AANBIDDING
1980-09-19
De Here Jezus zei tegen te Samaritaanse vrouw: “De Vader zoekt (zulke) aanbidders.” Aanbidden is heel wat anders dan bidden. We voelen wel aan, wat ermee bedoeld wordt, maar we weten er niet goed weg mee. Misschien kunnen Oosterse Christenen dat beter: met hun gestalte, hun woorden, hun lied en de toon waarop ze vorm geven aan hun eerbied en aanbidding. We weten wel van de Heilssoldaten, die te pas en soms te onpas Halleluja roepen, en van de Pinkstergemeenten, die op vele momenten zeggen: Prijs de Heer. Maar het lijkt er dan vaak op, dat de gloeiende lava van die woorden gestold is tot een verstening. Het klinkt niet altijd écht. Men zal zeggen: Wij kennen de aanbidding wél in onze samenkomsten als gemeente. We zingen dan immers psalmen en geestelijke liederen, waarin we Gods lof verkondigen. Dat is inderdaad waar, als je op de woorden let. Maar in de praktijk is het vaak zo, dat ons zingen gezien wordt als een variatie in het programma; een intermezzo. Zoals wanneer iemand op een feest de hoofddelen van het programma “aan elkaar praten” moet. En zoals een dominee uit grootvaders tijd het formuleerde, wanneer hij de tussenzang aankondigde: “De gemeente heffe thans, tot hare stichting en tot mijne verpozing, van den drie-en-dertigsten psalm het eerste zangvers aan.”- Jaargang 24
- nummer 35
De aanbidding vraagt weinig woorden, maar ze moeten wel zeer zinvol zijn en uiterst gevoelig reageren op wat er gebeurd is; op wat er gezien is en gezegd. Een bizonder goed voorbeeld vind je in het oude doopsformulier. Vóór de doop van het kindeke wordt de Here aangebeden met de woorden: “O almachtige en eeuwige God.” Ná de doop: “Almachtige, barmhartige God en Vader!” Want tijdens de doop is Gods barmhartigheid zichtbaar geworden en Zijn Vaderschap over een aangenomen kind. Dus is dan ook de aanbidding anders. Maar het valt niet op. Bij ons is de aanbidding zo terloops en dat lijkt me niet goed.