Pleidooi voor een federatief kerkverband (1)

1980-09-12
  • Jaargang 24
  • nummer 34
Ieder die in onze kerken meeleeft, weet dat wij midden in een proces staan, waarin wij als kerken zoeken naar de vorm van ons samenleven.
Wij zijn (op een enkele uitzondering na misschien) allen afkomstig uit de vrijgemaakte gereformeerde kerken. Dat geeft ons een historische verbondenheid. Toch is deze historische verbondenheid niet de basis van onze gemeenschapsbeoefening.
Onze gemeenschap is gefundeerd in het geloof in hetzelfde evangelie van Jezus Christus, de betrouwbaarheid van Gods Woord en in onze trouw aan de reformatorische belijdenisgeschriften, hoewel deze twee daarom nog niet op één lijn mogen staan. De belijdenis blijft ook bij ons staan onder het Woord. Over de fundering en de inhoud van de band die er tussen de nu Nederlands gereformeerde kerken bestaat is er geen verschil van mening. Ze is destijds in de bekende praeambule van het boekje afspraken, dat nu verder gemaakt zou worden, voor ieder helder en overtuigend neergelegd.
Ik laat deze hier nog een keer volgen: De kerken... betuigen hun onderlinge verbondenheid door het afleggen van de volgende verklaring:

1. Na al wat de gemeenten van de Here in de loop der jaren en eeuwen in dit land hebben ondervonden door vervolging, overheidsbemoeiing, misleiding van de geesten, reglementenheerschappij en synodenhiërarchie, is het nu eens te meer haar hartelijke begeerte om, onder de genadige bescherming van haar Heer en Heiland Jezus Christus, temidden van de verwarring van de tijd, in goede vrede en gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, met elkaar te leven, onder de enige heerschappij en leiding van het Hoofd van de kerk, onze Zaligmaker.
Zoals sedert de dagen van de Reformatie in de 16e eeuw de eenheid van de kerken allereerst en ten diepste bestond in hetzelfde geloof, in de gehoorzaamheid aan het Woord van God en in de gemeenschappelijke belijdenis, zo willen de Gereformeerde kerken in Nederland, die in deze vergadering bijeen zijn, elkaar opnieuw beloven zich gevend eerst aan de Here en daarna ook aan elkaar - zich aan het Woord van God en aan de belijdenis van de kerk van alle eeuwen te houden.
Zij verklaren in dat belijden van de Waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de formulieren van de oude Christelijke kerken in de Drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar eenheid en de grond van haar samengaan te vinden.
Zij beloven ook elkaar bij te staan in de strijd voor de Naam en de eer van de Here, zich voegend naar het Schriftuurlijk Onderwijs voor een geordend kerkelijk samenleven, opdat zij ook in de inrichting van het kerkelijk leven de wegen van het verbond van de Here mogen houden, niet in tiranniek eenheidsdwang, maar in de vrijheid van Christus, in de eenheid van de Geest van God, die samenbindt, in gehoorzaamheid aan Zijn gebod, in liefde tot God en de naaste.
Zij begeren zo ook in deze dingen als één in Christus naar buiten op te treden - met de bede, dat alle in belijdenis en leven 'waarlijk gereformeerde kerken en allen, die de HERE' vrezen en Zijn getuigenissen kennen (Ps. 119; 79), zich met hen voegen tot één gemeenschap, één van zin en één van gevoelen (1 Cor. 1: 1-10), door de Geest van onze God.

2. De kerken spreken uit, dat het al of niet aanvaarden van het (een) kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen gemeenten, die één zijn in geloof en belijden.
3. De kerken verzoeken alle gemeenten, die bezwaren hebben tegen aanvaarding van het (een) kerkelijk akkoord, zich zoveel mogelijk te richten naar hetgeen met de meeste stemmen goedgevonden wordt; en inzonderheid hun medewerking te verlenen aan en hun stem te doen horen op de gemeenschappelijke vergaderingen, ook al kan voor hetgeen daar wordt besloten geen medeverantwoordelijkheid worden gedragen.
Deze verklaring werd in Utrecht aanvaard door alle kerken op 21 september 1974.

