Het heil der kerken

1980-01-04
  • Jaargang 24
  • nummer 1
Nu de kerk van Breukelen het van prudentie getuigende besluit heeft genomen om de landelijke vergadering pas tegen begin 1981 samen te roepen, geeft dat ook enige ruimte om verder te spreken over het al berucht geworden artikel 34 van onze nieuwe kerkorde. We hebben wat meer tijd om na te denken over wat er gebeurd is. Want hoe we ook over het desbetreffende artikel denken, het is wel duidelijk dat er een tamelijk ridicule "oplossing" gevonden is tussen twee manieren van denken over de organisatie van het kerkverband.
En wat we ook doen of niet: belachelijk hoeven we niet te doen, als we ook op dit gebied van het gezag van de Schrift maar geen potje maken.
Om - zo nodig - het geheugen op te frissen, artikel 34 luidt zo: "Een besluit van de regionale of landelijke vergadering zal door de plaatselijke kerken bekrachtigd worden en in onderlinge liefde nagekomen, tenzij dit besluit strijdig bevonden wordt met de Heilige Schrift of met het Akkoord van kerkelijk samenleven of niet strekt tot heil van de gemeente. De kerk, die een besluit niet bekrachtigt, zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven". Als later de discussie vergeten is en de tekst alleen overgebleven is, zal iedere welwillende lezer van dit artikel begrijpen wat er bedoeld wordt - en dat is iets goeds - en tegelijk constateren dat er in dit artikel twee maal hetzelfde staat. Iets wat in strijd is met het heil der gemeente, is in strijd met de Schrift. En iets wat in strijd is met de Schrift, is in strijd met het heil der gemeente. De bedoeling van de woorden "of niet strekt tot heil van de gemeente", die zo zeer de verontwaardiging hebben gewekt van sommigen, kan en mag niemand bestrijden. Ze geven gewoon iets goeds aan. Zo duidelijk goed dat ik me ontslagen acht van de plicht om het aan te tonen.
Maar de woorden zijn waarschijnlijk toegevoegd om andere redenen dan de tekst doet vermoeden. We hoeven de discussie die gevoerd is - en niet voor het eerst in de kerkgeschiedenis - niet over te doen. Maar het is wel goed op een ander niveau te spreken met elkaar. De vrees die er bestaat voor de overheersing van plaatselijke gemeenten door meerdere vergaderingen is een gerechtvaardigde vrees. Het is goed die vrees te hebben. 1 Petrus 5: 2, 3. De vrees de sluizen open te zetten voor mensen die een draai geven aan de leer, Hand. 20: 30, is eveneens gerechtvaardigd. Het is goed ook déze vrees te hebben.
Het is een il1usie te denken dat het in deze bedeling mogelijk zou zijn dat christenen, die van harte graag willen buigen voor de Heer alleen, het altijd met elkaar eens zijn ook over de uitleg van de Schrift. Het is een doperse doling te menen dat christelijke gemeenten het in alles met elkaar eens móeten zijn. Het klinkt wel flink om te zeggen dat geen enkele afwijking van de Schrift geduld mag worden, maar het is een trieste onnadenkendheid en een niet buigen voor het gezag van de Schrift. Want het is in feite ongehoorzaamheid aan dat wat de Bijbel ons leert nl. dat ook wedergeboren mensen, gevonden door de Heiland en geroepen tot Zijn dienst, nog steeds tot alle boosheid geneigd zijn. Zonder enige afwijking van de Schrift, hoe dan ook en waarvoor dan ook, goed te praten, moet tóch steeds weer gezegd worden en vooral geloofd worden dat het puur Zelotisme is de verdorven aard van de mens niet in rekening te brengen.

De apostel Paulus, van wie wij in hoofdzaak ons “kerkrecht" hebben ontvangen als onderdeel van de waarheid van het evangelie, Galaten 2, zegt in Filippenzen 3 : 15 dat het voorkomt dat christenen uiteenlopend denken. Dat is geen werk van de Heilige Geest, als dat voorkomt.
We moeten het ook niet prijzen. Het is schuld. Maar er is een belofte dat in zulk een situatie de weg zal worden gevonden. De goede weg. God zal het openbaren. Hoe? Als we verder gaan in het spoor van dat wat we bereikt hebben. Wat hebben we bereikt? Bereikt hebben we dat we het allen eens zijn over het feit dat we alléén door Jezus behouden worden, zonder de werken. Dat is de volle raad Gods, Hand. 20 : 27. En niet door Jezus Christus en nog iets, wat dat ook moge zijn. De kanttekeningen CjP de Staten Vertaling verklaren "hetgeen we bereikt hebben" terecht met "dat is de rechtvaardigmaking des mensen". Want daarover spreekt Paulus in het derde hoofdstuk van de brief aan de gemeente van Filippi. Calvijn zegt bij dit hoofdstuk dat we moeten afzien van vertrouwen op alle mogelijke andere zaken, opdat we alleen roemen in de rechtvaardigheid van Christus, die de onze is. Daarover moeten we het eens zijn. Want dat is de waarheid van het Evangelie. Daarover mogen we niet uiteenlopend denken. Paulus is een zeer verdraagzaam man. Bij vele christenen dan ook niet in tel: Paulus is alleen maar "onverdraagzaam", als deze leer van de rechtvaardiging van de zondaar om niets, door Christus alleen, bestreden wordt. Gal. 5 : 12; Fil. 3: 2, 18; 2 Kor. 11: 13 vv.; Rom. 16: 18.
Paulus is zelfs geduldig tegenover de gelovigen in Corinthe die ertoe kwamen om te zeggen dat er geen opstanding is. 1 Kor. 15: 12. Voorwaar geen kleinigheid. Tegenover vijanden van het kruis van Christus dient de gemeente zeer onwrikbaar te zijn, ook in die zin dat afwijkende gevoelens daarover niet geduld mogen worden in een gemeente of in een kerkverband. Andere dwalingen inzake de leer zullen besproken moeten worden vanuit het geloof in de genade om niets. Zo vinden we de oplossing.
Dit is de belofte, waaraan niet getwijfeld mag worden.

Het zou goed zijn als wij de discussie over het heil der kerken voortaan zouden voeren in het geloof dat we het eens zullen worden. Als we maar bereid zijn te blijven bij de genade alleen. Als we niet uit de werken leven. Als we ook bedenken dat het "zonder de werken" niet alleen geldt in het stuk van de rechtvaardiging, maar óók in het stuk der heiliging en dus in het stuk van de kerk. Als we maar nooit gaan denken alsof we het stadium van de rechtvaardiging van de goddeloze rouden kunnen gepasseerd zijn in dit leven.
Vrij diepe ingrijpende onenigheden in het verleden tussen mensen die allen aan de Schrift willen vasthouden komen wel hieruit voort. Bij de tegenstanders van de zin snede over het heil van de kerken in artikel 34 is soms duidelijk aanwijsbaar dat zij inzake het kerkrecht uit de werken denken. Als men stelt, zoals gedaan is, dat je aan het Woord Gods niet voldoende hebt om elkaar in het rechte spoor te houden en dat daarom een kerkelijk samenleven noodzakelijk is, waarbij het niet mogelijk is om door de mazen van de wet te glippen, dan geloof je feitelijk niet meer aan de genoegzaamheid van Gods Woord voor geloof en leven. Evenmin aan de doorzichtigheid van de Schrift.
Als we om die reden een kerkenorde maken dan kunnen we het beter laten. Om die reden mag het niet, Bij sommige voorstanders van die beruchte zinsnede is er een overdreven angst voor de bemoeizucht van andere gemeenten. Overdreven, niet in het licht van de kerkgeschiedenis, maar wèl overdreven vanuit het geloof in Jezus Christus alleen. Al ons heii, ook al ons kerkelijk heil ligt in Hem. In Hem hebben we vrede en geen wanorde. Bij Hem zijn we veilig. We zijn niet veilig door anderen buiten de deur te houden. Evenmin als een gelovige in diepe ootmoed voor de HERE een andere gelovige buiten zijn leven mag houden als gewezen wordt op afdwalingen - wie bemerkt ze allen? - evenmin mag de ene gemeente trachten de andere buiten de deur te houden. Elke gemeente moet ook weten dat zij de Geest niet alleen ontvangen heeft. 1 Kor. 14: 36. De bereidheid tot correctie in alles moeten we hebben. De plaatselijke zelfstandigheid van elke gemeente èn onze verantwoordelijkheid voor elkaar ontmoeten elkaar in het rustpunt van de leer van de vrijspraak van de goddeloze, om Jezus' wil alleen, zonder de werken. Onrustig is elk hart dat daarin zijn rust niet vindt. Onrustig is elk kerkelijk samenleven dat daarin niet haar rust vindt.

Toen ik in de zestiger jaren deze dingen ook wel eens schreef, zei of predikte, werd me meer dan eens tegengeworpen dat we nu verder zijn dan Paulus. Zoals ik nu verdedigers van homofiele praktijken dat ook hoor zeggen dat we verder zijn jan Paulus en dat we meer weten.
Maar als we echt geloven dat Jezus Christus Zelf Zijn apostelen heeft gekozen, dan hebben we echter niet meer de overmoed te denken dat we ooit verder komen dan de Heer en de door Hem gekozen apostelen. Het gezag van de twaalf apostelen ontkennen of niet blijven bij het evangelie van de dertiende apostel is in feite een zich losmaken van Jezus Christus Zelf. De kerk van alle eeuwen is aan hun leer gebonden.

Als iemand een heel praktisch voorbeeld wil in deze? Paulus had toen hij vanuit de gevangenis de brief aan Filippi schreef niet alleen last van saboteurs (hoofdstuk 3), maar óók van mensen die uit haat en nijd tegen hem het Evangelie predikten. 1: 15, 16. Voorwaar een slechte zaak: een apostel van Jezus Christus benijden en haten. Maar tóch zegt Paulus "Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij en zal ik ook mij verblijden". Handelingen 15 is ook leerzaam en voorwaar niet voor niets letterlijk het midden van het boek van de Handelingen van Petrus en Paulus.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief