Pleidooi voor een federatief kerkverband (3)

1980-09-26
  • Jaargang 24
  • nummer 36
In het vorige artikel heb ik een aanvang gemaakt met het formuleren van drie bijbelse grondregels voor het kerkelijk samenleven.

1. De gemeenschap tussen verschillende zusterkerken is altijd een gemeenschap in Christus. Niet een juridische maar een geestelijke zaak: ze voltrekt zich in dienstbetoon, wederzijdse toerusting en verdieping, in openheid voor de Geest en gemeenschappelijk gebed.
Ik eindigde het vorige artikel met te zeggen dat het echt een zaak is van afglijden als gemeenschapsoefening tussen gemeenten zich gaat voltrekken rond kerkjuridische aangelegenheden en stolt in juridische vormen.
Dit artikel zet ik dan nu voort met het formuleren van de tweede bijbelse grondregel.

2. De inter-gemeentelijke kontaktoefening laat iedere plaatselijke gemeente alle vrijheid en ruimte om op unieke wijze lichaam van Christus te zijn. Er vindt in Paulus brieven nooit een soort stroomlijnen plaats. Of men in Rome gemeentelijke samenkomsten had op iedere dag in de week vóór dag en dauw en in Cortinthe op de zondagmorgen en in Efeze op de zondagavond - het wordt ons niet verteld: iedere gemeente is onder leiding van Gods Geest vrij in de eigen samenkomsten. Vrij ook in de opzet van de samenkomsten, vrij ook in de diensten enz. Met het hart gebonden aan Christus en de voeten op de weg van Zijn Woord zijn de gemeenten ieder afzonderlijk vrij in de manier waarop zij het avondmaal vieren, dopen, ouderlingen bevestigen, geestesgaven in de samenkomst toelaten, andere ambtsdragers benoemen etc. (zie Rom. 12: 6, Rom. 14: 5, 1 Cor. 12-14, Efeze 4). Zoals ik al schreef, daar door komt de veelkleurigheid van Christus verlossingswerk veel beter uit: de ene gemeente is totaal verschillend van de andere: laat het zo blijven en ga niet stroomlijnen.
Dit geldt vandaag nog precies zo binnen onze kring van kerken: de gemeente in Wezep is een geheel andere dan die in Utrecht, de gemeente van Eek en Wiel is weer heel verschillend van die in Doom, de gemeente in Rijsbergen anders dan die in Rijswijk enz. Ik ben blij met zo'n grote gevarieerdheid en herken er iets in terug van de verschillen in het N.T. tussen bijv. de 7 gemeenten die in Openbaring 2 en 3 worden genoemd. Aan ieder van deze gemeenten verschijnt Christus anders - aan de een verschijnt hij als de eigenlijke keizer van de wereld - aan de tweede als een vuurvlam, aan de derde als Heer van de kosmos of als sleuteldrager.
Zó vèr reiken zelfs de verschillen dat Christus verschillend tot hen spreekt en verschillend aan hen verschijnt. Nergens lezen wij ook maar een wenk in de richting van gelijktrekken.
Dit tweede argument draag ik aan om deze tendenz ook onder ons tegen te gaan. Sterker nog: ik geloof dat het ideaal om onze kerken te doen samengroeien tot een verbond van kerken, met één kerkenordening, die de gezamelijke kerken een gelijke stijl en gedragslijn voorschrijft, om de onder 2. genoemde reden niet naar de Schrift is. Je kan Rijsbergen of Eek en Wiel of Dordrecht of wie ook niet kerkordelijk verplichten tot het houden van twee samenkomsten op een zondag. Je mag de gemeente niet een bepaalde wijze van Avondmaalsvieren (bijv. met of zonder formulier) bindend opleggen. Ditzelfde geldt voor ambten en diensten, voor het zingen van liederen of de bediening van de doop. In het nu nog in aanbouw zijnde kerkelijk accoord komen al deze dingen ter sprake en zijn er voorstellen van 't verbondskerkordelijke soort, waar deze tweede schriftuurlijke regel niet gerespecteerd wordt.

3. Er is in de omgang tussen de plaatselijke gemeenten in het N.T. geen enkel ander bind-, machts- of pressiemiddel dan het Woord van God zelf. Het valt op dat het voorstel van Petrus door Jacobus eerst aan de Schrift wordt getoetst en als blijkt dat het in de lijn ligt van de woorden van de profeten dàn (Hand. 15: 19 - daarom) geeft Jacobus zijn steun en nadere uitwerking.
In een belangrijke zaak als dáár aan de orde was werkte men ook bovendien met algehele eenstemmigheid.
Het is niet waar dat het onder 2. genoemde wel moet leiden tot wildgroei of tè grote vrijheden. Wáár dat mocht gebeuren, dat een plaatselijke gemeente van vrij tot losbandig wordt, daar is aan de andere zuster kerken geen ander bind-, macht- of pressiemiddel gegeven dan het Woord van God vgl. Hebr. 4 : 12, 2 Tim. 3 : 16, Hand. 17 : 11, 18: 28 etc. Het is een plicht tussen de gemeenten om er dan ook bij elkaar op aan te dringen om in de lijn van Gods Woord te blijven - maar de manier waarop is alleen die van het voorhouden van Gods Woord zèlf. Wij hebben geen ander onderling gezag. Als het niet mogelijk is om met het Woord zèlf een vermaan te laten horen (bijv. inzake de twee samenkomsten of het gebruik van formulieren) dan is het dus onmogelijk de ander te vermanen. Men moet dan niet een surrogaat dwang- of pressiemiddèl gaan konstrueren met behulp van een uitspraak van een intergemeentelijke samenkomst met als pressiemiddel: anders hoor je er niet meer bij - of met behulp van een artikel in een kerkelijk accoord. Je kan geen andere druk op elkaar uitoefenen dan met het Woord. Als dáár niet naar geluisterd wordt, dan zal je blijven bidden en kontakt oefenen tot het wèl gebeurt- en mocht onverhoopt een zusterkerk geheel van het Evangelie vervreemden dan is de gemeenschap in Christus dáármee opgebroken en niet met het uitsluiten buiten het verbond van kerken of de federatie.

Deze drie bijbelse regels voor de intergemeentelijke kontaktoefening leiden mij tot een pleidooi voor een federatief kerkverband. Een bijbels gebod is het niet. Ook dit niet.
Maar in vrijheid afwegend wat het meest het welzijn van ónze kerken zou bevorderen - in onze omstandigheden, met onze verschillen, in onze tijd en daarbij deze drie bijbelse grondlijnen in het oog houdend geloof ik dat wij er veel beter aan zouden doen de artikelen weer te degraderen tot gewoon: afspraken, het woord kerkelijk accoord tot: het afsprakenboek, en het samenkomen tussen de kerken weer te bevorderen tot een ontmoeting van vrienden, die dezelfde Vader hebben, die heel veel gemeen en heel veel verschillend hebben en die intussen nu zij volwassen zijn geworden, ieder hun eigen weg gaan. Wat een zegen zou het zijn als wij zo met elkaar in vriendschap over elkaars roeping konden nadenken en elkaar met het Woord bemoedigen.
Ik stel mij daarbij regio-avonden voor die één keer per jaar in comité bijeenkomen om een agenda te maken en wat gemeenschappelijke formaliteiten af te handelen als die er zijn. Daarna volgen er bijv. nog drie avonden in het jaar met het doel van verdieping en bemoediging waarbij thema's aan de orde komen als zending, huwe lijk, ethiek, geestesgaven, evangelieverkondiging in een grote stad, de zondagsviering op het platteland, of wat ook. Op deze vergaderingen zouden zoveel mogelijk gemeenteleden aanwezig moeten zijn.
De landelijke vergadering zou in deze stijl kunnen worden omgebogen tot een landelijke twee-jaarlijkse conferentie tot opbouw van het gemeenteleven, waarbij een paar afgevaardigde deskundigen dan even de gemeenschappelijke taken tussen de bedrijven door regelt.
Ik loop het gevaar om bij deze laatste zinnen voor naief te worden uitgemaakt - want er zullen wel heel wat gemeenschappelijke zaken zijn die aandacht vragen - maar toch bedoel ik dit om de aandacht, de belangstelling en de toewijding te verschuiven vàn het administratieve naar het opbouwende, van het juridische naar het geestelijke. Het is mijn vaste overtuiging dat voor dat doel een vorm van kerkelijk samenleven in federatieverband veruit het beste is en ook het meest in de lijn van de drie bijbelse grondregels die ik hierboven noemde.
Ik ben zelfs van mening dat het hier gaat om het enig haalbare. Als wij als Nederlands Gereformeerde kerken bij elkaar willen blijven, zal dat m.i. alleen mogelijk zijn via zo'n federatief verband.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief