Toespraak bij de begrafenis van ds B. Telder 1 sept. '80
1980-09-05
Schriftlezing: Psalm 103: 1-18.- Jaargang 24
- nummer 33
Zingen: Psalm 103: 1.
Het is al een tijd geleden dat Bart Telder voor het laatst gepreekt heeft.
Maar het is nog maar kort geleden dat hij zei: ik zou het zo graag nog één keer doen.
Als je goed luistert, heeft dit woord je in het hart van Bart Telder laten kijken. Als je goed luistert. Want je kunt natuurlijk onmiddellijk denken aan beroeps-verstarring of nostalgie van de ouderdom, of aan andere mechanismen die het hart, het eigenlijke van een mens eerder verbergen dan aan de dag brengen. Maar ik denk dat Bart Telder dáárom nog een keer wilde preken omdat hij nog iets te zeggen had over dat wat het middelpunt van zijn bestaan was, over Hem die de maatslag van zijn leven was, over God.
Hád hij dat dan nog niet gezegd tijdens de vele jaren dat hij zijn werk heeft mogen doen? Ik denk het niet. Tenminste niet zó, als hij dat nu, op het laatst, had kunnen zeggen. Hij heeft God, de God van Jezus Christus, vanaf zijn jeugd gekend. Hij was 'met God vertrouwd. En daarom heeft hij, ouder wordend, die God steeds beter leren kennen. Daarom was hij op het laatst op een tot dusver ongekende manier met God vertrouwd. En dát heeft hij zo graag nog een keer willen zeggen. Mensen, zo als ik God nu ken, heb ik Hem nog nooit gekend. Zo als ik nu over God kan spreken, heb ik nog nooit over Hem kunnen spreken.
Hij wilde zo graag nog één keer preken. Maar hij heeft het niet gekund: Of spreekt hij nu nóg door die bijbelgedeelten die hem zozeer vlees en bloed waren geworden dat ze bij zijn dood en begrafenis gehoord moeten worden?
Allereerst psalm 103, waarvan we het grootste gedeelte gelezen hebben.
Die psalm over de Heere, die barmhartig is en genadig, wiens goedheid zo machtig is als de hemel boven de aarde. En die zich zo doet kennen, doet ervaren in het leven van ons, mensen. Zoals Hij het Mozes heeft laten ondervinden, Mozes en Israël, in de woestijn. Na die verschrikkelijke geschiedenis met het gouden kalf. Toen God niet verder wilde trekken met Israël en het toch niet láten kon, toen Mozes zei: ja, maar we kunnen niet zonder U, we willen niet verder zonder u. We willen zelfs niet het beloofde land binnengaan, als U zelf niet met ons meetrekt. Toen toonde God zijn heerlijkheid aan Mozes, de heerlijkheid van een God die zich als een vader ontfermt over de kinderen, zelfs over onvoorstelbaar halsstarrige kinderen. Toen heeft God het Israël laten ondervinden, wie Hij is, - een God, die het niet laten kan om dat wat Hij eenmaal met ons begonnen is af te maken. Een God, die ons nooit laat vallen. Met déze God was Mozes vertrouwd, werd Israël hoe langer hoe meer vertrouwd.
Met deze God was Bart Telder vertrouwd. En ik denk - hoe kan het eigenlijk anders? - ik denk dat hij op het laatst van zijn leven dat ontdekt heeft als nooit tevoren:
Zoals een vader liefdevol zijn armen slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen God, onze Vader.
Hij heeft zich, denk ik, nog nooit zo veilig gevoeld bij God als in de laatste dagen van zijn leven. Nog nooit zo vertrouwd met God.
Met die God, die immers zo vertrouwd was met hem.
Die alles wist van zijn leven, van zijn zwakheid, van zijn dwaasheden, van zijn remmingen, zijn angsten, zijn verblindheid. Kortom van al die dingen waaraan we allemaal lijden, zijn verblindheid. Kortom van al die dingen eigen manier. Hoe, dat weet je zelf niet eens precies. Maar God weet het.
God is met al je wegen, met je gedachten, met je staan en liggen, je zitten en je opstaan, vertrouwd. En daarom weet Hij ook precies, hoe je - geschonden, halfslachtig, struikelend en vallend, - hangt aan Hem. Toch leeft voor Hem. Schreeuwt en dorst naar Hem, de levende God.
Zo zegt Paulus het in Romeinen 14, dat woord dat staat boven de overlijdens-aankondiging. We leven voor de Heer en we sterven voor de Heer.
Of we nu leven of sterven, - we zijn van de Heer.
Dat klinkt misschien erg algemeen. En dat is het ook wel. Maar het is in elk geval ook strikt persoonlijk. Ik leef voor de Heer. En ik sterf voor de Heer. Want Paulus heeft het juist over de verschillen die er zijn tussen de één en de ander. De één leeft zus en de ander leeft zo. Want we hebben allemaal onze eigen-aardigheden. We zijn zo eigen-aardig, ook in onze
omgang met God, dat we van elkaar vaak denken: kan dat nu wel, is dat niet doodgevaarlijk, past dat nu wel bij een kind van God? En misschien vraag je je dat van jezelf ook wel eens af.
Paulus zegt: Ja, maar God is toch met ons vertrouwd. God is toch met mij vertrouwd. Hij doorgrondt en kent me. Hij omgeeft me van achteren en van voren. En Hij weet dat ook wel, Hij weet dat heel goed, hoe ik met al mijn eigenaardigheden, op mijn manier, leef voor Hem. Gebroken. Ten dele kennend. Halfslachtig vaak en zoekend en me vergissend. Maar toch: leef voor Hem. En Hij, die zo vertrouwd met. me is, die me zo door en door kent, beter dan ik me zelf ooit ken, Hij is bij machte, me vast te doen staan. En Hij doet het ook. Hij kent m'n leven woord voor woord.
Daarom kan ik me ook met mijn gebroken, vaak zo ondoorzichtige, leven aan Hem toevertrouwen. Hij weet, dat ik Hem liefheb.
Lieve mensen, Riek, vrouw van Bart, kinderen van Bart, vrienden en kennissen van Bart, ik probeer in deze woorden van de bijbel te luisteren naar Bart's laatste preek. Ik probeer te luisteren naar zijn hart. Ik hoop dat ik het begrepen heb. Maar ik geloof het eigenlijk wel. Want luisterend naar hem, naar dit kind van God, gaat Gods hart voor me open.
Het hart van die God die mij hebben wil, zoals ik ben, en die zó met me vertrouwd is, dat ik me, net als Bart Telder, levend, stervend, wil toevertrouwen aan Hem. Gelukkig, ik leef niet alleen. En ik sterf niet alleen.
Ik leef en ik sterf voor de Heer. Die me dat elke dag, met Mozes en Paulus, met Bart Telder en met al zijn kinderen, weer dieper ervaren doet:
Zoals een vader liefdevol zijn armen slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen God onze Vader, - want wij zijn van Hem.
Zingen: Lied 399: 6.