Jeruzalem en de christelijke politiek
1980-08-29
Toen verleden week de rabbijnen aan de christelijke kerken vroegen om op zondag, 24 augustus, in de, erediensten bijzondere en religieuze aandacht te schenken aan Jeruzalem, brachten ze mij in een niet geringe verlegenheid. Wie zou aan zo'n verzoek uit sympathie geen gevolg willen geven? Mijn verlegenheid werd niet weggenomen door de E.O.-radio, die mij op vrijdagmorgen j.l. adviseerde om voor dat doel maar eens over psalm 122 te preken: Jeruzalem dat ik bemin. - Jaargang 24
- nummer 32
De laatste tijd toch al bezig met de grote verwarring onder de christenen rondom de verhouding tussen godsdienst en politiek, dacht ik: nu dit ook nog!
Want, eigenaardig: christenen die overigens maar al te bereid zijn godsdienst en politiek geheel gescheiden te houden, slaan juist ten aanzien van Israël totaal naar het tegenovergestelde standpunt door.
Terwijl christenen die anders nogal politiek geëngageerd zijn, voor Israël als religieus-politieke issue met geen stok (meer) in beweging te krijgen zijn. Met Israël erbij is de verwarring dus wel volkomen.
Toch is het, om op dit gebied tot grotere helderheid van denken te komen, goed om van Israël uit te gaan. Wie ten aanzien van Jeruzalem de zaken zuiver stelt, heeft een goede ingang gevonden tot het geheel van deze problematiek. In deze zin is het huidige Jeruzalem inderdaad nog een steen die alle naties moeten heffen (Zach. 12 : 3).
Voor mij is Jeruzalem geen heilige stad. Wel een stad die door de herinnering geheiligd is, maar dat is iets
anders. Heilige stad, dat is een politieke grootheid met een religieus plus, - of nee, dat zeg ik eigenlijk niet goed, een heilige stad is een mengelmoesje van religie en politiek.
Zoiets heeft vroeger bestaan, en vroeger is vroeger, maar voor onze tijd met z'n bonte verscheidenheid van levensvormen en z'n pluriforme samenleving moeten wij zielsblij zijn dat dat voorbij is. De bijbel heeft daar op tijd een einde aan gemaakt. Dat is gebeurd toen de eerste christenen in Jeruzalem hun akkers, dat wil zeggen: hun grafakkers, hun heilige grond waarin zij begraven hoopten te worden, te gelde gingen maken en de opbrengst ervan gingen gebruiken voor liefdadigheidsdoeleinden.
Deze christenen uit de Joden deden toen het omgekeerde van wat ooit Abraham gedaan had na het overlijden van Sarah.
Die kocht van de zonen Heths een grafakker en dat was het begin van het heilige land. In het boek Handelingen zie je onder de eerste christenen de Heilige-land-gedachte uitsterven. Niet langer is voor hen het heil verbonden aan enige bijzondere plaats op aarde. Het heil is 'in Christus' en Christus is in het Jeruzalem dat boven is. Van boven verwachten wij Hem en dat mag op welke plaats ter wereld ook even sterk gebeuren. Ik zeg niet dat deze opvatting de hele kerkgeschiedenis door in gelijke kracht geleefd heeft onder de christenen. Bepaald niet, als ik bijvoorbeeld maar even denk aan de kruistochten. (Al dachten de kruisvaarders in de Middeleeuwen over het land Israël toch zuiverder dan de chiliasten van vandaag! ).
Maar ik zeg wel dat de Heilige Geest ons blijkbaar in deze richting stuurt en wij moeten in alle tijden ons best doen om deze lijn te grijpen en vast te houden.
Dit alles betekent dat godsdienst en politiek juist door christenen goed uit elkaar gehouden moeten worden, zowel als het gaat om Israël als wanneer het eigen land in geding is. Hebben die twee dan niets met elkaar te maken, godsdienst en politiek?
Natuurlijk wel! Ze hangen ten nauwste samen, maar ze vallen niet samen. Nooit! Wanneer een christen het politieke veld betreedt, moet hij de grootste terughoudendheid betrachten. (Alleen alom dat te leren is christelijke partijvorming nodig! ) Waarom terughoudendheid?
