Op gespannen voet leven ...
1980-08-29
Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dàt doe ik.- Jaargang 24
- nummer 32
Rom. 7: 19
Je merkt in sommige christelijke kringen, waar de volwassen doop de enige en echte doop geacht wordt, een nogal optimistisch mensbeeld op. Tenminste als die mens wedergeboren is. Dan kan er ook eigenlijk geen sprake meer zijn van zonde. De verkeerde dingen, die gedaan worden, worden ook meer fout dan zondig genoemd.
Ik vermoed, dat dit mensbeeld samenhangt met de betekenis die men aan de doop geeft. De doop is allereerst de belijdende daad van degene die gedoopt wordt, waardoor de inhoud van de doop (de beloften die God geeft) meer naar de achtergrond verdwijnt. De subjectieve beleving is belangrijker dan het objektieve feit.
Wie zich uit volle overtuiging laat dopen (en in deze kringen is dat vaak overdopen), met hem kan het eigenlijk niet meer fout gaan. De wedergeboorte is een zekere zaak geworden.
"Ik ben onlosmakelijk verbonden met mijn Heer", zei een jongen tegen me, toen we over deze dingen in gesprek raakten. Ik moest dat wel beamen, tenminste in zoverre deze band in stand gehouden wordt door mijn hemelse Vader. In Hem heb ik een groot vertrouwen. Aan Hem zal het niet liggen. Hij zal mij wel vast houden. Maar als ik naar mijzelf kijk, zeg ik: ik ben blij dat het niet van mij moet afhangen.
Op dat moment schoot mij dat gedeelte uit Rom. 7 door het hoofd, waar Paulus op zo'n treffende wijze een typering geeft van de mens. De mens, die Christus heeft leren kennen.
Wat Paulus hier zegt in vs. 19 (zie boven), had niet raker geformuleerd kunnen worden. Want dat is nou juist het probleem, waar we allemaal mee te maken hebben. Dat ik juist die dingen doe, die ik, Christus kennende, niét doen wil. En dat kan je wel eens ontmoedigen.
Komt er dan werkelijk helemaal niets goeds meer uit mijn handen, zelfs niet, nu ik Christus heb leren kennen? Je wilt die zonde niet, maar het lijkt wel of niet ik de baas ben over mijn wil, maar de boze, die steeds weer toeslaat in mijn leven.
Laten we eens zien, hoe Paulus het leven van een mens uittekent. Welk mensbeeld heeft Paulus, Als ik het wel heb, ziet Paulus een binnenkant aan een mensenleven en een buitenkant. Letterlijk zegt hij het in vs. 22 en 23 zo: "want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is."
Het gaat om die éne mens. De mens, die door het geloof niets liever doen wil dan te leven naar de wet der zonde, die een dwingende macht uitoefent in mijn leven.
Zo wordt het leven van een mens uit elkaar gescheurd. Zo is een mens vaak innerlijk verdeeld.
Is er ook een uitweg uit deze verscheurdheid? Of moet je daar nou maar in berusten. Wat ook vaak gebeurd is. Het is goed om dan verder te lezen in Rom. 8, het hoofdstuk waar boven staat: het leven door de Geest. Vandaaruit kunnen de lijnen doorgetrokken worden. Het is ook belangrijk om te bedenken, dat elk mens een centrum heeft, vanwaaruit zijn leven geleid wordt. Het hart! Waaruit, zegt de Spreukendichter, de oorsprongen des levens zijn.
Om een beeld te gebruiken, via dit centrum is de mens aangesloten op het hoogspanningsnet van de Heilige Geest. De Heilige Geest is de grote krachtcentrale en het hart is dan het transformatorhuisje, waar de hoogspanning van de krachtcentrale wordt omgezet in een laagspanning, waardoor ons hele leven onder spanning komt te staan van de Heilige Geest. (Of het technisch ook zo in elkaar zit, weet ik niet.) Wanneer ons hart zo de Here toebehoort - denk ook aan het woord uit de Spreuken: "Mijn zoon geef Mij je hart" - dan komt er ook eenheid in ons leven. Een duidelijkheid, en een grotere gerichtheid op de wet van God.
Als dat niet het geval is, als de mens geen eenheid brengt in zijn leven, als zijn hart niet het centrum is, vanwaaruit zijn leven geleid wordt, dan valt zijn leven uit elkaar, dan raak je als mens gedesoriënteerd. Dan wordt het een chaos in je leven en krijgt ook de boze een steeds grotere kans om greep op je leven te krijgen.
Als de uitgangen van het hart verstopt raken, ga je als mens steeds meer leven naar je zintuigen. Dan is het niet meer de Geest, die je leven leidt, maar het vlees met z'n hartstochten. En wat voor mens daar uit te voorschijn komt, laat zich gemakkelijk raden.
Daarom moet je er ook op bedacht zijn dat het in je leven gaat om de strijd tussen Geest en vlees. En de Geest wint het, wanneer je hart op de goede plaats zit, zich opent voor de Here.
Van deze strijd tussen Geest en vlees getuigt onze Here Jezus zelf ook in de bergrede, wanneer Hij naar aanleiding van de echtbreuk zegt: "Indien uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. En indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle vare."
Natuurlijk is dit door de Here Jezus niet letterlijk bedoeld, al is het voor de duidelijkheid wel eens goed om je zulke dingen letterlijk voor te stellen. Maar het gaat hier om de radikaliteit van het evangelie. Het gaat er om dat je moet leren strijden tegen die dingen, die de Geest in de weg staan, Die het mens-zijn als geestelijk mens blokkeren.
In deze zin moet je je zelf verminken, d.w.z. strijden tegen je zintuigen, wanneer ze gaan opspelen. En dat ligt voor ieder mens weer anders.
Het vlees biedt de duivel zo veel mogelijkheden om ons in ons mens-zijn te treffen.
De één zal zich in dit opzicht moeten ontzien, de ander zal zich op dàt punt in acht moeten nemen om de duivel geen kans te geven.
Je merkt dat wij, zolang we in het vlees zijn, niet in volkomenheid, in onbevangenheid onze weg kunnen gaan.
Maar we zullen op bepaalde punten moeten afzien. We zullen moeten wegsnijden, wanneer er dingen zijn, die een geestelijke groei in de weg staan.
Dat is beslist geen eenvoudige opgave, laten we daarin ons zelf toch goed leren kennen.
Aan de éne kant is er deze ervaring: Ik wil zo graag die volkomen verlossing ervaren in mijn leven. Niet meer geplaagd worden door de zonde, niet meer heen en weer geslingerd worden, vanwege het vlees dat strijd voert tegen de Geest. Aan de andere kant merk ik dagelijks, dat ik gehele lichaam ter helle vare."
Natuurlijk is dit door de Here Jezus niet letterlijk bedoeld, al is het voor de duidelijkheid wel eens goed om je zulke dingen letterlijk voor te stellen. Maar het gaat hier om de radikaliteit van het evangelie. Het gaat er om dat je moet leren strijden tegen die dingen, die de Geest in de weg staan, Die het mens-zijn als geestelijk mens blokkeren.
In deze zin moet je je zelf verminken, d.w.z. strijden tegen je zintuigen, wanneer ze gaan opspelen. En dat ligt voor ieder mens weer anders.
Het vlees biedt de duivel zo veel mogelijkheden om ons in ons mens-zijn te treffen.
De één zal zich in dit opzicht moeten ontzien, de ander zal zich op dàt punt in acht moeten nemen om de duivel geen kans te geven.
Je merkt dat wij, zolang we in het vlees zijn, niet in volkomenheid, in onbevangenheid onze weg kunnen gaan.
Maar we zullen op bepaalde punten moeten afzien. We zullen moeten wegsnijden, wanneer er dingen zijn, die een geestelijke groei in de weg staan.
Dat is beslist geen eenvoudige opgave, laten we daarin ons zelf toch goed leren kennen.
Aan de éne kant is er deze ervaring: Ik wil zo graag die volkomen verlossing ervaren in mijn leven. Niet meer geplaagd worden door de zonde, niet meer heen en weer geslingerd worden, vanwege het vlees dat strijd voert tegen de Geest. Aan de andere kant merk ik dagelijks, dat ik met mijn vlees dienstbaar ben aan de wet der zonde.
Toch heb ik de goede weg mogen inslaan, want met mijn verstand oriënteer ik mij op de wet van God. En dat is een goede weg. Mijn hart geeft goede leiding, omdat ik mijn Verlosser, mijn Heiland, heb leren kennen.
En laten we in deze geestelijke strijd toch veel bidden.
Bidden tot God, dat Hij het vlees toesluit om er geest voor in de plaats te geven.
Om op het begin terug te komen; dit alles sprak mijn jonge broeder toch niet zo aan.
De dagelijkse bekering kwam, denk ik, voor zijn gevoel te veel op een te gespannen voet te staan met het moment waarop hij zijn jawoord aan de Here geeft en zich laat overdopen. Voor het. procesmatige dat de bekering (mijns inziens) in zich sluit, had hij weinig oog (of kon hij er het geduld niet voor opbrengen?) De dagelijkse bekering was voor hem misschien toch een te gewone zaak. Maar, als ik de apostel Paulus goed heb begrepen, dan is die ook heel alledaags!