JAGEN

1980-08-29
  • Jaargang 24
  • nummer 32
Hier in de Hooglanden is de verleiding groot, in de ruige natuur op te gaan: je te verliezen in het onmetelijk schone landschap, je buiten adem te klimmen tegen steile rotsen of glooiende weiden, je te bedrinken aan kristalzuivere bergbeken en lui te zonnen in de geurige heide - dit alles hoog boven het gewoel van deze benauwende wereld. Dicht bij de Schepper van hemel en aarde, in wie onze hulpe is. Wie eenmaal de zuivere berglucht gesnoven, wie toppen van over de duizend meter beklommen heeft, wie iets van de rotsvegetatie ziet en enkele soorten stenen kan onderscheiden is voor goed verloren voor de Kalverstraat, de Passage en de Binnenweg. En wie dan bovendien is ingewijd in de geheimen van de hertenjacht is goed op weg, "terug naar de natuur".

Schotse dichters hebben eindeloos de schoonheid van hun land bezongen.
Van een onbekende dichter vond ik dit wandellied:

0, de zwerversdrift overvalt me! Vanavond ga ik op pad en de morgenzon zal me vinden in het lieflijke dal van Loch Lomond. Dan wandel ik door Glen Falloch, waar de bergwind zo pittig waait en tegen de avond marcheer ik het dal van Glencoe binnen.

Daarom zing ik een wandellied over de weg die naar het Westen slingert: de weg die door de Hooglanden loopt over bergen, met varens begroeid.
Om van ver de eilanden te groeten, die ons zo lief zijn: I.rlay, Jura, Scarba, Lunga, de eilanden van de Zee, Luing en Muil, Colonsay, Staffa, Coll, Iona en Tiree, Van verre is de top van Eigg te zien, ook Rbum en Canna waar de golven van de Minch tegen beuken; we zien de heidekleurige heuvels van het lieflijke eiland Skye.

En, nostalgisch als de Hooglander is, eindigt hij met:

Als het wandelen straks afgelopen zal zijn, omdat ik te oud ben geworden voor zwerven, blijft de herinnering aan mijn heerlijke Hooglanden me bij: de zilveren. beken, de kronkelende stromen, de groene hellingen en verrukkelijke dalen - heel de pracht van Caledonia's bergen, met heide en varens begroeid.

Robert Burns zette de sluitsteen in dit sieraad met zijn gedicht "My heart's in the Highlands" :

Mijn hart is in de, Hooglanden, mijn hart is niet hier; mijn hart is in de Hooglanden, jagend op het hert. Jagend op roodwild, volgend de ree, mijn hart is in de Hooglanden, waar ik ook ga,
Gegroet gij Hooglanden, gegroet het ruwe Noorden, bakermat van moed, geboortegrond van alles wat waardevol is. Waar ik ook zwerf, waar ik ook dool, de bergen van de Hooglanden blijf ik altijd trouw.

Gegroet de bergen met sneeuwbedekte toppen. Gegroet de riviermonden daar beneden, met hun groene dalen. Gegroet de wouden, de afhangende bossen, gegroet de stromen en donderende watervallen.

Mijn hart is in de Hooglanden, mijn hart is niet hier. Mijn hart is in de Hooglanden, jagend op het hert. Jagend op roodwild, volgend de ree: mijn hart is in de Hooglanden, waar ik ook ga.

Sinds enkele weken is de jacht op het rode hert open en vandaag ben ik met mijn vriend Calum de bergen in geweest: achter de herten. Die leven hier in enkele honderdduizenden en volgens de Roodwildcommissie hebben wij onze afschotplicht te vervullen. Calum (ik heb het u al eens verteld) loopt heel de dag in de kilt van zijn clan en ik verdenk hem er van, dat hij die ook 's nachts aanhoudt.

