Opmerkingen over het diakenambt (1)
1980-01-11
Wat ik in de komende vijftien minuten ga zeggen over het diakenambt is niet meer dan een aantal losse opmerkingen. Een afgerond geheel moet u niet verwachten. Ik moet proberen een vraag te beantwoorden: wat verwacht ik van een diaken, hoe moet een diaken werkzaam zijn?- Jaargang 24
- nummer 2
Het antwoord op deze vraag houdt nauw verband met wat ik zelf zie als inhoud van het diakenambt. Ik verwacht kort gezegd dat u aan die inhoud gestalte geeft, van die inhoud iets laat zien. Ik ben me er daarbij van bewust dat ons werken hier -altijd stukwerk blijft, ook al werken we nog 210hard.
We leven vandaag in 1979 en dat betekent dat ik vragen rondom het diakenambt niet kan oplossen met citaten van Kuyper of Schilder, niet omdat wat zij schreven niet belangrijk was maar omdat de problematiek van vandaag aan hen onbekend was. We moeten bij het zoeken naar antwoorden 'bij de tijd' blijven. En daarom is dat zoeken vaak zo moeilijk.
Spreken over het werk van een diaken betekent dat gesproken wordt over een werk van dienstbaarheid, een werk van bezig zijn voor een ander, Een diaken is een dienaar. Hij heeft een bijzondere dienst op zich genomen.
Wat dat betekent kunnen we leren van de Here Jezus. Hij waste de voeten van Zijn discipelen en dat was in het warme Oosten beslist geen plezierige bezigheid.
Maar in het doen van dit minste werk was Hij de Meerdere, in het doen van het kleine openbaarde Hij Zich als de Grote. Een dienstknecht is niet meer dan zijn Heer. Diaken zijn heeft alles te maken met nederigheid en offervaardigheid, met zelfverloochening en hulpverlening. Voor dat alles is durf nodig. Allereerst ten opzichte van jezelf (je zelf verloochenen - dat is toch de minste zijn - vraagt moed), vervolgens ook ten opzichte van een ander (Je zelf aanbieden als hulpgevende vraagt óók moed, want aangeboden diensten zijn zelden aangenaam).
Diaken zijn in Gods gemeente heeft alles te maken met die gemeente zelf, met de mensen die tot die gemeente behoren. Maar dat niet alleen. Kerkmensen leven niet op een eiland ook al doen ze vaak alsof dat wel het geval is. Kerkmensen leven in de wereld, in de maatschappij. Gods kinderen verkeren met anderen in een omgeving.
Er zijn zaken die hen omgeven, er zijn maatschappelijke toestanden (situaties, visies, structuren, veranderingen) die zich opdringen aan de mensen van de kerk. Kerkmensen kunnen zich noch persoonlijk noch gezamenlijk aan die maatschappelijke vragen en problemen onttrekken. Als ze dat wel doen wordt hun spreken over licht der wereld-zijn een dooddoener, een holle kreet. Juist de overtuiging dat gelovigen niet van de wereld mogen worden, zal hen moeten brengen tot de grootste inspanning om te weten wat er in de wereld te koop is, wat die wereld op dit moment biedt. Een diaken in het jaar 1979 zal zich moeten inspannen om de vragen van vandaag dáár te hebben, hij zal zich op de hoogte moeten stellen. Hij zal bereid moeten zijn om zijn tijd hieraan te geven. Dat houdt zijn ja-woord bij de bevestiging in. !
In de maatschappij is de laatste jaren veel veranderd. Eeuwenlang zijn de gedachten in onze samenleving beheerst geweest door bijbelse en christelijke ethiek. De laatste tientallen jaren zijn er verschuivingen opgetreden waarvan generaties lang niet is gedroomd. Kerkmensen hoeven die veranderingen niet op te zoeken, de veranderingen zoeken hen op. De uitslag van de in 1977 gehouden enquête over seksualiteit laat dat o.a, duidelijk zien. Een enquête over allerlei vragen zou eveneens te zien geven dat jongeren anders denken en doen dan ouderen. Moderne meningen en leefwijzen dringen zich op aan kerkmensen en infiltreren binnen Gods gemeente. Bolwerken waaraan door gereformeerden jarenlang is gebouwd vallen om, keiharde stellingen over van alles en nog wat b1ijken het opeens niet meer te doen. Gemeenteleden - en ook ambtsdragers - worden onzeker nu ze merken dat allerlei regels en regeltjes niet meer gehanteerd kunnen worden. En wie meent dat dat laatste nog wel kan is even onbijbels bezig als een ander die zich al te gemakkelijk laat meeslepen door allerlei moderne ideeën.