Over de inhoud en fundering van ons samenleven als Nederlands Gereformeerde kerken is er onder ons dus geen verschil van mening.
Wel is er verschil over de vorm van ons samenleven. Moeten wij ons opnieuw onder een juridisch rechtsgeldige kerkenordening tot een organisatorische eenheid formeren, of is er ook een andere weg?
Op dit punt gaan de meningen uiteen.
Er zijn vele kerken die zich inzetten voor een restauratie van de oude Dordtse kerkenordening.
Er zijn ook vele kerken die dit ten sterkste afwijzen en eigenlijk liever de onderlinge omgang als zusterkerken door niets anders geregeld zien dan door een bundeltje afspraken.
Je moet tenslotte weten hoe laat en waar je elkaar ontmoet en wie de contacten verzorgt namens ons allen met de Hoge Overheid - om maar wat te noemen.
Op de achtergrond staat hier tweeërlei visie op de vorm waarin wij als kerken moeten samenleven.
De ene groep van kerken ziet een verbond van kerken als de enige weg. De ander kiest voor een federatie van kerken als de beste weg. Nu hoop ik dat de taalkundige fijnproevers mij niet in de rede gaan vallen om uit te gaan leggen dat de twee woorden beide oorspronkelijk hetzelfde betekenden, ik kies nu deze twee woorden in hun huidige gevoelswaarde, en kies deze beide woorden in de zin van de nu volgende omschrijving, waarvan ik hoop dat beide groepen zich hierin zullen terug herkennen.
Wie pleit voor een samenleven van kerken in de vorm van een verbond, zoekt een veel intensievere band, dan wie pleit voor een federatie.
a. Bij een verbond denk ik aan een huwelijk waarin man en vrouw de grootste moeite doen om naar elkaar toe te groeien en een eenheid te vertonen. Hun gemeenschap is streng, biedt geen ruimte voor derden, is met sancties beladen en in een wetboek vastgelegd.
b. Bij een federatie denk ik meer aan een relatie zoals die bestaat tussen vrienden. Je hebt een gemeenschappelijke diepe verbondenheid en je maakt afspraken, maar de vorm van contactoefening is veel vrijer, sluit derden niet uit, is niet met sancties beladen, en ook niet in een wetboek vastgelegd.
Overgebracht op groepen, landen, of ook kerken, is die beweging die streeft naar een verbond tussen verschillende groepen, uit op een bijzonder nauwe band, waarin de eigen zelfstandigheid van bijv. iedere provincie wel een beperkt recht heeft, zoals in Nederland, maar de gemeenschappelijkheid toch dwingt tot het inleveren van veel regionale vrijheden. Daarentegen zijn die landen die zich aan elkaar hebben verbonden in een federatie - zoals in Zwitserland vrij in haar eigen domein en hebben zij slechts een enkele gemeenschappelijke taak gezamenlijk aangevat.
In ons eigen samenleven als Nederlands Gereformeerde kerken spelen op de achtergrond deze twee verschillende idealen een rol. Dat leidt tot spanningen. Voordat ik hier iets over ga zeggen zou ik vooraf twee opmerkingen willen maken:
1. Als wij voldoende in het oog houden dat deze spanningen zich niet richten op fundering en inhoud van de band die ons samenbindt, maar alleen op de vorm, dan moet en mag dat bewustzijn steeds weer een ontspanning teweeg brengen.
Gelukkig geldt: ook al mislukt het pogen om tot een accoord te komen, dan mogen wij mèt de praembule zeggen: wat dan nog?
De inhoud en fundering van deze gemeenschap hangt er niet van af.
Christus is meer dan welk accoord ook. Hém hebben wij samen. Wat kan ons deren?
2. Zouden wij niet in dit zoeken naar de goede vorm ook een stuk leiding van God mogen opmerken?
Moeten wij niet ons eerst afvragen: wat wil de Heer ons geven, in plaats van wat kunnen wij elkaar opleggen of met elkaar organiseren. Als de Here ons in deze bovengenoemde door mij in punt1 gerelativeerde verdeeldheid geen eenheid geeft, wat dan nog? Dan gaan wij evenvrolijk verder zonder het op dit punt eens te zijn, omdat wij samen immers op dezelfde weg van het Koninkrijk staan.
In nog twee artikelen zal ik deze bespreking over de vorm van ons kerkverband voortzetten. Daarna zal ds G. Janssen op deze 3 artikelen reageren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief