Soemba
1980-01-04
Brief van de Ned. Geref. Kerk 's-Gravenhage aan de Vrijgernaakte kerken van Oost-Soemba c.a.- Jaargang 24
- nummer 1
p.a. de kerkeraad te Parai Puluhamu:
Geachte broeders in onze Heer Jezus Christus.
De brief van de synode van uw kerken, die op 15-17 mei jl. werd gehouden, is door onze raad uitvoerig besproken, evenals de daarop aansluitende 31 brieven van verscheidene gemeenten en voorgangers.
U heeft uw teleurstelling over de door ons genomen besluiten duidelijk tot uitdrukking gebracht, evenals uw verlangen de band met uw predikant, ds P. P. Goossens, te behouden, ondanks het feit, dat hij jaarlijks slechts enkele maanden in uw midden werkzaam kan zijn. Uit die brieven is ons opnieuw duidelijk geworden hoe grote plaats hij bij U inneemt, ja dat U in feite niet buiten het dagelijks aanwezig zijn van een docent/adviseur kunt, naar de mens gesproken.
Toen we al die brieven gelezen en herlezen hadden, hebben we ons ecbt afgevraagd of we in onze brief van 7 november 1978 wel voldoende duidelijk uiteengezet hebben, wat de grondslag van onze besluiten was, waarom we die zó hadden genomen en wat ons daarbij voor ogen stond.
U spreekt namelijk vrijwel uitsluitend over de gevolgen van onze besluiten, terwijl U voorbijgaat aan de noodzaak, die ons er toe leidde ze te nemen.
Wij willen daarom opnieuw trachten die noodzaak voor U uiteen te zetten en daarbij tegelijk ingaan op hetgeen U ons in uw brieven voorlegde. Tevoren willen we U echter graag eerst herinneren aan het doen van onze HERE in verschillende situaties, waarin Hij duidelijk liet zien niet enkel afhankelijk van bepaalde mensen te willen zijn:
- Hij nam Mozes weg, toen het volk Israël het land Kanaän zou binnentrekken (Deutr. 34); toen juist - zouden wij zeggen - moest er geen wijziging van voorganger zijn;
- Hij ontnam de gemeente van Jeruzalem de apostel Jacobus, juist toen die gemeente in de druk van de vervolging kwam (Hand. 12);
- Hij liet het drijven van de Joden uitlopen op het gevangennemen van Paulus, toen de vele gemeenten in Klein-Azië en Griekenland nauwelijks tot leven waren gekomen en de zorg van deze apostel bijzonder behoefden (Hand. 22 e.v.);
- en - om niet meer te noemen - Hij nam onze Heer Jezus tot Zich, toen de discipelen nog weinig inzicht hadden in de voortgang van het Koninkrijk der hemelen (Hand. 1).
Maar Hij stelde in al die moeilijke omstandigheden daar véél tegenover: Zijn grote beloften, Zijn machtige arm. We herinneren U graag aan die vele beloften van onze Heiland, die, toen Hij van deze aarde vertrok, zijn volk niet als wezen heeft achtergelaten (Joh. 14: 18), maar Zijn Geest toezegde, die in alle Waarheid leidt (Joh. 16 : 5-15). Hij zorgt er ook voor dat Zijn Woord, het Woord van leven, in ons midden is (Rom. 10: 4- 15). Hij toch heeft alle macht in de hemel en op de aarde (Matth. 28: 18) en alle machten zijn Hem onderworpen.
Ook de catechismus spreekt daarvan in vraag en antwoord 54. Wij geloven en belijden dat allen. De Here brengt Zijn zorg tot uitdrukking door bijv. zijn gemeenten dienstknechten te geven - om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon; - tot opbouw van het lichaam van Christus; - totdat wij allen de eenheid des geloofs hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus (Ef. 4 : 1-16).
En die dienstknechten zijn thans ook reeds werkzaam in uw midden.
Dit alles - en nog veel, veel meer, geldt ook voor U, op Soemba. Dat ds Goossens, die zoveel voor U betekent, door gezinsomstandigheden meende zijn dagelijkse arbeid in uw midden te moeten beëindigen, mag voor U niet enkel een reden zijn om te treuren. U hebt toch een grotere, sterkere steun: onze Heer in de hemel en Hij wil dat U nu, juist nu, in Zijn kracht zelfstandig verder gaat.
Dat kan, broeders. Immers de discipelen konden er indertijd ook mee verder, toen hun Meester ten hemel was gevaren. Het geloof in Hem doe ook U en ons voortgaan. Lees daarover uitvoerig Hebreeën 11. U en wij kunnen er mee verder als mensen, waaraan we sterk gehecht zijn, ons verlaten. In geloof hieraan en in betrouwen op onze Heer en op al Zijn beloften hebben we dan ook onze besluiten kunnen nemen en we hopen van harte, dat U ze ook zó zult kunnen aanvaarden.
Nu is het punt, waar alles om draait, dat ds Goossens verleden jaar besloot Soemba te verlaten en in Nederland zijn werk voor U voort te zetten, zij het dat hij jaarlijks een korte periode bij U zou willen verblijven. U heeft daarin bewilligd. Zijn roeping, in uw midden predikant te zijn, in het bijzonder ten behoeve van de opleiding (maar in de praktijk toch ook om op velerlei gebied raad en steun te verlenen) is door dat besluit sterk gewijzigd.
Vandaar dat wij voor de noodzaak stonden de steunverlening aan U, ten behoeve van het gezin Goossens, te herzien. Alle voorstellen, zwaarlijk te maken, gaan daaraan voorbij en zijn enkel pogingen om de gevolgen van de gewijzigde situatie een minder zwaar accent te geven.
Uit uw brieven is ons opnieuw heel duidelijk geworden hoezeer de aanwezigheid van ds Goessens door U op prijs wordt gesteld, hoezeer die ook nodig is. Maar dan gaat het om een voortdurende aanwezigheid, niet slechts om enkele maanden per jaar.
De strijd tegen dwaalleer en adat is er toch steeds door? Adviezen en hulp zijn toch op de meest onverwachte ogenblikken nodig? Als er gebreken in de opleiding en dienstuitoefening van predikanten en goeroe's zijn, dan dient daaraan direct en voortdurend aandacht te worden gegeven en niet slechts in de enkele maanden van aanwezigheid (als ook veel andere zaken tijd vergen). En wat U niet zo duidelijk sohrijft, doch wat naar onze mening van bijzondere betekenis is en daarom ook altijd weer aandacht verdient is het prediken van het Evangelie onder hen, die dat nog niet hebben gehoord, dan wel die van de Waarheid zijn afgeweken. Daarvoor moet veel arbeid verricht worden en een speciaal in uw midden werkzame voorganger zou daaraan veel hulp kunnen geven.
Het feit ligt er, dat ds Goossens niet meer volledig ter plaatse aanwezig is, gelezen uw brieven menen wij U nogmaals met klem te moeten adviseren ons te vragen naar een vervanger om te zien. Deze zou, evenals ds Goossens voorheen, in uw midden bezig kunnen zijn en kunnen trachten in uw noden te voorn en. U noemt vele bezwaren, daaraan verbonden. Die zijn er ongetwijfeld. Maar ook die kunnen - als de HERE onze wegen in Zijn gunst leidt en wij dit ook van Hem verwachten - overwonnen worden. We hebben dat in het begin van deze brief uitvoerig geschreven.
En daarbij hebben wij speciaal bedoeld U er op te wijzen dat U als zelfstandige gemeenten van onze Heer verder moet en kunt. U bent niet van bepaalde mensen afhankelijk. De Here Jezus Christus houdt de gemeente in Zijn hand (Openb. 1: 12-20). U spreekt verder over de financiële lasten, die aanleiding zouden zijn geweest voor onze besluiten. Zeker broeders, die waren een factor, maar niet de eerste en de voornaamste.
Het geld, dat voor de arbeid op Soemba tot nu toe nodig was, is ook altijd met vreugde bijeengebracht: door de gemeenten in Nederland, juist ook omdat we de goede bestemming ervan zagen. Waar het ons nu echter om gaat is dat de steunverlening ook voor U zo doelmatig mogelijk moet blijven. Wij achten het thans niet meer verantwoord het gezin Goossens volledig te onderhouden enkel voor een jaarlijks bezoek aan U plus voor arbeid in Nederland te uwen behoeve. De omvang van die arbeid staat niet in een juiste verhouding tot de geldelijke lasten, die we van de zusterkerken zouden moeten vragen.
Als U schrijft, dat het gewenst is afgevaardigden te zenden, die zich in uw kring op de hoogte kunnen stellen van uw noden en van de mogelijkheden voor ons daarin tegemoet te komen, zeggen we: wat zoudt U ons na al die brieven en na de jarenlange contacten nog méér moeten zeggen dan wat er nu aan ons voorgelegd is? En stel eens dat we zouden komen, dan kunnen we elkaar niet verstaan en wie zou dan tolk moeten zijn? Ds Goessens. Maar dacht U niet dat hij in onze kring reeds duidelijk vertolkt heeft hoe de omstandigheden ten U went zijn? Wij zien er dus geen nut in thans een bezoek aan U te doen brengen.
Nu zult U na lezing van dit alles wellicht zeggen: er is dus niets gewijzigd.
Datis ook zo. De besluiten, die we in 1978 namen en in een brief aan U d.d. 7 november 1978 hebben neergelegd, komen ons juist voor en dienen ook uw belangen, voor zover dit thans mogelijk is. We kunnen het vertrek van de fam. Goossens niet ongedaan maken, evenmin als U dat kon. De gevolgen daarvan kunnen we ook niet wegnemen.
I We moeten voor het oplossen van de problemen die zich voordoen en zullen gaan voordoen, niet blijven zien op het verleden en op de persoon van ds Goossens. We moeten vooruitzien en nieuwe mogelijkheden van de HERE begeren. En zowel ds Goossens als wij zullen U dan gaarne van dienst blijven, voor zover ons dat mogelijk is.
Wij wensen U veel wijsheid toe om goede voorgangers te zijn in de gemeenten; de HERE roept U daartoe.
Oók om te beslissen in zaken, die in deze brief zijn besproken. Bovenal gemeenten op Soemba zich aan de Waarheid zullen houden. in leer en leven. Dat ze in liefde in elk opzicht naar hun en onze Heer zullen toegroeien.
Want aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen, die groei (Ef. 4 : 15, 16).
Mogen we met deze brief alle ons gezonden brieven als beantwoord achten? U zult toch niet van ons vragen ruim 30 afzonderlijke brieven te schrijven?
Tenslotte: zoals we in november 1978 schreven, willen we graag de contacten en de financiële steun ten behoeve van uw voorgangers blijven voortzetten. Dat is toch ook uw wens?
We eindigen met een recht christelijke groeten is, namens de raad van de Ned. Geref. Kerk te 's-Gravenhage,
ds J. D. Janse,
voorzitter IJ. Jacobs, secretaris