Boekbespreking

1980-11-07
  • Jaargang 24
  • nummer 42
Coen Boerma, Kan ook een rijke zalig worden?
Een onderzoek naar bijbelse gegevens over arm en rijk.
Ten Have, Baarn, 1978.
Prijs f 14,90.

Helaas kan ik over dit boekje van 111 pagina's niet positief zijn. Het leest de bijbel op het punt van rijk en arm weliswaar niet door marxistische bril, (zoals tegenwoordig hier en daar gewoonte wordt), maar het bereidt daar wel op voor en leunt daar wel tegenaan.
Bijvoorbeeld door de stelling dat Jezus door zijn zelf gekozen armoede en door de zaligsprekingen aan de armen van zijn tijd het bewustzijn heeft gegeven dat zij in ;zichzelf de basis en het subject van hun eigen verandering waren (! pg. 94), of ook door de stelling, dat armoede onrecht is (pg. 48). Om op dit laatste even door te gaan: Van de profeten heet het op pg. 50: "Armoede kan -daarom bij hen geen noodlot zijn, geen toevallig opgelopen achterstand, geen gevolg van luiheid of gemakzucht, maar het is een door de inhaligheid van de rijke veroorzaakt onrecht dat Gods verbond stukbreekt". Veel genuanceerder spreekt de schrijver zich op pg.
76 uit: "Opmerkelijk is dat dit (grillige) lot er in de bijbel wel is, maar eigenlijk nergens accent krijgt. Niet het probleem dat de vader of man dood is, of dat er geen regen valt, is het grootste probleem, maar het probleem waar de bijbel regelmatig aandacht voor vraagt, is dat niemand voor de gedupeerden zorgt." Wie in de bijbel thuis is en bijvoorbeeld het boekje Ruth leest, kan zich met de laatste opmerking goed verenigen. In het boek Ruth treffen we de armoede aan als beschikking - Naomi die van man en kinderen beroofd is en daardoor tot de bedelstraf vervalt -, maar dan vervolgens (en dat is belangrijker) als appèl: wat doen de inwoners van Bethlehem daar nu aan?
Het is Boaz die daar een prachtig antwoord op geeft.
Zo is het doorgaans in de Schrift: "Wanneer uw broeder verarmt en zich bij u niet meer. staande kan houden, dan zult gij hem - vreemdeling en bijwoner - ondersteunen, opdat hij bij u in het leven blijve", Levit. 25 : 35. Hier zie je de armoede als lot en daar bovenuit de mogelijke verslechtering van de situatie van de arme door het reageren van de omgeving.
Nu wil ik met dit onderscheid zeggen dat tegen de armoede als lot niets gedaan zou mogen worden, maar ik kan de plompe bewering dat armoede als zodanig onrecht is, geen echte bijdrage daartoe vinden. Dat leidt maar tot nijdasserigheid - wat uit dit boekje ook wel blijkt. Bedoelde bewering is echt een reactionaire overdrijving.
Maar het hele betoog is er wel op gebouwd.
Ook vind ik dat dit boekje in z'n eindconclusies (hfst. 7) te veel van de gemeente verwacht. "Wie anders dan de Kerk van Christus heeft alle reden en alle mogelijkheid om vanuit de door haar gevormde gemeenschappelijkheid, een feitelijke bijdrage te leveren aan het hervinden van de samenlevingsopbouw die God voor ogen staat en die Hij te zijner tijd ook in zal voeren" (pg. 105).
Het lijkt vreemd dat ik bezwaar aanteken tegen dit verwachtingsvol kijken naar het volk van God. Toch doe ik dat, vanwege enkele zinnen die daaromheen staan. Op pg. 104 is sprake van "de mammonisering van de samenleving, die als een vloedgolf over ons heenspoelt en waar je als individu niet tegen opgewassen bent". Pg. 105: "Niemand kan dat in onze totalitair wordende wereld als individu." Pg. 106: "Een dergelijk initiatief zou belangrijker zijn dan het individueel weigeren van salarisverhogingen."
Wordt hier de gemeente niet als uitvlucht, vrome uitvlucht, gehanteerd om aan de eis van persoonlijke bekeringe ontkomen? Wat staat ons eigenlijk in de weg om als we iets als goddelijke roeping hebben Ieren zien, er op ons eentje mee te beginnen?
Dat vind ik zo fijn in ons geloof, dat je niet op anderen behoeft te. wachten, maar dat je altijd zélf al kunt beginnen met de nieuwe gehoorzaamheid.
God zal je dan wel laten zien wie je als medestander(s) naast je krijgt. Abraham ging toch ook alleen uit Ur der Chaldeeën? Met dit voorbeeld steekt de Here God een hart onder de riem van Israëls ballingen die zich ook heel persoonlijk uit het baylonische leven moesten losmaken om naar Jeruzalem terug te gaan.
"Want Ik riep hem als eenling", zegt de Here van Abraham (Jes. 51 : 2). God roept ons ook vandaag als eenlingen.
Wat zou er gebeurd zijn, als Luther op de kerk gewacht had?
Samenvattend: veel gedachtengoed van moderne dwaalleraars vinden we in dit boek op tamelijk verwarrende wijze bijeengebracht. Er blijkt uit dat de dwaling een kracht is, zoals Paulus in 2 Thess. 2: 11 schrijft. Deze kracht is hier echter niet ontwikkeld, maar ondergaan.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief