Boekbespreking
1980-10-17
Ds L. W. G. Blokhuis: "Met je tijd meegaan??"- Jaargang 24
- nummer 39
(huwelijk en gezin door maatschappelijke en politieke ontwikkelingen ondermijnd)
In deze keurig uitgegeven en duidelijk gedrukte brochure van 11 pagina's treffen wij de tekst aan van een lezing, die de Schiedamse pastor hield op een openbare vergadering van een kiesvereniging van de R.P.F. in april van dit jaar. De auteur schetst in grote lijnen de invloed van de Frankfurter school. Dat is een neo-marxistische richting, die op een radikale manier de gezinnen en het onderwijs tracht te beïnvloeden. In dat verband valt uiteraard de naam Marcuse! Hij wil, zo heet het, een nieuw rijk van vrijheid opbouwen. Het gaat hem in eerste instantie niet om een veranderde maatschappij, maar om de veranderde mens. De mens is volgens Marcuse een wezen, dat door zijn eros wordt beheerst. Wil die mens in het zoeken van ongebreideld genot aan zijn trekken komen, dan moeten alle maatschappelijke belemmeringen worden weggenomen. Dit is zeker: op de manier van Marcuse wordt zonder meer de antichrist in de kaart gespeeld en aangestuurd op de komplete chaos. Het is een goed ding, dat ds Blokhuis aan deze materie een lezing heeft gewijd en de inhoud daarvan ons in dit geschrift aanreikt. Daarbij komt, dat hij beschikt over de gave zijn visie op begrijpelijke wijze te formuleren!
Hij biedt ons een schriftuurlijk bepaald evenwicht. Omdat in kort bestek niet alles kan worden gereleveerd, verwijst de schrijver voor verdere studie op pag. 11 naar verschillende uitgaven, die bredere informatie verschaffen.
Wij hopen, dat velen de brochure van ds Blokhuis zullen bestellen. Wij moeten mét onze gezinnen heel goed weten in welke gevaarlijke tijd wij leven!
De lezing is verkrijgbaar door storting of overschrijving van f 1,50 op gironummer 534103 ten name van A. de Blois, Vlaardingerdijk 112, 3117 ZM Schiedam.
O. Mooiweer, Enschede
Dr L. Praamsma, De Kerk van Alle Tijden.
Deel 1. Wever, Franeker, 375 pag. Prijs f 49,50.
De vroeger in Amerika woonachtige Gereformeerde kerkhistoricus dr Praamsma heeft ongetwijfeld velen verblijd met de aankondiging van een vierdelige serie over de Algemene Kerkgeschiedenis. Een werk van die omvang is de laatste jaren, voorzover mij bekend, niet aangekondigd. Zeker dus de moeite van het bekijken waard.
Die interesse blijkt volledig gewettigd, als we het eerste deel doornemen. In achttien hoofdstukken, in totaal bijna 200 pagina's, bespreekt dr Praamsma de kerkgeschiedenis "van Jeruzalem naar Rome", met daarin bv. een apart hoofdstuk gewijd aan de kerkvader Hiëronymus en Augustinus, Bijna evenveel pagina's zijn gewijd aan de Kerk in de Middeleeuwen, waarin uiteraard ook de opkomst van de Islam, de Kruistochten en andere grote gebeurtenissen uitvoerig worden beschreven.
Praamsma citeert geregeld uit andere bronnen en dat citeren doet hij goed; het boek is een zeer lezenswaardig geheel, dat ik (bij gebrek aan ander vergelijkingsmateriaal) vind lijken op de monumentale serie van de gebroeders Algra over de vaderlandse geschiedenis.
Interessante en niet altijd aangehaalde passages betreffen (ik grasduin maar wat willekeurig) een lied van (de als ketter veroordeelde) Arius een dagboek van een kruisridder, preken van de theoloog Johannes Chrysostomos, een van de "vaders" van de Oosters Orthodoxe Kerk en oudchristelijke grafschriften. Ook prettig is, denk ik, het feit dat veel namen die voor het eerst voorkomen cursief gedrukt staan. (Voor mensen die ooit echt deze geschiedenis moeten bestuderen is dat handig.) Praamsma weet erg veel, dat is duidelijk.
Hij noemt veel titels van andere werken die voor hem nuttig zijn gebleken.
Soms staat in een voetnoot de herkomst vermeld, soms ook niet. Wat zeer betreurenswaardig is - mijn voornaamste kritiek op het boek is dat er achterin géén namenregister en geen lijst met litteratuur voor verdere studie voorkomen: dat had in een boek van deze omvang beslist niet mogen ontbreken. Ook jammer, maar begrijpelijk, is het feit dat hij zoveel Engelstalige auteurs citeert, van wie het werk niet vertaald en dus relatief moeilijk verkrijgbaar is. (Anderzijds is het ook weer verdienstelijk dat hij van die meestal moeilijk verkrijgbare werken kernachtige passages overneemt.) Als ik dit boek vergelijk met het standaardwerk van Berkhof en De Jong over de Kerkgeschiedenis, dan vallen me de volgende dingen op. Voor dit eerste deel van de serie van vier ben je ongeveer evenveel geld kwijt als voor Prof. Berkhof's boek. De inhoud van Berkhof's boek vind ik wat "zakelijker"; didaktisch is er, lijkt me, met Berkhof's boek iets gemakkelijker te werken. Praamsma schrijft echter voor de gemiddelde lezer een wat "losser" verhaal, in een erg leesbare taal, met veel interessante en de motivatie-
opwekkende voorbeelden. Het mooist is het, als je je beide werken veroorloven kunt. Wie Berkhof's boek kent, vindt toch wel veel nieuwe dingen en zeker aantrekkelijke details, in dit nieuwe werk. Zeer aanbevolen dus aan iedereen.
De prijs is misschien niet te hoog voor een boek dat zo keurig uitgevoerd is; het blijft echter heel wat geld. Mijn wens is dat het boek gauw een tweede druk mag beleven, dat er dan een register wordt toegevoegd en dat er (maar misschien vraag ik nu teveel) een goedkopere uitgave komt. Ik ken veel jongeren, die, denk ik, het best zouden willen lezen, maar voor dit bedrag het boek niet gauw zullen kopen.
Wie weet is Wever in staat hier iets aan te doen.
P. J. van Kampen, Zeist
Balans van het oecumenisme, de oecumenische beweging getoetst bij het licht van de bijbel, door dl' K. Deddens en drs M. K. Drost.
Uitgeverij J. Boersma b.v., Enschede, 1980.
Prijs f 19,50.
Dit boek bevat de stof die in het kader van een' aantal zendingscursussen binnen de vrijgemaakte gereformeerde kerken in de loop van de zeventiger jaren behandeld werd. Het biedt een beknopt overzicht van de geschiedenis van de Wereldraad van Kerken en van de Internationale Zendingsraad en een evaluatie van de achtergronden en de motieven van deze bewegingen.
Zoals te verwachten valt, in zeer kritische geest.
Hoewel de antithetische benadering van de oecumenische beweging in het algemeen onze bijval verdient, moet toch gekonstateerd worden dat men aan het gevaar van 'pure -reaktie' (waartegen op pag. 11 terecht gewaarschuwd wordt) niet altijd ontkomen is.
Eigenaardig is het, enerzijds op pag.
10 te lezen: "De huidige oecumenische beweging wil een eenheid forceren, die niet gegrond is in de eenheid van geloof maar die met een minimum aan fundering een maximum aan uiterlijk samengaan laat zien. Maar vroeg of laat moet zo'n gebouw altijd vallen" - en anderzijds door de rest van het boek heen de indringende bemoeienis op te merken om het verschijnsel van diezelfde t beweging te verklaren vanuit de diep liggende wortels van een samenstel van verwerpelijk denken. Deze laatste aanpak is terecht, maar maakt daarom die zin over een 'minimum aan fundering' tot een slag in de lucht.
Als de schrijver van deze tirade, dr K. Deddens, gelijk had, zou het boek op pag. 10 kunnen eindigen. Waarom immers zoveel aandacht voor een gebouw dat vroeg of laat toch vanzelf in elkaar valt? In werkelijkheid staat het oecumenische streven niet enkel een uiterlijke, maar wel degelijk ook een innerlijke eenheid van de kerken als einddoel voor ogen. Alleen, deze innerlijke eenheid is er niet een die van de Heilige Schrift als bron en norm uitgaat - waar de rest van het boek het terecht over heeft.
Maar helaas, af en toe op reaktionaire wijze. Dat viel me vooral op in hfdst, 12 waar de moderne dialooggedachte als een van de steunpunten van de oecumenische beweging behandeld wordt, Op pag. 100, onder het hoofdje 'Paulus en de dialoog', gaat het dan voornamelijk over Handelingen 17, het hoofdstuk waarin we van Paulus' evangelie-verkondiging op de Areopaag lezen. Een zeer genuanceerd geheel bij Lukas, maar de uitlegger die in dit boek aan het woord is, drs M. K. Drost, blijft steken in een paar reaktieve opmerkingen aan het adres van D. C. Mulder tegen diens bewering "dat de Atheners hebben gepoogd om. .. God in al hun onwetendheid en onkunde te vereren".
Er worden uit Paulus' rede wat graantjes opgepikt om het tegenovergestelde standpunt van de sdhrijver kracht bij- te zetten en die graantjes ondergaan dan ook nog een bewerking ... Zo wordt uit een klein verschil in voorzetsels in vs. 17, (dat overigens terecht gekonstateerd wordt) m.i, teveel opgemaakt. Het gaat om het griekse voorzetsel pros en drs Drost omschrijft: "Maar op de markt voert hij de dialoog niet met, maar tegen hen, die hij er aantrof. In het laatste geval is er dan toch wel van een scherpe bestrijding sprake." De betekenis van het griekse voorzetsel is 'tot' en dat valt in dit geval precies tussen 'met' en 'tegen' in. Je zou vs.
17 zo kunnen omschrijven: "Hij hield daarom in de synagoge samensprekingen met de Joden en met hen die God vereerden en op de markt dagelijks ook, maar meer op afstand, met hen die hij er aantrof". Die 'scherpe bestrijding' kunnen we dus nog even thuis laten. Zoals we bij vs. 18 ook nog niet meteen van een 'conflict' met de Epicureïsche en Stoïcijnse wijsgeren behoeven te spreken, noch ook direct 'het harde heidense hart dat zich verzet' en de 'hautaine minachting voor Paulus' boodschap' behoeven te konstateren - al komt dat alles wel aan het licht. Maar het zo voorop te stellen - nee, dat is me allemaal te militant-vrijgemaakt in plaats van bijbels. De rede van Paulus op de Areopaag is zeker niet zoetsappig en dat de apostel daarin de valse religie van de Atheners in de hartaders aantast, zoals drs Drost zegt, is waar, maar dat "een gemeenschappelijk uitgangspunt niet aanwezig is", is niet waar. Wat dan immers te denken van vs. 29: "Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen ... "? Valt daar soms de wij-vorm niet op? En de bereidheid van Paulus om voor een ogenblik de God en Vader van onze Here Jezus Christus, geprezen zij zijn Naam!, te benoemen als "de godheid' of, letterlijk zelfs, 'het goddelijke'?
Door zo te spreken gaat Paulus met deze heidenen, al is het ook maar voor even, op een gemeenschappelijk vloertje staan. In deze passage steekt hij een hand naar ze uit. Dit is waar, naast dat andere dat drs Drost aanwijst: compromis-loze evangelie-prediking en eis tot bekering en geloof (vs. 3 v.v.). De antithese is in de Heilige Schrift meer conclusie dan praemisse, meer volgend dan vooropgaand. Eerst: alzo lief heeft God de wereld. . . (Joh. 3) en dan, na gebleken ongeloof: Ik bid niet voor de wereld (Joh. 17).
Wat Paulus in Hand. 17 doet is uiterst genuanceerd en niet gemakkelijk met èèn woord te benoemen. Daar is het te komplex, te samengesteld voor.
Het is een kombinatie van aanknopen en aangrijpen, van aantrekken en afstoten.
In een beeld: zoals bij een dreigende breuk in een hoogspanningskabel de reparateur eerst een - noodverbindingen over de beurse plek heen legt en daarna de plek doorknipt om vervolgens een gezonde las te maken en tenslotte de noodverbinding weg te nemen. Ik gebruik dit misschien wel zelfverzonnen beeld om iets te laten voelen van het samengestelde van Paulus' handelwijs. Wonderlijk genuanceerd!
Ik zou zo graag zien dat in het gereformeerde nadenken over de zending een tijdperk van voorzichtigheid aanbrak. Hebben wij de wijsheid der Schriften al uitgeput, als het gaat over de benadering van de niet-gelovigen?
Geen overbodige vraag met zoveel niet-christenen als naaste buren! Waar ik me op zendingsavonden wel eens aan gestoten heb, is dat over de niet christenen, de heidenen zogezegd, soms zo verachtelijk gesproken werd.
Niet zelden hoorden we van hen alleen maar dat ze vies waren en lui.
Ze werden met hun cultuur niet in hun menselijke waarde gelaten. Zou daar misschien die - inderdaad te ver gaande! - dialoog-gedachte van de moderne zending een reaktie op kunnen zijn? Wat een reden dan om onszelf niet in een reaktie-dáár-weerop te verstrakken.
Mijn globale konklusie is dat we hier te doen hebben met een goed, informatief en op niet oppervlakkige wijze naar achtergronden doortastend boek, dat hier en daar ontsierd wordt door reaktionair militantisme, - waar wij vrijgemaakten vaker last van hebben.
H. de Jong, Amsterdam