Met veel vijven en zessen
1980-09-05
We kennen allen de uitdrukking: met veel vijven en zessen kregen we het klaar. En de betekenis daarvan is duidelijk: met veel moeite en ternauwernood kwam het voor elkaar. Maar waar komt die uitdrukking ook weer vandaan? Van Dale noemt de betekenis: met veel tegenwerpingen, bedenkingen, uitvluchten, omslag; hij vergelijkt ook "met veel vieren en vijven", voor ongeveer dezelfde betekenis, ook voor veel noten op de zang hebben.- Jaargang 24
- nummer 33
Toch is Van Dale niet helemaal bevredigend, niet afdoend. Want hij vermeldt niet of die telwoorden slaan op vingers of zintuigen, op werkuren of rapportcijfers of op iets anders, dat houvast biedt. Wel noemt hij kaarsen van vier (in 't pond) - maar dat zijn lang de kleinste of grootste niet.
In het middeleeuwse "Twee koningskinderen" vindt u de zin: "Wat stak zij aan? Twee keersen. twee keersen van twaalf in 't pond".
Misschien vinden we een oplossing voor "met veel vijven en zessen" in een andere richting. In de oudste Nederlandse gereformeerde bijbelvertaling vinden we als kanttekening bij Nehemia 3: 5 (dat de voorname lieden van Tekoah hun schouders niet wilden zetten onder het werk van Jerusalem's herbouw) een ouderwets rijmpje. Die vertaling en kanttekening zijn van 1561 en reeds toen bestond een rijmpje, waarin de vijven en zessen te pas kwamen. Sterker: dat rijmpje, een volksspreuk, een volkswijsheid, gold als een verklarende kanttekening op de Schrift! En dat versje luidde:
De armen moeten het cruyce dragen,
de rijken en geven niet,
deux aes en heeft niet,
six cincque en geeft niet,
quater dry die geven vry.
Daar zitten nog wat moeilijkheden in; zullen we het trachten te vertalen?
Dan komt de kanttekening hier op neer:
De armen moeten de lasten dragen,
de rijken geven niet,
de tweetjes en eentjes bezitten niet,
de vijven en zessen werken niet mee,
de middenstand, de drietjes en viertjes,
moet alles opbrengen.
Nu daargelaten de sociale klacht, die in vier eeuwen niets veranderd is; en ook daargelaten de vraag of de mensen van Tekoah niet meebouwden aan Jerusalem vanwege hooghartigheid dan wel vanwege angst voor straf, wanneer Sanballet (en de koning van Babel) Nehemia's herbouw ooit zou komen verijdelen ... we komen met deze oudhollandse wijsheid een stuk verder. Want de cijfers, die hier rijk, arm en middenstand aanduiden, lopen ... van een tot zes!
Wat is de aas? Van huis uit is de aas bij kaartspel, dobbelspel en dominospel de één geweest: de geringste waarde. Het woord betekent gewicht, het komt van het oudfranse ais, van het latijnse as, dat munt of gewicht betekent.
Denk aan een aasje geluk, een aasje wind. Een aas woog 0.048 gram om het precies te zeggen en dat betekent dat vier aasjes nog geen volle karaat vormen.
Het kaartspel komt tot hogere cijfers dan vijf en zes - maar dobbelsteen en dominosteen geven waarden van een tot zes. We houden ons dus voorlopig bij deze laatste spelen, min of meer kansspelen.
Beide soort stenen hebben "ogen", putjes in het oppervlak, die meest donker gekleurd zijn. Men moet (met de dobbelstenen) "ogen gooien"; het liefst "hoge ogen gooien"; Van. Dale noemt de term "zessen gooien" en wie overmatig geluk oogst "gooit met dertien ogen" - dat is nog meer dan de dubbele zes van het dominospel kan bieden.
Het heeft er alle schijn van, dat die oude bijbel ons verder heeft gebracht.
Six cincque wil zeggen: zes en vijf, de hoogste waarden. De rijken zijn ermee aangeduid. Deux aes slaat op twee en een, de armen, de lichtgewichten.
Dan blijven drie en vier voor de middenstand over, Jan Modaal en familie. En als we iets met veel vijven en zessen voor elkaar krijgen houdt dat dus in, dat we met veel geluk, veel meevallers, geslaagd zijn.
Daarom nog even over dat dobbelen en het bijbehorende "geluk". Calvijn had er een gruwelijke hekel aan en vermoedelijk terecht. Wanneer in de bijbel over urim en tummim gesproken wordt, werd de Heere door zijn hoogste ambtsdrager om een antwoord gevraagd. Dat antwoord moest uit de val van voorwerpen (stenen? stokjes? pijlen?) blijken. Zo viel het lot op Jonathan. Wanneer zeelieden in de storm geen raad wisten, viel het lot op Jona. Wanneer een opvolger voor Judas moest worden gevonden, viel het lot op Mattias.
In deze voorbeelden werd een stringente vraag gesteld - en werd naar het antwoord ernstig geluisterd. De hogepriesterlijke borstlap werd ook "borstschild der beslissingen" genoemd, vanwege urim en tummim. Zelfs het loten tijdens een zeestorm werd ernstig beoefend, blijkbaar nog terecht ook: want de Heere sprak hiermee zeelui en Jona aan!
Geheel anders is het loten-om-winst, door Calvijn veroordeeld. Daar moet de steen aan iemand toe-vallen, daar beslist het "toeval" wie de winnaar is. Er komt geen menselijke prestatie bij te pas - er wordt een beroep op het "toeval" gedaan; min- of meer bewust op de hoogste Macht in hemel en aarde. De "wet op de grote getallen", die op den duur alle spelers gelijke kansen geeft, wordt gebruikt voor de kleine getallen, voor het eenmalige; wordt daarmee misbruikt.
Bovendien wordt dat "toeval" niet zonder grote oorzaak tussen aanhalingstekens geschreven. Ik heb in dit blad wel eens over een ervaring met "Mens erger je niet", dat "onschuldige" familiespel, verteld. Hoe een van onze jonge kinderen keer op keer ongelukkig speelde. Tot de jongste, een kleuter nog, zeer bewust voorstelde: laat mij voor jou gooien, welk cijfer wil je hebben? En ze gooide het gevraagde cijfer, niet eenmaal maar vele keren. Waarmee gezegd wil zijn dat ook het "toeval" niet toevallig is.
Net zo min als het lot van Jona en van Mattias.
Zonder geluk vaart niemand wel, zegt een oud spreekwoord. Het zal waar zijn. Maar geluk kunnen we pas geluk noemen, wanneer het ons niet per "toeval" in de schoot wordt geworpen (dat gebeurt met dobbelstenen), maar wanneer de Heere als gever van alle goeds gezien, gedankt en geprezen kan worden. En wie dat doet - die houdt niet meer van dobbelen, gokken en loterijspel.
Tenslotte nog even over die malle kanttekening in de oudste Nederlandse gereformeerde bijbel. Die bijbel heeft er de naam “Deux-Aes-Bijbel" van overgehouden! Enkele jaren geleden werd hij herdrukt en dr C. A. Tukker schreef er een begeleiding bij: "Een verborgen schat in den acker", de Banier, 1978. Een belangrijk boek. Het is jarenlang stukgelezen door onze gereformeerde vaderen. Ons volk was door deze vertaling (en door zijn kanttekeningen) zo gegrepen, dat de invoering van de statenvertaling in 1637 op even grote weerstand stuitte als die van het Nederl. Bijbelgenootschap in deze eeuw!
Zo hebben we dus, met veel vijven en zessen, de betekenis van titel dezes opgespoord. En wel uit de kantlijn van een oude bijbel. Is dat niet per geluk?