Zo was het (44)

1980-10-31
  • Jaargang 24
  • nummer 41
De vorige keer eindigde ik met een aanhaling uit Gal. 5: "Vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing." Alles vrucht van de Geest. Maar die groeit niet vanzelf in ons leven. We zijn geen 'stokken of blokken'.
Ook geen planten. Maar verantwoordelijke schepselen van God.
Dat laatste wordt door menig kerkmens vergeten.
Luther vergat het ook wel eens. Hij schreef het volgende: "Waartoe elk ding geschapen is, dat doet het zonder wet en dwang. De natuur van de zon is dat ze schijnt, zonder gebod; een pereboom draagt uit zich zelf vrucht, ongedwongen. Drie en zeven móet geen tien zijn; dat IS tien. Het is niet nodig, dat men onze Here God beveelt dat Hij goed moet doen, want Hij doet het onophoudelijk uit Zichzelf gewillig en gaarne". Hij voegt daaraan toe: "Zo hoeft men de rechtvaardige niet bevelen, dat hij goede werken doen zal, want hij doet ze zonder gebod en dwang, omdat hij een nieuw schepsel is en een goede boom. Men mag hem daartoe opwekken, als tenminste het geloof rechtschapen en niet geveinsd en schijn is". Luther was een man van groot geloof. Maar zulk een bewering vind ik niet ongevaarlijk. God dwingt niemand, maar dringt wel sterk aan. Ik zou niet weten waarom we niet mogen zeggen, dat Hij de rechtvaardigen bevéélt goede werken te doen. Niet als een tyran, maar als onze hemelse Vader. Ook de naar Gods beeld geschapen mens kán Gods bevel weerstaan. Ondanks Zijn dringend vermaan.
Niets in ons leven gaat vanzelf. Ook niet "áls vanzelf". Al doende leren we wel, maar vanzelf, automatisch? Neen.

Dat blijkt toch ook uit Gal. 6 : 9: "Laten wij niet moe worden goed te doen, want wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen".
Is het niet mogelijk dat gelovigen verslappen?
Laten we daar maar voor oppassen. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valt. 1 Kor. 10: 12.

Uit de brief aan Efeze zal ik één tekst wel nooit vergeten. Toen m'n grootvader al totaal dement was, riep hij vaak uit: "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is Gods gave; niet uit werken, opdat niemand roeme. Want Zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God te voren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen". Heel de verlossing is Gods gave.
Alle roem is uitgesloten. Wie roemt roeme in de Here. Maar Gods gáve brengt opgáve voor de gelovigen mee. We zijn in en door Christus her-schapen. Gods gave. Met de opgave om goede werken te doen. God bereidt de gelovigen daartoe voor. En wij zullen of moeten daarin wandelen.
Daarin léven.

Evenals alle brieven eindigt Paulus ook de brief aan de Efeziërs met vermaningen. Met z'n opgaven zouden we kunnen zeggen. Zo in Efeze 4: "Als gevangene in de Here, vermaan iku dan te leven in overeenstemming met de roeping, waarmee gij geroepen zijt. Met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid. En elkander in liefde te verdragen. En u te beijveren de eenheid van de Geest te bewaren door de band van vrede. We hoeven elkaar niet vertellen denk ik, dat vele gelovigen en vele kerken of kerkjes zich daartoe met beijverd hebben. De geschiedenis van de Kerk bewijst dat het mogelijk is apostolische vermaningen of goddelijke bevelen te weerstaan! Het leven in goede werken gaat blijkbaar niet vanzelf. Van iemand, die denkt dat alles wel vanzelf gaat in het werk der verlossing, geldt dunkt mij een woord van Johannes: "hij bedriegt zichzelf en de waarheid is niet in hem". Ondanks alle goede bedoelingen.
Waaraan ik niet twijfel.

Efeze 4 : 17-32 draagt als opschrift: De nieuwe levenswandel. De gelovigen moeten breken met hun heidens leven van vroeger. "Gij helemaal anders" 'is een bekende tekst. Dat geldt ook het moderne heidendom, waarmee we tegenwoordig te maken hebben. Zalig, als wij "geheel anders" leven.

Nog één tekst wil ik noemen, omdat daaraan een herinnering is verbonden, aan "hoe het was". Ik bedoel: "Bedrinkt u niet aan wijn, waarin liederlijkheid is. Maar wordt vervuld met de Geest en spreekt onder elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. En zingt en jubelt de Here van harte. En dankt altijd in de naam van onze Here Jezus Christus God de Vader voor alles". Ef. 5: 18-20. Omstreeks 1945 preekte over deze tekst een collega van elders. Wie het verhaal reeds kent, kan de volgende regels wel overslaan. Ofschoon het mogelijk wel eens goed is bepaalde verhalen nog eens weer te horen. De waarschuwing tegen dronkenschap lag m'n collega wel. Hij was geheelonthouder.
Ook het slot behandelde hij met vuur en vaart. Hij was een liefhebber van de zang en van de muziek. Was vermoedelijk ook wel een voorstander van gezangen. Geen slechte zaak dunkt mij. Zingen wij wel ooit rechtstreeks een loflied op onze Here en God, Jezus Christus?
Maar met het middenstuk wist hij geen raad. Hij was een voorstander van het "houden voor wedergeboren". Wie de Geest had, hád de Geest en was vol van de Geest. Hoe kon hij dan ons vermanen om van de Heilige Geest vol te worden? Dat waren de gelovigen toch automatisch?
Nu dan. Maar er staat toch maar: Wordt vervuld van de Geest. Wat maakte m'n broeder daarvan? Hij vertaalde en verklaarde dit zo: Laat zien, dat gij wedergeboren zijt! Hij was er gauw klaar mee. En ging over tot de psalmen en gezangen en liederen.
Daar hebt u nu levensgroot het gevaar van een zekere dogmatiek. Een leerstelling, dat de wedergeboorte bestaat in het instorten van een levenskiem. Die vanzelf of áls vanzelf uitspruit en opbloeit in geloof en bekering. Als volbloed Kuyperiaan kon m'n collega niet onbevangen over deze tekst spreken. Waarschijnlijk kunnen of durven vele prekers het nog niet. Ik vroeg hem een uurtje ná de preek: Waarom heb je niet laten staan wat er staat? Z'n antwoord was: Maar daaraan kunnen wij toch niets doen? We zijn toch wedergeboren of niet-wedergeboren?
We zijn toch vol van de Geest of niet? Dat moet toch betekenen: Laat zien dat ge wedergeboren zijt?
Maar wat moet een niet-wedergeborene dan met deze preek? Maar laten zien dat hij nietwedergeboren is en niet vol is van de Heilige Geest? M'n collega en broeder gaf er geen antwoord op. Toen hij in de bus stapte zal ik hem wel toegeroepen hebben: Laat toch staan wat er staat! Dat zeg ik nog. We worden in deze tekst vermaand om te zorgen, dat we vol worden van de Heilige Geest. En leeg te blijven van de geest der wereld. O.a. ook maar leeg te blijven van wijn en sterke drank.
De Geestelijke of goddelijke wapenrusting van Ef. 6 Iaat ik nu maar rusten. Laten we die maar aantrekken om weerstand te kunnen bieden in deze boze tijd en stand te houden. Na onze taak vervuld te hebben. Ons aller taak.

Maar nu dan het heerlijke briefje, vol van de blijdschap van het geloof, de brief aan de Filippenzen.
Ook vol van vermaningen om goede werken te doen. Paulus begint met te zeggen, dat hij bidt, dat hun "liefde nog steeds meer overvloedig mag worden; gepaard met helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zullen we rein zijn en onberispelijk tegen de dag van Christus, vol van de vruchten der gerechtigheid, die te danken zijn aan Jezus Christus, tot lof en eer van God". Durven wij zo bidden om "rein en onberispelijk" te zijn in de dag des oordeels? Vol van goede vruchten? De Filippenzen waren van nature toch niet beter dan wij?

Vaak zal ik over een tekst of gedeelte van deze brief gepreekt hebben. Of ik durfde preken over Fil. 2 : 12 en 13 is een vraag, die ik niet kan beantwoorden. Waarschijnlijk is het niet. Vermoedelijk deed ik het eerst in de tijd van 1940-1946. Maar toen en later met grote vrijmoedigheid.
Ik bedoel de bekende woorden: "Blijft uw behoud bewerken, met vrees en beven. Want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt". Dat klinkt mogelijk gereformeerden van allerlei snit nóg wat vreemd in de oren. Onze eigen zaligheid bewerken? 't Is dat Paulus het gezegd heeft.
Anders zou het toch ongeloofwaardig zijn? Dat is toch onmogelijk? Als bewijs van die onmogelijkheid worden dan allerlei teksten uit de Schrift en de Belijdenis aangehaald. Toch moeten we deze maar zó laten staan, als hij daar staat. Die vermaning, we mogen wel zeggen dat bevèl, geldt ook nog voor alle gelovigen. Men heeft wat aan deze tekst gemorreld en gezegd: Dat werken moet je verstaan als uitwerken. M.i. zou dat niet veel aan de zaak veranderen. Maar er staat gewoon: werken. Arbeiden aan je eigen behoud. Of, zoals in de St. Vert. staat, aan je eigen zaligheid. Verder benadrukt men dat "met vrees en beving". Alsof dat zou betekenen: of er veel van terecht komt is nog de vraag. Ik zou dat "met vrees en beven" met de kantt. verklaren als: "met een nederig gevoelen van uzelf en met grote en kinderlijke zorgvuldigheid, vrezend dat gij iets zoudt mogen doen .of nalaten, waarmee gij God zoudt mogen vertoornen of dat ter zaligheid hinderlijk zou mogen zijn". In elk geval heeft het niets te maken met slaafse angst of vrees. Maar met kinderlijk ontzag voor God. In volstrekte afhankelijkheid van Hem. Want Hij is het die in ons werkt het willen en het werken. Hij is met zijn Geest en door de kracht van het Evangelie werkzaam in ons leven. En zo stelt Hij ons in staat om te doen wat Hem behaagt. Zodat we Hem welbehagelijk zijn. Zó dat ons doen en laten Hem aangenaam is, zouden we kunnen zeggen.

Hoe het zit met de verhouding van Góds werken in ons leven en ónze werkzaamheid moet ons maar niet lang bezighouden. Wie doorziet dat geheel? 'k Heb eens bij iemand gelezen bij wie weet ik niet - dat God voor 100% onze redding bewerkt. En dat wij het ook voor 100% doen. Alle roem komt aan Hem toe.
Maar Hij doet het door ons. En als wij ons behoud niet werken of maar half of voor een kwart, dan is dat niet de schuld van de HERE.
Alsof Hij ons behoud niet wil. Maar dan ligt de schuld bij ons en niemand anders. Laten wij ons maar niet druk maken met dat probleem van Gods werk en ons werk. Doch gewoon doen wat de HERE van ons vraagt. En niet twijfelen of Hij ons wel zal geven wat nodig is om onze redding te werken.

Wat tot die zaligheid of redding behoort kunnen we lezen in de omgeving van deze tekst: Niet mopperen en ruzie maken. Zorgen dat we onkreukbaar zijn als echte kinderen van God.
En dat er niets op ons is aan te merken. En dat we als lichten schijnen in deze duistere wereld.
Zo zegt de apostel het.

Zullen we zo in dit leven al de volmaaktheid bereiken? Dat niet. Maar we moeten er wel naar jagen. Zoals Paulus schrijft in 3: 12: "Niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn. Maar ik jaag er naar om te grijpen waartoe ik door Christus Jezus gegrepen ben".

Er was in Voorthuizen een J.V. met de naam Fil. 4: 8. Wel een mooie naam. Als men tenminste wist wat er in deze tekst staat. Die waren er dunkt mij niet veel. Het is een heerlijke tekst: "Tenslotte, broeders (en zusters zou Paulus zeggen als hij schreef in deze tijd) overweeg steeds wat waar en verheven is, rechtvaardig en heilig, beminnelijk en eervol, alles wat goed is en lof verdient. Breng in praktijk wat ik u geleerd en overgeleverd heb door mijn woorden en mijn daden. Dan zal God die de vrede geeft met u zijn".
Het schijnt dat deze rij van deugden (wat waar en waardig enz. enz.) ook genoemd en aangeprezen werden door heidense filosofen. Zelf brachten zij er weinig of niets van terecht. Er was een bekende schrijver, die boekjes schreef tegen de slavernij en tegen de geldzucht en tegen geweld. Maar de man had een slavenstoet zonder tal. Hij werd milionair, niet zonder schuld. En deed mee aan de geweldenarijen van Nero! Zo gaat dat vaak in de wereld. Zo gaat dat toch zeker niet, moet het in elk geval niet gaan met christenen? Zij kennen toch de kracht van Gods' genade en de macht van het Evangelie en de almacht van de Heilige Geest?

'k Heb deze brief nog eens doorgelezen. 'k Vind daar het Evangelie van Jezus Christus. In Wie de Filippenzen hebben Ieren geloven. Tevens de vermaning om te onderhouden alles, wat Hij gebiedt. Ze hebben navolgers van Hem te zijn.
En aan Paulus hebben ze gezien en ze hebben het van hem gehoord, hoe ze hebben te leven.
Nergens zegt de apostel, dat van een christelijk leven niets kan komen. Geen opmerking dat het wel niks zal worden met hen. Geen negatieve instelling van "och en ach". Mogelijk denkt of zegt iemand: Maar dat wisten ze toch uit de Schrift? Mijn vraag is: hoe weet u dat. Wij denken allicht, dat ze daar heel de Bijbel kenden: Of althans heel het N.T. Zou het? Het heeft eeuwen geduurd eer er in een kèrk een Bijbel was. En tot de 16e eeuw eer er een gedrukte H. Schrift was. Ze hadden daar deze brief. En mogelijk nog wat brieven van Paulusen anderen. Ze kenden daaruit de Here Jezus.
En de kracht van Zijn opstanding! Kennen wij dat? Laten we er dan maar naar leven.
P.S. In no. 43 zaten wat drukfouten. Enige keren stond er Hand. in plaats van Rom, of Kor.
Drukker of zetter hadden geen schuld. Schuldige was H.J.J.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief