigde Christus ... de kracht Gods en de wijheid Gods." Dat is het evangelie dat de gemeente voor ogen moet houden.
Dat deed ook de schrijver aan de Hebreeën in het begin van dit hoofdstuk: "Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van het geloof."
Hij moet door de voorgangers de gemeente voor ogen geschilderd worden. Zo maak je rechte paden, zo is er ook genezing voor het kreupele, de achterblijvers, die het al helemaal niet meer zagen zitten. Tussen haakjes, let u er maar eens op wie er allemaal afhaken, wanneer de kerk zich verliest op zijwegen, wanneer kerkelijke konflikten zich toespitsen op minder belangrijke zaken!
Dat is dus het eerste, waarop de schrijver deze gelovigen onderweg aanspreekt. Duidelijkheid in de verkondiging.
Maar er is nog een punt, dat ik zou willen benadrukken.
En dat is de pastorale zorg in de gemeente. Vers 15: "Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods."
Verachteren, dat gebeurt, wanneer jij stil blijft staan en de rest trekt verder. Wie achterblijft, en je kunt datheel mooi zien in de wielersport, wie het kontakt kwijtraakt met het grote peloton, raakt steeds verder achterop.
Dat is in de gemeente ook zo. Wie zijn geloofsleven op een laag pitje zet, er maar weinig aan doet (zoals dat heet), die blijft steeds verder achter, die verdwijnt langzaam maar zeker ook uit de invloedssfeer van Gods genade.
Daar zit dus iets in van een wisselwerking. Je doet er nog weinig aan, het gebedsleven gaat kwijnen, de kerkgang taant, het bijbellezen blijft achterwege, en dan zie je ook het omgekeerde gebeuren, dat Gods genade steeds minder zichtbaar wordt in je leven. De genade krijgt steeds minder ruimte om openbaar te worden in je leven.

En dan zegt de Bijbel niet: laat zo iemand nu maar aan zijn lot over. Als hij er de kantjes bij af wil lopen, dan moet hij dat zelf maar weten. Nee, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief: "ziet toe dat niemand verachtere van de genade Gods ... "
Hoe doe je dat, zo toe te zien op elkaar? Wel, dan gebruik ik nog 'es dat beeld van die wielrenner, die gelost wordt uit het grote peloton. Wanneer een renner het niet meer kan bijbenen, dan zijn er altijd een paar ploeggenoten, die zich uit het peloton laten terugzakken naar die achterblijver toe. Ze peppen hem op en trekken hem met elkaar weer naar het peloton toe. Ze geven daarbij voor hem het tempo aan.
Zou dat in de gemeente ook niet moeten gebeuren? Wanneer er iemand is die afzakt, moedeloos is geworden, dat er dan gemeenteleden zijn, die zich bij wijze van spreken laten terugvallen naar de zwakke toe. Naast hem gaan staan, hem bemoedigen, stimuleren.
Zo kunnen achterblijvers meegetrokken worden met de gemeente, de Here Jezus tegemoet, die wederkomt op de wolken des hemels.
Dat is nu ook de vreugde van het samen gemeente mogen zijn. Dat de moedeloosheid, die ook onder ons nogal eens gevonden wordt, vanwege kerkelijke verschillen en problemen waarmee we gekonfronteerd worden, overwonnen wordt, doordat we elkaar de goede weg wijzen, waarbij ons oog gericht is op Jezus Christus, de leidsman en voleinder van het geloof. En dat we op elkaar toezien, dat niemand achterblijft, maar dat we samen met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt. Ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, sterken en zwakken, broeders en zusters in Jezus Christus, onze Heer!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief