Van de rechtvaardigen
1980-10-24
"Er is een bepaalde groep mensen, die de Heilige Schrift de "rechtvaardigen" noemt. De Schrift spreekt zeer veel over hen, roemt hen zeer en zegt zelfs, dat God Zijn ogen op hen houdt in welgevallen en gereed is hen te helpen als ze tot Hem roepen.- Jaargang 24
- nummer 40
Deze groep onderscheidt de Schrift zeer scherp van een andere groep, die ze goddelozen noemt.
In onzen tijd is het niet gemakkelijk om de woorden Gods op dit punt te belijden. 't Gevaar bedreigt ons, dat we niet meer durven spreken van de "rechtvaardigen", omdat de wereld ons dan direct aanziet voor "Farizeeërs", die menen, dat zij beter zijn dan de anderen.
En niet enkel de "wereld", maar ook de "Christenheid" valt ons aan, als we van de "rechtvaardigen"
durven spreken, zoals de Heilige Schrift doet. Een heel getuigenis van moderne godsdienstige spreuken en modewoorden staan ten dienste om de rechtvaardigen, die GOD zalig spreekt, met Gods oordelen te verschrikken, terwijl men zeer mild over "andere godsdiensten"
en over goddelozen spreekt. ( .. ) Zo wordt de scherpe scheidslijn, die de Here in Zijn Woord maakt tussen de rechtvaardigen en de goddelozen zeer vromelijk weggedoezeld (Ezech. 13 : 22).
Tegenover deze leugengeest, die de goddelozen vleit met Gods liefde en de rechtvaardigen wil verschrikken met Gods oordeel, wilde ik in dit boek stellen, wat GOD ZELF in Zijn Woord van de "rechtvaardigen" zegt. De belijdenis van de woorden Gods over de rechtvaardigen is de grondtoon van dit boek. (... )"
Morgen, 25 oktober, is het vijftig jaar geleden, dat de heer A. Janse dit neerschreef als "Woord vooraf"
voor een boek, dat enkele maanden daarna bij Kok te Kampen verschijnen zou onder de titel, die boven deze bijdrage staat.
Velen in onze kring - zeer zeker "de jongeren - weten van het bestaan van dit boek niet meer af, hoewel het in 1961 herdrukt is. Er verschijnt zoveel, dat oudere werken dikwijls geen aandacht meer ontvangen. En de tijd brengt mee dat er weinig band is met het verleden.
Dat is echt te betreuren, waar het gaat om de geschiedenis van de kerk en om waardevolle boeken. Boeken, zo vól van waarden, dat ze niet enkel van betekenis waren in de tijd van verschijnen en enkele jaren daarna, maar nog steeds actueel zijn, d.i. van betekenis voor ons, in déze tijd.
Uit het geciteerde "Woord vooraf"
blijkt de bedoeling van de auteur duidelijk. Hij signaleert, dat men de Schriften niet meer verstaat en dat de christelijke (de gereformeerde) wereld openstaat voor een leugengeest.
Hij ziet de Waarheid Gods in geding en biedt zijn broeders en zusters een 114-tal Schriftstudies aan, waarmee hij hen wil helpen.
Zie toch de strijdpunten, weet wat Uw Heer U aan onderwijs geeft. En hoe Hij U waarschuwt Hem niet te verlaten.
Om die strijd te verstaan, eerst iets over de gereformeerde wereld van die dagen. Een "goede, oude tijd" was voorbij. De kerken uit de Afscheiding (1834) en de Doleantie (1886) waren in 1892 verenigd en ondervonden daarna grote zegen.
De HERE gaf mannen, die voorgingen: Kuyper, Bavinck, Lindeboom, Sikkel e.a. en Hij maakte Zijn volk trouw in het volgen van hen.
Politiek kreeg de Anti-revolutionaire partij steeds meer invloed, de schoolstrijd werd beëindigd met de (financiële) gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs en op maatschappelijk gebied konden wetten tot stand komen, die verbeteringen voor de arbeidende klasse met zich brachten (acht-urige werkdag, sociale voorzieningen).
We zijn dan in de jaren ná de eerste wereldoorlog.
De gereformeerde bevolkingsgroep had invloed en bezette vele plaatsen in staat en maatschappij. Je telde als gereformeerde mee. En de gereformeerde beginselen kregen aandacht, zie plaats en invloed van de Vrije Universiteit, van het Christelijk Nationaal Vakverbond, van de talrijke "Scholen met den Bijbel", ook middelbare. En dat alles in de kring van de Gereformeerde kerken, die toen 600.000 leden telden, een groei van 50% ten opzichte van 1890.
Maar, zoals 't zo dikwijls is in de geschiedenis, toen men de strijd bekroond zag en een zekere positie was verworven, verliet een volgend geslacht God, hun Here (zie Deut. 32 : 15). Niet ruw, niet opeens en openlijk. Misschien niet eens opzettelijk.
Nee, er kwam ruimte voor onschriftuurlijke invloeden, en die werken heel geleidelijk door.
Joh. Lagendijk geeft daarvan in zijn boekje "Jeruzalem of Babylon" (Rotterdam 19512) een duidelijke tekening. De goede strijd van het geloof ontbrak. De periode van plusminus 1914 en daarna "kenmerkt zich door toenemend geestelijk verval van Woordverlating en verbondsverachting.
In de gesloten gereformeerde samenleving zonk het geloof in. Er was weliswaar grote activiteit vanuit de organisatie: synoden, jeugdbonden, A.R.-partij, maar 't was alles "beginselen" wat de klok sloeg en de echte "vreze des Heren" ging hoe langer hoe meer ontbreken (Veenhof). Men was gearriveerd en de "leiders" zouden verder de zaken wel regelen. "Bekwame mannen" immers, en ze lieten 't zich nog aanleunen ook. De professorenadviseurs ter synode maakten de dienst in de kerken uit, evenals de politieke en maatschappelijke "voormannen" op hun terrein. Velen van hen waren in veel opzichten te goeder trouw. De beginselen, waarvoor ze stonden, waren toch de gereformeerde, de enig goede?
Lagendijk wijst op het veldwinnend subjectivisme, het zichzelf en de eigen opvattingen autonoom verklaren.
In plaats van het vragen naar de wil van de HERE kwam heel geleidelijk aan het rekenen met de belangen van de eigen (gereformeerde) groep. De invloed van de wetenschap, onder leiding van V.U.-hoogleraren wordt dan groter, doch ging niet gepaard met onderzoek van de Schriften. In het kielzog daarvan komt dan het individualisme ("Wat betekent de Here Jezus voor mij?"), het relativisme ("de waarheid is toch veelvormig?") en het personalisme (persoonsverheerlijking en -bestrijding).
Boeken als "De parade der mannenbroeders" geven daarvan een beeld, zij het eenzijdig en soms ergerlijk -sarcastisch.
Maar ook "buitenstaanders" zien iets van dit alles. In een boekje "Verontrustende prediking" schrijft de hervormde predikant H. C. Touw omstreeks 1940 over de situatie in de twintiger jaren: "Wat is er weinig prediking die ook werkelijk gereformeerd is! Misschien is nergens zó de naam der prediking in tegenstelling met de werkelijkheid als juist hier. Juist hier, waar zo zelfverzekerd betoogd wordt, dat men alléén de Heilige Schrift aIs bron en norm erkent, wordt naast en boven die Schrift gesteld een gesloten systeem met vaste beginselen, met heldere lijnen, als een duidelijk geestelijk bezit. Juist hier wordt de prediking verwrongen naar een vooropgezette geliefkoosde leer.
Juist hier, waar men een blijmoedig moed zou mogen verwachten, de verbluffendste zelfgenoegzaamheid.
Juist hier, waar men een blijmoedig uitzien naar de Toekomst zou verwachten, een krampachtig zich verschansen in de stellingen van vroegere geslachten. Hoe is het goud verdonkerd! "Zo'n situatie van afval, van verbondsverlating biedt openingen voor de "energieën van dwaling" (2 Thess. 2: 11). Ze kwamen van alle kanten binnen de muren, mede ook door de opkomst van de dialectische theologie (Karl Barth), waarin onder oude bekende termen de Waarheid Gods aangetast werd en een nieuwe (valse) inhoud kreeg.
Wat waren er vele bewonderaars van deze verleidende geest, ook in de gereformeerde kring.
De heer Janse heeft dit alles onderkend en hij ontving wijsheid om het op eenvoudige manier aan te wijzen en ertegen te waarschuwen. Ook om de goede weg aan te geven en op bekering aan te dringen. Genoemd boek getuigt van zijn grote liefde voor de HERE en voor Zijn volk, maar ook van de verschrikkelijke gevolgen van het verlaten van Zijn verbond.
De inhoud van het boek komt in een volgend stuk aan de orde.