Gesprek over het samenleven der kerken (2)

1980-10-10
  • Jaargang 24
  • nummer 38
Kerk en recht
De bedoeling van deze artikelen is tot een gesprek te komen over de kwestie van het samenleven onzer kerken, waarover onder ons nog niet de zozeer te begeren eenstemmigheid bestaat. Om tot zulk een werkelijk gesprek te komen, moeten we afzien van het elkaar vangen op kleinigheden en proberen door te stoten tot de eigenlijke achtergronden, waaruit de verschillen voortkomen en waartegen zij zich duidelijk aftekenen. In het vorige artikel heb ik daartoe op het punt van de kerkelijke vergaderingen reeds een poging gedaan. Maar zij zal - vrees ik - toch onbevredigd blijven als we niet wat dieper doorstoten en de vraag onder ogen zien of het wezen van de kerk zich wel verdraagt met bepaalde regelingen, die worden vastgesteld ook al gebeurt dat in algehele overeenstemming of dat we ons moeten beperken tot het 'geestelijke', zij het op enkele afspraken na die louter het formele betreffen, zoals tijd en plaats en samenstelling van de kerkelijke bijeenkomsten. Ds Rietkerk heeft duidelijk aangegeven dat hij in deze richting wil koersen. Hij wil geen juridische contactoefening, een contactoefening, die juridisch is geregeld, maar van het juridische naar het geestelijke. Op de achtergrond van deze vraagstelling ligt die van de verhouding tussen kerk en recht. Is er van zulk een verhouding sprake of staat het wezen van de kerk in tegenstelling tot het recht en is dit een puur wereldlijke aangelegenheid, die in de kerk geen plaats mag hebben?
Op duidelijke en diep ingrijpende wijze is deze kwestie omstreeks de laatste eeuwwisseling aan de orde gesteld door de Duitse jurist prof dr Rudolf Sohm in zijn in 1892 verschenen boek Kirchenrecht. Sohm was zelf een gelovig christen, die zich de belijdenis van de Heiland ook in de wetenschappelijke wereld niet heeft geschaamd. Hij schrijft een prachtig Duits en weet zijn gedachten soms in rijke beeldspraak treffend tot uitdrukking te brengen.
Ik geef een citaat, dat wel handelt over het in Duitsland heersende systeem van kerkrecht, maar zijn idee over het kerkrecht in het algemeen op pakkende wijze vertolkt:

“Derselbe Gedanke, dieselbe Furcht, derselbe Kleinglaube, welcher einst dem Urchristentum den Katholicisme erzeugte, ist nunnmehr in der Kirche der Reforma-s tion gross geworden. Der Hunger nach den Fleischtöpfen Aegyptens ist erwacht auf dem Zug durch die Wüste des alltäglichen Lebens. Das Recht solI helffen und der aüssere Zwang, wenn das Wort versagt!
Der Sturm bewegt das Meer. Christus Schläft. Das Schiff der Kirche muss durch menschliche, weltliche Mittel über Wasser gehalten werden.
Hilfe! wir ertrinken! Wo ist der Glaube an des Evangelium?
Wo das Bekenntnis, dass die Kirche Chris ti allein regiert werden kann und solI durch das WORT GOTTES?" 1)

Meer dan uit een lange redenering kan uit dit citaat duidelijk zijn dat volgens Sohm het wezen van de kerk en van het geloof onverenigbaar is met het recht, dat een puur aardse, wereldlijke aangelegenheid is. De kerk is geestelijk, bovenwereldlijk, hemels. Zij is naar haar wezen onzichtbaar. Van haar zichtbaarheid kan slechts gesproken worden op het moment van en zolang als de godsdienstige samenkomst van de gelovigen duurt.
Sohm trekt hier wel de uiterste consequenties uit zijn vergeestelijking van de kerk. Zij is wel georganiseerd, maar louter met een goddelijke organisatie: Charismatisch, niet institutair. Van vaste ambten of diensten wil hij niet weten, noch van bevoegdheden, die de dragers ervan zouden oekomen. Van kerkelijke regeling kan geen sprake zijn, alle menselijke regeling is door Christus' charismatische wijze van werken ten enenmale uitgesloten.
Van een rechtsorde kan in de kerk in onderscheiding van alle andere menselijke samenleven geen sprake zijn.
Herman Ridderbos schrijft dat hier de religieuse individu en de persoonlijke pneumatische betrekking tussen Christus en de afzonderlijke gelovigen het beheersende gezichtspunt is en dat ditin de liberale theologie ondanks alle bestrijding van Sohm niet overwonnen werd. Maar heel het probleem kwam in een ander licht te staan, schrijf hij, toen een meer adaequate benadering van het Nieuwtestamentische kerkbegrip daarvoor in de plaats trad en de heilshistorische conceptie van de gemeente als het volk van God ook weer een beter begrip van het verband tussen wezen en openbaring van de kerk mogelijk maakte. Toen pas kon de door Sohm geponeerde tegenstelling tussen het spirituele karakter van de kerk enerzijds en de institutionele kerkelijke organisatie anderzijds principieel worden overwonnen.
Intussen gaat de strijd tussen de charismatische en ook institutaire opvatting van de kerk nog wel door.
Als ik me niet vergis neemt ze weer in hevigheid toe en wordt vooral van metholistische zijde het charismatisch karakter der kerk met verwaarlozing en zelfs bestrijding van de institutaire zijde weer met nieuwe klem betoogd. Daarom is het voor ons gesprek noodzakelijk over de kern van dit geding nader ..
met elkaar te spreken, met name over de gemaakte tegenstelling tussen het geestelijke en het juridische, tussen kerk en recht, tussen 'goddelijke' organisatie (de charismatische) en 'menselijke' regering, of vaste regeling zelf.

Het eerste dat we hier zeggen moeten is dat het genadewerk van God, zoals dat ook in de kerk gestalte krijgt, niet het kar aker draagt van een totaal nieuwe schepping, maar van hèrschepping. Want het aardse, wereldlijke en natuurlijke is van zichzelf niet zondig, maar vrucht van Gods scheppingswerk 'in den beginne'. We belijden de God en Vader van onze Here Jezus Christus als de Almachtige, Schepper van hemel en aarde. In aansluiting aan deze rijke werkelijkheid belijdt de kerk in de machtige apostolische geloofsbelijdenis van twaalf artikelen aan het einde van het spreken over Christus' verlossingswerk en de vruchten daarvan door de Heilige Geest de opstanding van het vléés.
Gods genadewerk in Christus omvat de ganse schepping, daaraan beantwoordt dat Hij met Zijn genadewerk tot deze schepping ingaat, zoals ook he Woord vlees is geworden.
Daarom is de kerk als het werk van Christus en Zijn Geest ook niet een oliedroppel op de wateren van deze wereld, zij is aan deze wereld slechts vreemd zoals deze door de zonde is geworden en verworden. Het dualisme tussen natuur en Geest is aan het christendom, dat uit de Bijbel leeft, vreemd. 2) Daarom kon Bavinck schrijven: Het Evangelie is een blijde boodschap, niet slechts voor de enkele mens, maar ook voor de mensheid, voor het gezin en de maatschappij en de staat, voor kunst en wetenschap, voor de ganse kosmos, voor heel het zuchtend creatuur" (Geciteerd uit De Katholiciteit van Christendom en Kerk, uitgave van 1968.) Als we dit in het oog houden kunnen we inzien dat ook het recht niet maar een puur wereldlijke aangelegenheid is, die aan de kerk als geestelijke grootheid geheel vreemd is en met haar innderlijkste wezen strijdt. Want het recht is als zodanig niet een uitvinding van zondige mensen en product van een zondige onwikkeling, maar het vindt zijn oorsprong in God. Heel de openbaring van God .aan Israël en tengevolge daarvan heel Israëls geloofsleven is vol van het recht, dat de HERE heeft gegeven. Gods verlossend handelen met Israël vindt plaats op de basis van het goddelijke, verlossende (!) recht. Sion zal door recht verlost worden en wie daaruit zich bekeren door gerechtigheid (Jes. 1 : 27). In het Nieuwe Testament staan de zaken niet anders.

Met name in de brieven van Paulus treedt de rechtsgedachte sterk naar voren. Het Evangelie is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, want de gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, Rom. 1: 16 en 17. Paulus fundeert de vergeving der zonden - deze grondleggende genade van Godin Zijn recht. Niet vanuit een abstracte rechtsgedachte, maar om die vergeving daardoor haar vastheid en zekerheid, als in overeenstemming met Gods heiligheid in het licht te stellen. We raken het zicht op een der grondstructuren in de Bijbel kwijt, wanneer wij gaan leven vanuit een tegenstelling tussen het juridisch en het geestelijke.
Wanneer we onze Heiland belijden als de Koning van zijn kerk dan spreken we daarmee impliciet over zijn recht, dat in de kerk heersen moet en waaraan wij allen onderworden zijn. Vanuit dit gezichtspunt zal het ons niet vreemd voorkomen dat alle tegenstelling tussen het geestelijke en het rechtsgeldige in de kerk, tussen het charismatische en het institutaire een menselijke constructie is, die niet te danken is aan de Schrif zelf, maar aan een spiritualistisch uitgangspunt bij het lezen ervan.
Eén ding moeten we echter altijd bedenken: Het gaat in het spreken van de Bijbel over het recht nooit om het recht 'op zichzelf', om het recht als een abstracte grootheid, die van God losgedacht kan worden.
Die gedachte is volkomen heidens.
We vinden haar in de spreuk der Romeinen: Het recht moet zijn loop hebben als vergaat de wereld er ook bij. In de Bijbel is altijd sprake van Gods recht, dat met Zijn genade één is en uiteindelijk de verlossing van Zijn volk op het oog heeft.

Omdat het zo gesteld is met de kerk en zij vrucht is van Gods hèrscheppend werk, dat aan de schepping op zichzelf niet tegengesteld is en omdat zó het recht Gods in de kerk heerschappij heeft, kan het ons niet bevreemden dat we in het Nieuwe Testament allerlei regelingen voor de kerk en het kerkelijk samenzijn aantreffen onder de benaming bevelen, verordeningen en dergelijke. We kunnen ze beschouwen als apostolische concretisering van het recht van Christus in zijn kerk. Ze zijn op zichzelf niet vreemd aan het natuurlijke en algemeen menselijke, zoals b.v. blijkt uit 1 Cor. 14, waar de apostel het ordeloos door elkaar heen praten verbiedt, maar dienen wel de gééstelijke opbouw van de gemeente en ontlenen daaraan hun geldigheid in de kerk als het lichaam van Christus.

Nu ben ik me er volkomen van bewust dat ik met dit alles collega Rietkerk niets nieuws heb verteld.
Ik ben er zelfs van overtuigd dat hij het op de genoemde punten in hoofdzaak met mij eens is. Wij onderschrijven immers dezelfde belijdenis, die hij in zijn artikelen uitdrukkelijk genoemd heeft als de geestelijke grondslag van ons kerkelijke leven. Maar ik meende dat er toch alle reden voor was om deze dingen nog eens naar voren te brengen, want het gaat er nu toch wel om om met deze gemeenschappelijke uitgangspunten ook gezamenlijk onze winst te doen en zo tot verdere overeenstemming te komen.
Dat is toch het doel van ons gesprek. Daarom moet het op dit punt voor wat de nadere uitwerking betreft nog verder worden voortgezet. Maar dit eist toch wel een afzonderlijk artikel, ik heb mijn ruimte al wel ruimschoots gebruikt.

1) Ik citeer uit Het kerkrecht, rectorale oratie van dr F. L. Rutgers, Wormser, 894. Ik heb op het ogenblik het boek zelf niet tot m'n beschikking. Zie voor Sohm's grondbeschouwing naast deze oratie van Rutgers ook dr Herman Ridderbosch, Paulus, 1e dr. pag. 490-492.
2) Op deze gezichtspunten wijst Rutgers in de onder 1) genoemde oratie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief