Predikant zijn in onze tijd
2008-09-26
Als ik iets ga zeggen over het predikant zijn in deze tijd zult u merken dat ik het predikant zijn vooral vanuit de prediking benader. De prediking van het evangelie is de navelstreng van de gemeente. Daar moet alle nadruk op vallen.- Jaargang 52
- nummer 19
Maar eerst iets over onze tijd. Wat is daarin het nieuwe, juist ook ten opzichte van de Bijbelse tijden.
Secularisatie
Het eerste is toch wel de sterke stroom van de secularisatie. Ten diepste is daardoor de heerschappij van voorheen omgekanteld tot de maatschappij van nu. De verticale geleding zoals die vroeger in de menselijke samenleving bestond: koning boven volk, man boven vrouw, ouders boven kinderen, heer boven slaaf, is goeddeels verdwenen. Die heren-toren is omgevallen en de stukken liggen op de grond. Ieder is nu maat van ieder, eigenlijk zonder dat er meer van een geleding sprake is. Voor de duidelijkheid zeg ik het wat overdreven, maar het is vanuit de werkelijkheid toch goed herkenbaar.
Die verticale geleding vond haar vastheid in de Here God. Hij was het die de touwtjes in handen hield, de touwtjes zoals die - bij wijze van voorbeeld - door een aantal ledenpoppen heenlopen en de afzonderlijke figuurtjes overeind houden en verband geven. Met het losraken van die touwtjes uit Gods hand liggen de figuurtjes nu onverbonden naast elkaar over de vloer.
Niet alleen verlies
Deze ontwikkeling van de samenleving lijkt enkel heilloos, maar er zit tegelijk ook goddelijke leiding achter.
In deze ontwikkeling is namelijk ook de individualisering meegekomen, de persoonlijke verantwoordelijkheid van een ieder. Zie dat niet te gauw als individualisme. Daar kan het in doorslaan maar dat hoeft niet.
Je ziet bijvoorbeeld in het Oude Testament al dat de profeet zich losmaakt uit de sociale verbanden en op zichzelf komt te staan. Je ziet het ook in de restvorming rondom de profeten van mensen die door persoonlijke keuze hun plaats in het verbond innemen. Het blijkt ook uit het feit dat in het Nieuwe Testament niet enkel de jongens maar ook de meisjes het verbondsteken ontvangen; de laatsten zijn niet langer in de heren der schepping begrepen. En denk ook maar aan de voor het Nieuwe Testament zo kenmerkende spreekwijze: een ieder die… De individuele gelovige komt gaandeweg in de Bijbel sterker naar voren en dat hoeft niet ten koste van de sociale verbanden te gaan.
Souplesse van het evangelie
Het zal nu de taak worden van de christelijke kerk om dit mooie van de secularisatie te benutten zonder de band met de Here God en met elkaar te verliezen. De Bijbel stimuleert ons tot het benutten van de voordelen van de secularisatie. Dat is de souplesse van het evangelie.
Ook het inwendige van de Schrift vertoont een ontwikkeling waaraan deze souplesse niet vreemd is.
De Schrift doet namelijk verslag van de weg die God met zijn volk gegaan is. Het is een weg die door een rijk geschakeerd landschap voert en door bergen en dalen heen een ontwikkeling vertoont. Hoe verschillend bijvoorbeeld gingen de aartsvaders en Jozua om met de heidenen met wie ze te maken kregen! De aartsvaders vredelievend en Jozua confronterend.
Het was de Here God zelf die hen daarvoor de aanwijzingen gaf.
En hoe verschillend werd op verschijnselen als van de 'gesnedenen' of de melaatsen gereageerd, als je Mozes (Deuteronomium 23:1; Leviticus 13 en 14) of Jesaja leest (56:3b-5) of de Heiland bezig ziet (Marcus 2:41).
Woord en Geest
Het zijn maar een paar voorbeelden maar hoe eye-openend is in dit verband het gebed van Psalm 25: 'HERE, maak mij uw wegen / door uw Woord en Geest bekend. / Leer mij hoe die zijn gelegen / en waarheen G'uw treden wendt.' Hoe vaak hebben wij zo'n psalmvers niet gezongen!
Het krijgt vandaag een nieuwe actualiteit, want de wegen die God met zijn volk gaat, lopen ook vandaag door een gevarieerd landschap en Woord en Geest zijn nodig om ze te zien lopen en te gaan. Aan het feit dat de Bijbel een oud en nieuw testament kent (de koran heeft dat niet!), waarin de gedachte meekomt dat er dingen achter ons gelaten moeten worden en naar nieuwe toepassingen van de goddelijke openbaring moet worden gezocht, moet in de theologische opleidingen recht worden gedaan.
Excuus voor het oponthoud
Want de Bijbel is springlevend en tegelijk stokoud. Dat eerste heeft de hoofdnadruk, maar dat laatste hoeft daarom niet verzwegen of verdoezeld te worden.
Laat ik een leuk voorbeeld geven van wat ik bedoel. In Matteüs 25:1-13 vertelt de Heiland de gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze meisjes.
Wanneer je die gelijkenis met moderne ogen leest (wat je in de gemeentes van vandaag toch verwachten mag) valt het op dat de bruidegom voor zijn te laat komen geen enkele verklaring laat horen, laat staan dat hij daar zijn excuus voor maakt.
Maar wij accepteren het te laat komen niet, ook niet als het de koning of de koningin is die trouwt.
We verwachten een verklaring of zelfs als het erg lang duurt een excuus. Zo gaat dat toch bij ons? De trein waarmee we reizen hoeft maar even stil te staan of we krijgen er een verklaring voor, met als slotzin: excuus voor het oponthoud!
Wanneer de Heiland zijn gelijkenis voor een modern gehoor gesproken had was het mogelijk geweest dat Hij teruggekregen had: Hé, Jezus, als die bruidegom op tijd geweest was dan had zich dat probleem van het olietekort niet eens voorgedaan!
Maar het schijnt dat niemand in die tijd op zo'n vraag kwam. Uit het feit dat aan de vroegere uitleggers die eigenaardige trek in de gelijkenis nooit opgevallen is blijkt hoe vanzelfsprekend het heerschappelijke denken gevonden werd. En wordt? Bewustmaking is nodig.
Ouderwets en willekeurig
Vandaar mijn nadruk op de grondigheid van de opleiding op het punt van Schriftstudie en prediking. Het gaat erom het verschil te zien tussen het toen-en-daar van de Bijbel en het hier-en-nu van onze tijd, een verschil waar we veel vaker op stuiten dan in die paar voorbeelden die ik gaf. Van tal van Bijbelse voorschriften of instellingen moet je de toen-en-daarachtergrond kennen, om te voorkomen dat je daar allerlei onwerkbare conclusies voor nu uit trekt. En ook de willekeur in het Bijbelgebruik.
Bijvoorbeeld bij de vraag of de charisma's van het begin nu nog nagestreefd moeten worden. Of de willekeur bij de uitleg van de Bijbelse profetieën.
Het één is wel geldig voor nu, het andere niet. Daar moet toch een overtuigende hermeneutiek uitsluitsel over kunnen geven? Niemand pleit ervoor (om maar iets geks te noemen) dat het strafgericht over Ananias en Saffira uit Handelingen 5 een vaste plaats in de gemeente zou moeten krijgen. Maar waarom eigenlijk niet als de kerk een kopie moet worden van de gemeente van het begin? Of zeggen we misschien terecht dat sommige dingen die ons verteld worden uitsluitend tot de beginfase (beginfases, beter gezegd) van de kerk horen? Noeste studie van de Schrift tegen de achtergrond van haar ontstaanstijd en -plaats is dus nodig.
Tijdelijk predikantschap
Als het gaat om de invulling van het predikantschap heeft het thema 'Predikant zijn in deze tijd' de onuitgesproken gedachte dat deze tijd om een bijstelling vraagt en dat het niet meer zal kunnen zoals vroeger. We hebben daar allemaal wel onze vermoedens over en daarom is het goed daar eens gearticuleerd over na te denken. Wat dan anders en hoe dan anders?
Laat ik de vraag eens opwerpen of het ambt van predikant in de toekomst nog een levensbrede en een levenslange taak zal kunnen zijn.
Levensbreed, dat je er geen werkzaamheden naast doet en levenslang, dat je er voor het leven voor kiest. Ik denk dat dit niet langer vanzelfsprekend zal zijn. Het verschijnsel van de deeltijdbaan doet zich al voor dat iemand voor slechts een aantal jaren als predikant beroepen en aangesteld wordt, omdat men de salariëring budgettair slechts voor een beperkte tijd kan garanderen. De kerken worden kleiner en de tijden worden duurder.
Ik voorzie daarom dat een voltijdige en volledig gesalarieerde predikantsplaats in de naaste toekomst meer gewestelijk dan plaatselijk gerealiseerd zal kunnen worden. De plaatselijke predikant zal op veel plaatsen verdwijnen, of beter gezegd: hij zal opgevolgd worden door de ouderling die arbeidt in de leer (zoals daarover in 1 Timoteüs 5:17 iets gezegd wordt). Een lerend ouderling dus? Ja, maar je zou hem ook wel een lerend diaken kunnen noemen, want hij zal in zekere zin een assistent (= diaken; de diaken is in het Nieuwe Testament de multi-inzetbare assistent, de amanuensis) van de gewestelijke predikant zijn. Deze assistent-predikant zal net als de ouderling in principe een onbezoldigde baan hebben, naast een beroep dat hij in het maatschappelijk leven kiest. Een ruime onkostenvergoeding, meer zal er niet af kunnen.
Zo althans stel ik het me voor.
Juist dan scholing!
Maar als dit inderdaad ons voorland is dan komt er nog meer verantwoordelijkheid te liggen op de predikant als Schriftgeleerde die vanuit een gedegen kennis ook leiding moet kunnen geven aan zijn assistent-predikers.
Het houdt mij de laatste tijd sterk bezig hoe wij als kerk op de vloedgolf van de secularisatie en op de opkomst van de Islam moeten reageren. De gemeentes worden klein, dat is het meest waarneembare gevolg van die secularisatie. En die overgang van heerschappij naar maatschappij behoort hier ook toe, want die overgang is van de secularisatie het belangrijkste gevolg. En als we nu Islam-achtig met de Bijbel omgaan zullen we alles bij het oude willen laten. Islam-achtig, dat wil zeggen: zonder oog te hebben voor de ontwikkeling zoals die in de Bijbel zelf te zien is. Dan zullen wij het ook helemaal niet nodig vinden dat zulke lerende ouderlingen of diakenen van tijd tot tijd bij elkaar getrommeld worden om van hun regiopredikant een geduchte scholing te ondergaan om te voorkomen dat ze vanuit een fundamentalistische Bijbelopvatting de mensen lasten opleggen die te zwaar zijn om te dragen. Dan zullen we argeloos op de oude paden van vroeger doorgaan Want nog nooit - let wel: nog nooit is het verschil tussen de wereld van de Bijbel en onze wereld zo groot geweest als nu. Tot dusver was onze samenleving min of meer een kopie van die van de Bijbel. In korte tijd is dat grondig veranderd. Zijn we daarop ingespeeld?
Tegen het simplisme
Sinds kort kennen we de HBO-opleiding in de theologie. Ik ben eerlijk van mening dat zo'n vorming onvoldoende zal zijn om aan de tegenwoordige vereisten voor de dienst des Woords recht te doen. Een volledige, academische vorming is vereist.
Wel niet voor alle arbeiders in het Woord maar wel voor een vast kader.
Om goed om te gaan met de afstand in tijd en ruimte tussen de Bijbel en ons heden is dat nodig. En om in de naaste toekomst de Islam te woord te staan niet minder. Want vergis je niet: er gaat van de Islam met z'n simplismen een wervende kracht uit.
De koran is zo lekker duidelijk, hoor je zeggen, en daar roken de brandstapels al voor de homoseksuelen.
Een verantwoorde dienst des Woords vergt een behoorlijke scholing, een zich grondig verdiepen in de Schrift, maar ook in de tijd en de omstandigheden waarin de Bijbel ontstaan is, met feeling voor wat geldt en wat voorbij is. Ik denk daarbij niet zozeer aan academische titels als wel aan inhoudelijke kennis en aan 'verstand met goddelijk licht be straald' (Psalm 119).
Onvertaalbare diepten
Juist op het gebied van de uitleg van Gods Woord komt het erop aan. De Bijbelvertalingen worden steeds vrijer, zodat het steeds nodiger wordt in de prediking en op de catechisatie te horen wat er nu precies staat. En ook dat mag niet zo maar uit de losse pols, want de moderne vertalers zeggen niet zo maar wat. Ze hebben hun argumenten. Alleen, ze moeten nagerekend worden en kunnen worden.
Want het is wel waar dat (hier komt weer een voorbeeld) de aanduiding voor de Here Jezus dat Hij de wortel en het geslacht van David is (Openbaring 22:16) vanuit het gangbare Nederlands niet duidelijk gemaakt kan worden. Maar dat geldt net zo goed voor het gangbare (koinè) Grieks van het Nieuwe Testament waarin het gezegd is. Dat de Heiland de wortel Davids genoemd wordt (zoals bij de profeet Jesaja over de Messias als de wortel van Isaï gesproken wordt, Jesaja 11:10) is in onverschillig welke taal zeer moeilijk te begrijpen. Het duidt aan dat de Here Jezus behalve dat Hij als nageslacht van David afstamt, ook aan Hem voorafgaat zoals de wortel aan de plant. Je moet de uitdrukking 'wortel Davids' vergelijken met het woord van Jezus uit Johannes 8:58: 'Eer Abraham was ben Ik'. Het voorbestaan of de preëxistentie van Jezus is ermee aangegeven, en dat is een geloofsgeheimenis van jewelste! Daar is niets van over als je hier met het woord telg komt, zoals de NBV zowel in Openbaring 22:16 als in Jesaja 11:10 doet. Jammer! En dat in een tijd dat de Islam en de vrijzinnige theologie storm lopen tegen de leer van de Drieëenheid en de godheid van Christus!.
Zelf geef ik in de kerk bij de Schriftlezing en zeker bij de tekstlezing de voorkeur aan de NGB-vertaling van 1951. Het is vandaag gangbare mode om die slecht te vinden, maar de voorzichtige eerbied voor de grondteksten is daarin zeer groot. De literaire gebrekkigheid die ik ook wel zie neem ik op de koop toe.
Misschien dat de herziene Statenvertaling aan dat laatste euvel tegemoet komt. Dan zou die de voorkeur verdienen.
Bescheiden invulling
Verder zou ik wel willen pleiten voor een bescheiden invulling van de taak van predikant. Laat hij toch vooral een vrijgestelde zijn voor de arbeid in het Woord! Daar zal het immers in de voor ons liggende tijd op aan komen. Hij dient als eertijds Apollos machtig in de Schriften te zijn. Dat wil zeggen dat hij meer in dan over de Bijbel leest. Een gevaarlijke opmerking, ik weet het. Want hoe vaak is het niet zo dat je juist door boeken over de Bijbel op frisse gedachten gebracht wordt waardoor je de Bijbeltekst met nieuwe ogen leest.
Maar toch trek je ook uit zulke boeken pas het optimale rendement als ze bij je landen op de bewerkte akker van een diepe schriftgeleerdheid.
Dan flitsen de associaties aan en wordt het mogelijk uit je schat nieuwe en oude dingen te voorschijn te brengen (nee, meneer de prediker, jouw schat is niet je rijke fantasie, het is niet je duim maar de Schrift zelf!). De arbeid in het Woord is de voornaamste taak van de predikant.
Veel theologische studies bewegen zich tegenwoordig meer op het terrein van de hoorders van het Woord dan op dat van de Spreker ervan. Het is net of men denkt: Wat de Here God zegt dat weten we nu wel, maar hoe staat het met ons als luisteraars?
Fout? Och, als men zegt: het een kan niet zonder het ander en het ander niet zonder het een, dan ben ik het daarmee ook nog wel eens. Het Woord zelf geeft trouwens al veel aandacht aan de hoorders. Maar toch ervaar ik de nieuwe benadering als een geduchte accentverschuiving. Bij die nieuwe aandacht voor de luisteraar kom je namelijk gemakkelijk terecht op andere studievelden dan de theologie zoals de psychologie en de sociologie, waar ook het pastoraat al zo vol van zit. De theologie wordt op deze manier te menskundig, is mijn vrees. Te pretentieus ook, want kunnen wij wel een goede kijk krijgen op wat het Woord van God met ons mensen doet? Moeten we dat niet meer aan Hem overlaten?
Onder de bescheidenheid die ik voor het ambt van predikant noodzakelijk vind, versta ik de zelfbeperking dat hij zich, met weglating van al het overbodige, concentreert op de hoofdzaak. Want nog eens: de woordbediening in al zijn vormen,het is de navelstreng van de kerk.
Drs. H. de Jong is emeritus-predikant van Zeist en voormalig studiebegeleider van de TSB.
| Bij de samenstelling van het themanummer bleek dat ds. H. de Jong een lezing hield ter gelegenheid van de opening van het cursusjaar van het Nederlands Gereformeerd Seminarie op 29 augustus 2008 met een inhoud, die nauw aansloot bij dit nummer. Hier volgt het grootste deel van zijn voordracht. Verspreid over deze Opbouw vindt u nog enkele van de aanbevelingen richting jongere collega's, waarmee De Jong zijn lezing besloot. Redactie Opbouw |