Veranderingen vragen om bezinning, om een andere aanpak. Troostvol is het daarbij te bedenken dat God onze jeugd wil vernieuwen als die van een arend (Ps.103). Hij blijft met ons bezig als wij bezig blijven met Hem.
Diaken zijn betekent dat er praktisch werk moet worden verricht.
Praktische hulpverlening is nodig overal waar mensen leven en werken, waar mensen bezig zijn, waar mensen op weg zijn. Hulpverlening is nodig aan de man die beroofd wordt en 'aan de kant van de weg ligt tussen Jeruzalem en Jericho, maar ook aan het meisje van vijftien jaar dat een kind verwacht en denkt over abortus. Op de weg van 1979 lopen allerlei mensen: mensen in een zwart pak met een hoed op maar ook mensen in spijkerbroeken, maar ook jongens die als ze uit een disko th eek komen op straat lopen te brallen en te schreeuwen hoewel ze maar een paar pilsjes op hebben. Die ene groep is niet beter dan de andere, de vraag is maar wat er achter de buitenkant zit en waarom die jongens zo te keer gaan, misschien ligt de schuld daarvan wel bij die keurige mensen. Een diaken moet verder kijken dan zijn neus lang is.
Pastoraat en diaconaat hebben gemeen dat ze mensen moeten helpen om echt te kunnen léven. Het ambt van een diaken houdt meer in dan het geven van honderd gulden aan een weduwe die kleren voor haar kinderen moet kopen of het geven van een baby-uitzet aan een meisje van zestien jaar dat een kind moet krijgen. Er is méér te doen. Materiële hulp geven is wel goed maar vraagt niet zoveel inspanning.
Op de weg van 1979 lopen allerlei mensen die afwijken van wat wij normaal noemen. Als u oplet ziet u ze wel: jongelui die liever naar de kroeg gaan dan naar de jeugdvereniging, mannen en vrouwen die de katjes knijpen in het donker, studenten die lege panden kraken, anti-kernwapendemonstraties, junkies, homofielen, dieven, moordenaars, randfiguren. Kortom: er zijn veel randfiguren die op de gereformeerde beurs niet zo hoog staan genoteerd. Maar het zijn wel allemaal figuren, mensen die voor God iets te betekenen hebben, die door Hem zijn gemaakt. Maar wij kijken liever niet naar hen omdat we met hun problemen geen raad weten ook al doen we nog zo gewichtig en doen we net alsof weer alles van af weten. We verbergen onze onwetendheid en onkunde achter vrome woorden. Maar als je vandaag als diaken iemand daadwerkelijk wilt hel pen, zul je kennis van zaken moeten hebben inzake dingen die vandaag aan de orde zijn. Helpen is niet in de eerste plaats vermanen, maar de weg wijzen. Een jongen in de goot heeft niet in de eerste plaats behoefte aan een tekst maar aan een hand die hem op de benen helpt. Randfiguren zijn niet slechter dan zij die menen niet aan de rand te lopen. U kunt ze niet van uw weg afsturen, u kunt ze niet met een rotgang voorbijstuiven.
Het diakenambt heeft te maken met de man die alcoholist is en met de vrouw die het stelen niet kan laten, met de jongen die verslaafd is aan drugs en met het meisje dat steeds met jongens in bed duikt. Een diaken heeft te maken met mensen die op de een of de andere manier hun gezicht dreigen te verliezen; het is uw taak te trachten dat te voorkomen want ze hebben allemaal van God een gezicht gekregen. En als één van hen het gezicht verliest door uw nalatigheid, dan kán het zijn dat u uw gezicht verliest voor God.
Randfiguren, probleemsjouwers, mensen die in hun gedrag afwijken van het 'normale' patroon: allemaal 'laatsten' die door uw hulp "eersten' kunnen worden.