We waren in het veld ten Noorden van Glen Falloch en boven kregen we uitzicht op Loch Lomond, dat zich daar tien tot twintig kilometer ver uitstrekt en Zuidwaarts verloopt naar Glasgow. Eenmaal heb ik hier, bij erg helder weer, Dunbarton kunnen zien, een voorstad van Glasgow. Achter ons, in het Noorden, verhieven zich de zwarte toppen van Glencoe. We waren in de situatie, waarvan het eerste gedicht spreekt! En als Calum in vervoering naar de heuvels van Loch Lomond staarde wist ik, dat hij aan zijn voorvaders dacht: de Mac-Farlane's, die het hele gebied ten Westen van Loch Lomond eeuwenlang in bezit hebben gehad.

Maar de Schot is niet alleen door de historie aan zijn grond verbonden en niet alleen door alles wat aan die grond lieflijk is - maar hijzelf leeft daar- ook uitbundiger en intenser dan elders. Hij is daarop als een vis in het water en, waar ook ter wereld geëmigreerd, hij zal levenslang sparen om eenmaal het beloofde land terug te zien.

Een Schot, met wie ik eens een adembenemende klim langs een rotsrichel maakte, waar we een stel grazende herten onder de wind moesten benaderen, klopte met een vrije hand op de rots, waaraan we ons vasthielden: "dit is de cotoniaster naturalis" , fluisterde hij, "de krui pende cotoniaster in zijn oorspronkelijke vorm!" Jawel, midden in de drift van de jacht en in de spanning van de gevaarlijke klim voelde zijn hand een zeldzaam plantje.
Cal urn is net zo: Op gehoorsafstand van een grazend hert fluitert hij nog iets over een zeldzame steensoort, over de grond van zijn vaderen, het heerlijke uitzicht over Loch Lomond, Loch Fynne en Loch Oss, drie meren vanaf één plekje te zien!

We hadden vanmorgen een hert gespeurd, geschikt voor afschot. Met hulp van een grote telescoop, die het wild van enkele mijlen 35 maal vergroot nabij brengt, had hij alle details verkend. Daarbij ligt een hertenjager op zijn rug, houdt de telescoop aan het oog en laat het uiteinde op zijn knie rusten: zo krijgt hij een scherp beeld, dat uit de vrije hand onmogelijk zou zijn. En dat beeld betreft niet alleen de kentekenen van het hert, zijn leeftijd, gewei en toestand - maar bovendien de situatie waarin het zich bevindt, de richting waarin het zich verplaatst, de plek waar wij het bij aankomst vermoedelijk zullen aantreffen, de omringende terreinplooien of rotsen en de mogelijkheden om het ongezien te benaderen.

Na al die voorbereidingen hadden wij de tocht aanvaard: voorlopig heel niet in de richting van het grazend hert, maar driehonderd meter afdalend om een vallei door te komen. Daarna was het klimmen geblazen, door de bedding van een bergbeek, naar dezelfde hoogte als die we verlaten hadden.

Vanaf die plek werd een heuvelrand gezocht met voldoende stenen, om ergens ongemerkt op te duiken, teneinde de positie opnieuw te verkennen.
En dat lukte. Van tijd tot tijd werd deze verkenning herhaald en tussendoor werd hoogte gewonnen.
Klimmen, honderden meters achtereen, vergt forse inspanning. Op geregelde tijden moeten adem en hartslag weer genormaliseerd worden, door enkele minuten rust. Want alleen met vaste hand mag het hert onder ogen worden gekomen. Meteen worden windrichting en uitzicht gecontroleerd, wordt de bersweg eventueel gecorrigeerd en de afstand tot het hert begroot.

Zo waren we eindelijk de Beihnn Dubhchraigh beklommen (hetgeen overgezet Zwarte Rots betekent) tot op een hoogte, even boven het beoogde hert. De afstand moest nu verkleind worden totdat een schot verantwoord' zou zijn. De wind, die op berghellingen verraderlijk kan draaien, bleef ons gunstig: recht op ons aan. Een grazend hert kan meer dan 180 graden overzien, maar bovendien alles ruiken wat achter hem is. Het is dus zaak, het zo dwars mogelijk aan te sluipen - waarbij de jager niet bang moet zijn om honderden meters op handen en voeten te gaan, zich door varenvelden te wentelen, gebukt van een beekbedding gebruik te maken en de laatste honderd meter in "tijgersluipgang" te kruipen, onder dekking van een verhoopte steen en niet denkend aan alle moerasvocht !

Dat was gelukt. Calum ging voorop en keek over de laatste steile heuvelrand: daar stond de stag, op nog geen tweehonderd meter afstand. Een vorstelijk stuk wild, roodbruine dos, acht geweitakken.

Calurn wenkte me, naderbij te komen; hij is tenslotte beroepsjager, ik maar amateur. "Je kunt hèm nemen", fluisterde hij, "het is 180 meter en hij heeft ons nog niet bemerkt". Ik dacht na en haalde mijn achterstallige adem in. "Calurn", herinnerde ik hem, "vorig jaar heb je mij een stag gepresenteerd, vandaag schiet jij!" - "Heus?" - "Ja, jij schiet ditmaal". - "Als jij mijn schot door een tweede dekt". - "Accoord".

Daarop zochten we elk een rustige houding: beide benen gespreid aan de grond, de buik voldoende gesteund, de ellebogen stevig in de heide geplant en langzaam de buks naar ooghoogte geheven. We wachtten en haalden telkens diep adem. Zonder woorden wist ik dat Calum het moment afwachtte, tot het hert zich al grazend zo zou draaien, dat het de rechterschouder zou presenteren. Alleen op een dwarsend hert is een fatsoenlijk schot mogelijk - anders is het risico van ziekschieten en verliezen te groot, hetgeen een misselijke nasmaak zou geven.

De afgelegde weg ging flitsend aan mijn oog voorbij. De uren van zoeken, het werkplan maken, de laatste koffie, de afdaling, de klim, de waarnemingen - alles was als een film. Nog stond het hert spits naar ons toe. En achter het hert zag ik Loch Lomond, ons grootste meer, waar een nationale hymne aan gewijd is. Ergens voer een plezierboot: een stipje met een rookpluim er achter. Naast ons streek een kwikstaart neer: uit de ooghoek te zien. Nog was de wind ons gunstig.

Rechts van Loch Lomond lag de grond van de MacFarlane's. De cranberry groei daar, die we van Terschelling kennen. (Heeft niet eens een gestrand Engels schip de cranberry achtergelaten P) En de cranberry is de geliefde plant van de Macfarlane's, die tot het devies en het wapen behoort. Calum is dol op cranberries - zonder deze sappige bes zal hij geen fazant of grouse eten. Uit mijn ooghoek loerde ik naar hem .. Hij scheen te slapen, roerloos. Maar zowel hij als ik gebruikten deze minuten om adem, hartslag en vaste hand te herkrijgen.

Dan verzette het hert twee stappen en stond vrijwel dwars. Ik berekende of Calum de stand goed genoeg zou vinden, maar zijn schot brandde daverend los en bijna gelijktijdig was het mijne er uit. Het hert stak verwonderd zijn kop op, draaide zich, scheen te willen weglopen, maar viel neer en tuimelde tientallen meters de steile helling af. Daar bleef het roerloos liggen ...

Daar naderden we het een ogenblik later, de pet in de hand. Onze schoten zaten een inch naast elkaar. Het was op slag dood geweest. Het ogenblik van stilte: bewondering voor het machtige dier, dankbaarheid voor de geslaagde bers, trots om de beheerste prestatie en ook meegevoel met het schone hert; dat ons nu zijn wildbraad bood.

Dit is een van de heerlijkste momenten, die de ruige natuur de mens biedt.
"Op deze grond zou je zelf willen sterven", vertrouwde ik Calum toe. Hij lachte gelukkig. "Later", was zijn antwoord, "als je oud genoeg bent !"
Maar hij herkende mijn dankbaarheid.

Alle gedierte des velds is de mens tot voedsel gegeven - mits met dankzegging genomen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief