Gesprek over het samenleven der kerken (slot)

1980-10-24
  • Jaargang 24
  • nummer 40
Het verband
De plaatselijke kerken hebben een band aan elkaar door de gemeenschap van het geloof. Zij beleven die gemeenschap ook, zo zagen we in ons vorige artikel. Het Nieuwe Testament geeft ons daarvan verschillende voorbeelden. Zo groeit uit deze band een zeker verband, waarin zij met elkaar meeleven, elkaar helpen, de gemeenschappelijke belangen behartigen. Dat we in het Nieuwe Testament nog niet van zulk een nader geregeld verband gesproken vinden, behoeft ons niet te verwonderen. De apostelen waren er toen, die een eenheidsband vormden en in bepaalde situaties regelden, wat er geregeld moest worden, denk aan de collecte voor Jeruzalem.
Zij stonden ook de gemeente met raad en daad terzijde en grepen zelfs in waar dat nodig was.
Christus voorziet in bepaalde behoeften van zijn kerk niet voordat 't nodig is! Wel heeft Hij zijn gemeente de Geest geschonken om haar te leiden door de geschiedenis, ook om regelingen te treffen, die zijn kerk behoeft als de omstandigheden dat meebrengen. Dat was voor een deel al zo in de apostolische tijd zelf, altijd in overeenstemming uiteraard met het eenmaal gegeven Evangelie en de aard van de kerk.
De mondigheid en vrijheid van de gemeente wordt ten volle gehonoreerd, vgl. Rom. 15 : 14. In dit opzicht zijn ds Rietkerk en ik geheel eenstemmig, als ik me niet vergis.
Van een rechtstreeks gebod tot en een uitgewerkte leer over de vorm van het kerkelijk samenleven is in het Nieuwe Testament geen sprake.
Daar zijn we het over eens. Ook hierover dat wij uit het Nieuwe Testament wel enige dingen kunnen leren, die in ieder geval van toepassing zijn voor het samenleven van kerken. Hij wijst dan een verbond van de kerk af, en verstaat onder een verbond een meer 'innige' verbinding en' kiest voor een federatie, die veel minder 'strak' is. Op de termen zelf ga ik nu niet in, al zou daar nog wel wat over te zeggen zijn, de inhoud die hij er aan geeft is tenslotte belangrijker. En ik zeg er direct van dat de federatie, die hij voorstaat, voor mij te weinig inhoud heeft en niet voldoet aan de behoeften van de gemeenten en ook te weinig beantwoordt aan de diepe en inhoudrijke geestelijke band, die ze verenigt. De vorm blijft hier ver achter bij het wezen, om het zo eens te zeggen.

De federatie houdt voor hem in het regelen, door enkele deskundigen (!) van enige administratieve zaken als het contact met de Overheid en dergelijke. Verder wil hij regio-avonden met het doel van verdieping en bemoediging, en verandering van de landelijke vergaderingen tot tweejaarlijkse conferenties tot opbouw van het gemeenteleven en zo ombuiging van het administratieve tot het opbouwende, van het juridische tot het geestelijke.
Nu wil ik allerminst het nut van regionale of landelijke conferenties met het doel van de persoonlijke opbouw in het geloof ontkennen of in twijfel trekken. We hèbben die ook reeds. Ik denk aan de tweejaarlijkse contactdag, die door velen met vreugde wordt bezocht, aan de Vrouwencontactdag, die zelfs elk jaar wordt gehouden, aan de landelijke en regionale contactdagen van onze jonge mensen, aan de conferenties van predikanten, van ouderlingen en diakenen, waarin zij elkaar bemoedigen en voorlichten.
Ik heb in mijn leven al heel wat van deze en dergelijke conferenties meegemaakt en dat soms met veel zegen. Daartegen gaat mijn bezwaar dus in geen enkel opzicht.
Maar wel tegen de bepèrking van ons kerkelijk samenleven daartoe.
Er is nog iets anders voor het kerkelijke samenleven nodig, het bespreken van vragen en aangelegenheden van de kerken zèlf, zoals ik daarover schreef in het eerste artikel, waarnaar ik nu weer met nadruk verwijs en waaraan ik nu het volgende wil toevoegen. Ik wil dan allereerst iets opmerken over de vrágen, die wij gemeenschappelijk hebben. Dat zijn de vragen over de rechte inrichting of ordening van de plaatselijke gemeenten, waarover de Schrift ons wel haar licht geeft, ook voorschriften, maar zoals we reeds 'zagen niet in systematisch verband. Vragen over de ambten of diensten, de charisma's, de eredienst, de tucht en dergelijke. We hebben voor het rechte zicht daarop en de rechte ordening der kerken elkaar nodig en moeten voor wat de hoofdzaken daarvan betreft met elkaar rekenen en met elkaar de goede lijnen trekken. Alle kerkelijke individualisme moet daarbij afgewezen worden, zoals we zagen. Dit mag niet leiden tot gelijkschakeling en uitwissen van het specifieke karakter van elke afzonderlijke gemeente, maar wel tot de goede, schriftuurlijke orde inzake ambt en dienst van elke gemeente, waarbinnen de Geest wil werken om het geestelijke leven tot eigen ontplooiing te brengen naar de mate van het geloof.
Daarom hebben vanouds in de kerkenordeningen ook de regelingen voor de plaatselijke kerken een wettige plaats ontvangen. Tegenover Roomsen, Anabaptisten, Vrijgeesten, Remonstranten en dergelijke hebben de kerken van de Reformatie op deze wijze met elkaar in onderlinge afspraak en hulpverlening
mogen werken aan een bijbels geordend
kerkelijk leven, waarin de geestelijke band aan elkaar werd beleefd en gestalte kreeg en waarin ze bij elkaar bewaard bleven en voor uiteengroeien in willekeur tot onherkenbaar-wordens toe werden behoed.
Daar zijn verder de gemeenschappelijke belàngen. Ik denk daarbij aan de geestelijke hulp, elkaar te verlenen in plaatselijke moeilijkheden.
Aan het recht van beroep voor plaatselijk onderdrukte of onrechtvaardig behandelde leden: ook dát kan gebeuren in deze bedeling, hoe idealistisch we ook over de kerk kunnen spreken en schrijven. Ik denk verder aan de steunverlening aan kleine, hulpbehoevende kerken waardoor op vele plaatsen de geregelde bediening van het Woord en de sacramenten en de herderlijke zorg zo vaak mogelijk werd gemaakt.
Men kan dit rangschikken onder administratieve aangelegenheden, maar het is een zaak van het hoogste geestelijke belang. Niet in de laatste plaats moet hier genoemd worden de zaak van de Opleiding tot de Dienst des Woords en het toelaten tot het ambt van predikant. Dit laatste wordt van steeds toenemend belang nu de Opleiding veelal buiten de bemoeiing en controle der kerken zelf omgaat.
Het is duidelijk dat hier een gemeenschappelijk belang der kerken in geding is, temeer omdat de kerken zonder nadere controle elkaars predikanten in eigen gemeenten laten voorgaan en ook elkaars predikanten beroepen. Het gaat met deze zaak om een geestelijk belang van de kerken van de hoogste orde. Zo ergens dan hebben we hier elkaars hulp en de onderlinge samenwerking nodig. Daarvoor zijn onderlinge" afspraken, in een duidelijke regeling vastgelegd, onontbeerlijk.
Niet dat we daardoor het volmaakte ooit bereiken, maar we hebben er wel ons best voor te doen.
Ook hier is voorkomen beter dan genezen. Een losse federatie is ook met het oog op deze zaak ten enen male onvoldoende.
Gaan hier de wegen van ds Rietkerk en mij uiteen en ben ik blind en doof voor zijn eigenlijke intentie?
Het laatste zeker niet. Daarom nog een enkele opmerking. Als ik het pleit voer voor een goede ordening van het kerkelijke leven, dan doe ik dat vanuit de in het tweede artikel uiteengezette uitgangspunten, die naar mijn vaste overtuiging rechtstreeks voortvloeien uit ons gemeenschappelijk reformatorisch gelóóf.
We zijn geen kinderen van Rome noch van het spiritualisme, maar van de Reformatie. Daarom schuw ik zelfs het woord kerkrecht niet, omdat het daarin gaat om Christus' recht in zijn kerk. De daarmee samenhangende Schriftuurlijke ordeningen, de nadere concretisering van zijn recht in zuiverkèrkelijke afspraken, zulks in verband met tijd en omstandigheden, hebben als enig doel de goede orde van de gemeenten en haar opbouw in het geloof. Dat moet in het oog gehouden worden. Dan geven we niet af op het 'juridische' en verafschuwen tegelijk alle juristerij, alle formeel uitzuigen van regels, waarmee geen enkel geestelijk belang wordt gediend. Wanneer dit kwaad de kop op steekt, wordt het tijd om te waarschuwen, want in de kèrk is werkelijk nauwelijks iets meer te verafschuwen. Het verstikt het geestelijke leven. Ben ik dus niet blind voor de eigenlijke intentie van ds Rietkerk, wel hoop ik hem iets over de streep getrokken te hebben van onwerkelijke tegenstellingen en misverstanden, ook met betrekking tot enkele Bijbelse gegevens.
Ook van het misverstand dat het kerkelijke accoord, dat in de maak is, iets ànders zou zijn dan een geheel van afspraken, waarin deels ons gemeenschappelijke geloof in duidelijke Schriftgegevens wordt uitgedrukt, deels de nadere uitwerking van Bijbelse gegevens in gemeenschappelijk overleg tot stand komt, zoals onze tijd en omstandigheden dat gewenst maken. Van een wet die we elkaar opleggen is daarbij dus in het geheel geen sprake, noch van het gereedmaken van regels, om daarmee een druk op elkaar te kunnen uitoefenen buiten het Woord om. Daar kan ook geen sprake van zijn zolang we het vèrband laten rusten in de bànd: ons gemeenschappelijk christelijk geloof, dat gewerkt wordt door Gods Woord en Geest. Die band moge ons allen bijeenhouden en in de huidige vragen verder leiden op een eensgezinde weg. "Omdat... niet alles in het Woord van God uitdrukkelijk geregeld is, moet de kerk - zo heeft de reformator van Straatsburg eens geschreven - ordeningen maken, die echter niet van boven af de gemeente mogen worden opgelegd tegen haar wil. Men moet "sie dazu freündtlich hermanen, und sie mit guten ursachen auffüren" 1) Aan deze eis heb ik getracht in mijn artikelen te voldoen, in de hoop gehoor te vinden.

1) De ambten bij Martin Bucer, door dr W. van 't Spijker, 141.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief