De G.O.S. en de homofilie (2 . slot)
1980-08-22
Maar de homofiel zoals ik die du beschrijf en in de preek bedoelde, bestaat die eigenlijk nog wel? Hij is zeker niet gangbaar. Het is met de homofilie in Nederland sinds die preek (hoewel, ook daarvoor was dat al gaande) een kant uitgegaan, die mij met afschuw vervult. Triomfaal om niet te zeggen: brutaal is en wordt de homofilie als een nieuw veld van avontuur ontsloten. Iemand zou mij kunnen tegenwerpen dat zo de homofilie niet geïsoleerd kan worden van het geheel der zedelijke ontwikkeling in ons land; is niet de sexuele perversie in de hetero-sexuele sfeer even afstotend?- Jaargang 24
- nummer 31
Zeker, maar toch proef ik in het homosexuele gedrijf een aparte vijandschap tegen God de Schepper.
De revolutionaire gelijkmakingsdrift die de hele samenleving doortrekt botst op tegen de oerverscheidenheid die God in zijn schepping gelegd heeft: "En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen" (Gen. 1 : 27) - en zegt: "wij willen niet naar dat beeld van God geschapen zijn en naar dat beeld van God leven en daarom willen we de verscheidenheid van het 'mannelijk'-'vrouwelijk' die wij daarvoor nodig hebben, ook niet meer". Zo wordt voor mij ook duidelijk - wat me in de preek nog min of meer een onopgeloste moeilijkheid leek dat dit kwaad volgens Paulus in Romeinen 1 bij de vrouwen z'n uitgangspunt neemt. Inderdaad is de egaliteitsdrift in de vrouwenbewegingen het sterkst. En een van de belangrijkste uitdrukkingsmiddelen van die totale gelijkheid tussen mannen en vrouwen die men voorstaat is de homofilie als keuzemogelijkheid naast de gewone sexualiteit.
Als ik nu nog eens over Romeinen 1 : 24-32 zou preken, dan zou ik op deze dingen veel meer de nadruk leggen dan ik toen deed.
De ontwikkeling sindsdien overziende zeg ik: er zat in die preek nog teveel triomfalisme - totaal in strijd met het uitgangspunt dat ik koos. Daardoor heb ik er zelf aanleiding toe gegeven dat deze preek ook wel misbruikt is. Al heeft ze door Gods genade ook zegen verspreid.
Eigenlijk voel ik me met mijn benadering van het verschijnsel dicht in de buurt van prof. dr J. Douma met zijn boek over homofilie (Homofilie, in de serie: Ethisch Kommentaar, A'dam 1973). Het is waar, ik ga op 'n bepaald punt verder.
De onderscheiding die hij maakt tussen homofiele aanleg en homosexueel gedrag, gaat mij minder gemakkelijk af dan hem. Als je eenmaal, zoals ik doe, de homofilie een deviant, een afwijking noemt en vervolgens de buitengewoon sterke krachten probeert te meten die in deze afwijking werkzaam zijn, dan ontkom je er niet aan de uitingen van deze aanleg als soms bijna noodzakelijk te zien en ze meer medisch dan juridisch te benaderen.
Maar de deernis waarmee Douma zijn boek geschreven heeft, doet goed en is evangelisch.
Maar wij zouden bijna vergeten dat wij het over de G.O.S. beslissing inzake homofilie hadden. Gereformeerden uit alle delen van de wereld zijn bijeengekomen en zijn ten aanzien van dit probleem hard op elkaar gebotst, of liever, in een tamelijk grote eenstemmigheid zijn ze samen op een van de nederlandse delegaties afgevlogen. Hoewel er ook andere nederlandse gereformeerde kerken waren, die zich in het ingenomen standpunt kunnen vinden, heb ik de neiging om de vraag te stenen of de kerken in de G.O.S. wel voldoende bedacht hebben, in wat voor samenleving wij hier in Nederland leven en waarmee vooral de grote gereformeerde kerk te maken heeft. Ik wil niet de weg inslaan van de kommentator Aldert Schipper in Trouw, die met een niet te miskennen laatdunkendheid en neerbuigendheid de gereformeerde zusterkerken in de wereld afschilderde als 'nog niet zover', in vergelijking met de synodale kerken die bezig zijn voor haar aankomende zusjes het spit af te bijten. Nee, ik geloof dat er geen enkele reden is voor trots op dit punt.
Maar dat neemt niet weg dat dit verschil van samenleving recht heeft op nadere beschouwing. We hebben via de krant een Nigeriaanse afgevaardigde horen zeggen dat er in zijn land geen homofielen waren en dat de enige die er was, in de gevangenis zat. Dergelijke toestanden zullen in meer landen heersen.
Wij zijn dus hier te lande nogal opvallend tolerant, ook ten aanzien van andere minderheden. Onlangs zag ik een engels televisie-stuk 'De liefde van Donal en Sally', over een sexuele relatie in een zwakzinnigeninrichting.
Het was een eerlijk stuk dat echt een probleem voor je neerzette, zonder dat je een voorgekookt standpunt werd opgedrongen.
Mensen die tegen die heel teer uitgebeelde relatie gekant waren, werden zo voorgespeeld dat je tot het eind toe sympathie voor ze kon opbrengen (hoewel niet voor allen), zodat ook hun gevoelens en argumenten een kans bij je kregen. Ik denk dat als dit stuk in Nederland gemaakt was (waar men op dit gebied veel verder gaat dan in het stuk), er veel meer met zwart-wit gewerkt zou zijn: aan de ene kant pummels en harken die er 'teugen' durven te zijn en aan de andere zijde een en al verlichte tolerantie die zich belangeloos inzet voor het recht op geluk dat ieder toch heeft.
Zouden wij voldoende door hebben, denk ik wel eens, dat wij voor onze hooggeroemde verdraagzaamheid een forse prijs betalen? Deze prijs dat er bij ons nauwelijks nog van een kollektief besef van een kollektief belang sprake is. Het 'wij' ontvalt ons en ligt in 'ikken' op de grond. Wij zijn geen volk meer, maar een toevallig samenzijn van individuen, die ieder recht hebben op eigen ontplooiing en geluk. Of je nu een ander er mee in moeite brengt doordat je topless over het strand loopt, wat dondert dat? (ik druk me expres wat luchtig uit). Of je nu je buren uit hun slaap houdt met de zware bassen van je stereo-installatie, wat kan dat schelen?
Of je je nu onttrekt aan de landsverdediging - wat is dat voor idioots, làndsverdediging? Wij kennen alleen maar het recht op zèlfverdediging!
Of naar het stadhuis gaan om te trouwen? Wie heeft die bemoeizucht uitgevonden?
Wij zijn een samenleving in ontbinding.
In onze dagen is er geen samenbindend ideaal meer in 'Israël'; een ieder doet wat goed is in zijn ogen. Dit betekent dat het vechten voor de rechten van minderheden, hoezeer dat voort kan komen uit nobele motieven, tegelijk een verdachte wortel kan hebben, die we bij onszelf misschien niet eens onderkennen.
Dat we daarin namelijk tegelijk vechten voor ons eigen belang, om zelf in vergelijkbare omstandigheden ons recht op persoonlijk; geluk dwars tegen de samenleving in te kunnen doorzetten.
In zo'n samenleving verkeren de kerken in Nederland. Kerken waarin sinds Jaar en dag het pastoraat de boventoon voert (de predikant werd pastor, van gemeentelijk werd hij persoonlijk); kerken ook, waarin sedert lang de prediking het profetische en koninklijke karakter verloren heeft en alleen nog maar priesterlijk is. Daardoor spelen deze kerken, waarschijnlijk onbewust, in op de afbraak van de kollektiviteit in de samenleving. De kerken staan als een EHBO-ploeg aan de rand van het sportveld. Zij spelen de wedstrijd niet meer mee, maar volstaan met het opvangen en verzorgen van de uitvallers. Waar is in dit land de christelijke kerk als hoedster van de publieke zede?
Bedoel ik dit allemaal als een tegen onszelf gericht requisitoir? Ach nee, niet alles. Ik vraag begrip voor onze nederlandse situatie, die inderdaad in de grootste van de gereformeerde kerken hier te lande 't meest voelbaar is. Ik vraag begrip voor een situatie die ook wij te goeder trouw hebben laten ontstaan.
Of was het soms niet iets moois, die aandacht voor minderheden en dat pastoraat voor de enkeling? Is Christus zelf ons daarin niet voorgegaan?
Toch worden nu de schades van onze eenzijdigheid openbaar.
Maar om billijk te blijven: andere samenlevingen met een sterker 'wij'-besef (met welk ideaal of welke ideologie dan ook gevuld) houden lastige minderheden ten onder en vragen van enkelingen met hun problemen het zware offer van de zelfverloochening. Of, sterker, men is het zich niet bewust wat men van hen vraagt. Is dat soms niét eenzijdig? Wie leert ons hierin toch het goede evenwicht?
Zoals de zuidafrikaanse kerken niet gebaat zijn bij onze veroordeling, maar veel meer bij onze hulp in een probleem, dat vaak veel te vooringenomen wordt benaderd (en o! die rekening, als wij zelf straks in een multiraciaal Nederland minderheid zullen geworden zijn!), zo vragen wij onze buitenlandse zusterkerken niet om een vonnis.
En zeker niet om een vonnis over mensen die toch altijd al als eersten voor de bijl gingen! Maar wij vragen om hun hulp. Laten zij onze situatie vergelijken met de hunne.
Laten zij scherpe analyses maken.
Laten zij ons blijven herinneren aan Gods geboden. En laten ze ook goed luisteren naar wat wij zeggen dat God óók wil. Het is zeker waar dat wij hier gevaar lopen af te stompen in onze morele oordeelsvorming. Daarom ben ik ook niet boos om hun scherpe woorden. "Slaat een rechtvaardige mij, het is liefde, kastijdt hij mij, het is olie voor mijn hoofd, die mijn hoofd niet zal weigeren", ps. 141 : 5. Ik kan me wel voorstellen dat men met zorg en verontwaardiging onze kant uit kijkt. Zeker als men hier een hooghartige toon aanslaat.
Maar laat men elders in de wereld (en trouwens hier ook nog wel) bereid zijn over het probleem zelf nog wat dieper en breder na te denken dan tot nu toe lijkt gedaan te zijn.