Omdat hij van Godswege een gedrevene is. Hem zitten heel bijzondere dingen hoog. Dat Gods naam wordt geheiligd, dat Gods Koninkrijk komt en dat Gods wil geschiedt.
Het gevaar bestaat nu dat hij deze belangen, waarvoor een· hartsverandering nodig is om ze van binnenuit en ten diepste te beamen, met politieke middelen gaat trachten te realiseren. Met macht dus, met de macht van de helft-plus-één in een demokratie, en dat wil zeggen: buiten de gelovige instemming van zijn medeburgers om. Dat mag niet. Het is trouwens op de duur ook onmogelijk.
Daarom moet een christen die zich in de politiek. begeeft, zich terugtrekken op die waarden die hem, ten eerste, door Gods Woord geleerd worden. maar die, ten tweede, ook buiten het geloof om door zijn medeburgers beaamd (kunnen) worden.
Dat komt dus neer op de waarden van de algemene zedewet, zoals: betrouwbaarheid, waarheid, eerbaarheid, eerbied voor het leven, eerlijkheid, billijkheid, persoonlijke en strukturele rechtvaardigheid en de bereidheid om groepsbelangen ten achter te stellen bij het algemene belang. Het specifiek christelijke in het behartigen van deze belangen zal dan moeten bestaan in het duidelijke en publieke noemen en aanroepen van Gods Naam als. garant van deze waarden. Ik denk hierbij met name aan het gebruik van de eed.
Jammer vind ik het in dit verband dat dr A. A. Spijkerboer in het jongste nummer van Kerk en Theologie (XXXI, 3, juli 1980) de eed (door de leden van de Staten-Generaal bij de inhuldiging van koningin Beatrix) afwijst onder het argument: "De Schrift was niet gelezen, er was niet gepreekt, het Credo was niet gezongen, en je kon er dus eigenlijk geen idee van hebben over wie het ging. Verder: 'Zo waarlijk helpe mij God almachtig' is een zelfvervloeking voor het geval je je eed breekt, en wie weet dat nog? Wat voor zin heeft het een eed af te leggen die geen mens meer begrijpt?" Dit is een typisch Barthiaanse redenering.
Bij Karl Barth is er buiten het christelijk geloof om geen besef van God.
In zoverre dat besef er wèl is, betreft het afgoden. Bij Barth is de christelijke gemeente niet, zoals in de bijbel, gesteld in een wereld, waarin een zekere godvrezendheid, een wat onbestemd rekening houden met God, er doorgaans voor zorgt dat bepaalde humane waarden worden hoog gehouden (Gen. 20: 11; Gen. 42: 18; Deutr. 25: 18; Luk.
18 : 2). Hoewel ik onder het gezichtspunt van de eeuwigheid niet hoog van deze werkelijkheid zou durven opgeven, is zij niettemin de vooronderstelling van alle christelijke politiek - die Barth dan ook niet kent. Het christelijke in de politiek bestaat namelijk vooral hieruit dat ter versteviging van deze humane waarden hun religieuze verworteling genoemd en beklemtoond wordt, door woord en daad. De eed is daarbij een wezenlijk middel. Karl Barth maakt dat onmogelijk door de vraag op te werpen: over welke God gaat het in die godvrezendheid buiten de gemeente? Maar in de bijbel is dat geen vraag; het is het rest-besef omtrent de God en Vader van onze Here Jezus Christus, dezelfde als 'de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft', zoals Jona tot heidense zeelui zegt (Jona 1: 9). En zeker in onze kultuur hoeven we niet bang te zijn voor misverstand of onbegrip als wij het woordje g-o-d gebruiken.
Het besef dat er maar één God is is ons allen daarvoor te sterk ingeprent.
Ik bedoel niet dat dat besef de boventoon zou voeren, maar wel dat we er allemaal op aangesproken kunnen worden.
Eigenaardig is nu dat je dezelfde mensen die op voetspoor van Barth geloof en politiek zozeer scheiden dat er geen christelijke politiek mogelijk is (ik heb het nu niet langer over dr Spijkerboer), even later met de meest intieme geheimenissen van ons christelijk geloof de straat op kunt zien rennen. Bijvoorbeeld wordt dan de weerloosheid van de begrede tot uitgangspunt van politiek handelen genomen. Terwijl je toch, om je vijand goed voor kwaad te vergelden, een verlost mens moet zijn. Je moet daarvoor je leven willen verliezen omdat het tóch in Christus behouden is. Hoe wil men zijn medeburgers buiten het geloof om daarvoor warm krijgen? Men wil dan plotseling weer teveel. Als er gezegd wordt: doe een bescheiden portie bijbel in je politiek, dan zeggen ze: nee, alles of niets! En ze beginnen met niets en eindigen met alles, (als taak dan), of omgekeerd.
In ieder geval slingeren ze van het ene uiterste in het andere. Dat is de verwarring, waaronder we lijden.
De verwarring spitst zich toe rondom Israël. Er is in het jongste verleden over de staat Israël wat af getheologiseerd! Levensgevaarlijk gewoon. Wat een religieuze ideologieën als drijfveer achter veel Israëlbejegening ! Geen wonder dat de rabbijnen, in zorg over Jeruzalem, daar nu een beroep op doen. Er is hun in het verleden meer dan een vinger gegeven. Maar nu: in diezelfde kerken met hun overdreven Israël-
theologie is het getij bezig te keren; zozeer zelfs dat het de vraag wordt of Israël volkenrechtelijk nog wel veilig bij hen is.
Ik voor mij pleit voor een uitsluitend volkenrechtelijke behandeling van Israël en Jeruzalem. Niet meer en niet minder. Geen ideologieën, noch pro noch contra Israël. Het is waar dat het volk Israël meer is dan zijn staat.
Maar het Zionisme heeft een joodse staat gewild en heeft die ook gekregen.
Het moet daarvan nu ook de konsekwenties aanvaarden, dat Israël zonder enige voorrang z'n plaats inneemt in de rij der volkeren. Ook het nederlandse rabbinaat moet dat beseffen. Een uitsluitend volkenrechtelijke behandeling dus. Zelfs ons kwade geweten ten aanzien van Israël mag daar niets aan veranderen. Want wat hebben de Palestijnen met ons kwade geweten te maken? Ze hebben daar geen boodschap aan.
Welnu, deze volkenrechtelijke behandeling houdt dan voor mij in dat ik ten aanzien van de annexatie van Oost-Jeruzalem mijn vragen heb.
Maar ook alleen nog maar vrágen.
Aan een veroordeling ben ik beslist nog niet toe. Israël heeft redenen te over om alle landen om zich heen met de uiterste argwaan gade te slaan. Die argwaan neem ik ze niet kwalijk. Ik raad ze alleen maar aan om ten uiterste waakzaam te blijven en dat niet alleen ten opzichte van de Arabische wereld. Daarom, ik zou ze eens geduldig willen aanhoren over die ongewone maatregel. Maar om nu de annexatie van Oost-Jeruzalem te gebruiken als voorwendsel, ten einde toe te geven aan de arabische druk om onze ambassade uit Jeruzalem weg te halen - geen sprake van!
Als die ambassade nu op het geannexeerde gedeelte van Jeruzalem stond, natuurlijk, dat zou een on,geoorloofde voorbarigheid zijn. Maar nu die ambassade sinds 1950 staat in dat gedeelte van de stad, dat sedert de stichting van de staat Israëlisch is, nu kan er geen sprake van zijn dat we voor de arabische chantage opzij gaan. Israël heeft in dezen volledig recht op onze standvastigheid - al zullen we die ambassade wel moeten gebruiken om ter gelegener tijd kritische vragen te stellen.
Maar elke typisch christelijke gedachte over Israël moeten we weghouden uit onze politiek. Zelfs onder de gelovigen is daarover geen eenstemmigheid, laat staan dat we daarvoor onder niet-gelovigen bijval zouden kunnen oogsten. Bescheidenheid en ingetogenheid zijn sleutelwoorden voor de christelijke politiek.
Het loon daarop zal beslistheid zijn ten aanzien van taken en opdrachten die muurvast staan.