Gereformeerde Oecumenische Synode (3)
1980-11-14
3. DE POSITIE VAN DE GEREFORMEERDE KERKEN IN DE G.O.S.- Jaargang 24
- nummer 43
3.1. Verleden
Al geruime tijd is de positie van de Geref. (syn.) kerken in Nederland (verder afgekort als G.K.N.) binnen de G.O.S. omstreden. Het veldwinnen van de moderne theologie binnen deze kerken is een aantal G.O.S.-leden niet ontgaan. In een aantal gevallen heeft dit geleid tot het verbreken of afzwakken van de onderlinge zusterkerk-relaties en de bezorgdheid van deze kerken over de koers van de G.K.N. resulteerde tijdens de G.O.S. in Kaapstad-1976 in een aantal scherpe uitspraken aan het adres van de G.K.N. De G.O.S. sprak o.m. uit, de theologische ontwikkelingen rond dr. Wiersinga en prof. Kuitert diep te betreuren en bond de G.K.N. op het hart met de nodige haast in deze kwesties tucht te oefenen.
De G.O.S. verklaarde, zich bewust te zijn van de bijzondere problemen die het oefenen van tucht meebrengt over theologen en ambtsdragers die afwijken van de Schrift en de belijdenisgeschriften, maar sprak niettemin uit dat "als aan deze problemen een hogere prioriteit zou worden toegekend dan aan de roeping van de kerk om het volk van God voor afval te bewaren, het resultaat alleen maar kan zijn dat de G.K.N. de kenmerken van de ware kerk verliezen". Een kerkelijk beleid dat een onschriftuurlijke leer en levenspraktijk in de kerk toelaat betekent een schending van de G.O.S.-constitutie, aldus Kaapstad. Het Interum Committee kreeg opdracht over deze zaken met vertegenwoordigers van de G.K.N. te spreken en over de ontwikkelingen binnen deze kerken aan de volgende G.O.S. te rapporteren.
3.2. Het rapport van het Interim Committee
In Nîmes lag dan ook een rapport van het Interim Committee op tafel, waarin verslag werd gedaan van de gesprekken met het moderamen van de G.K.N. in 1978 en van de ontwikkelingen in de kwesties-Kuitert en -Wiersinga. In dit rapport geven de leden van het I.C. blijk van hun oprechte begeerte om aan de ontwikkelingen binnen de G.K.N. uitsluitend de toets van het Woord van God aan te leggen: het rapport maakt duidelijk dat de opstellers ervan de leringen van dr. Wiersinga inzake het plaatsbekledend lijden van Christus en van prof. Kuitert inzake Schriftgezag en openbaring volstrekt afwijzen. Maar tevens blijkt, dat de leden van het I.C. hun informatie over beide zaken ontlenen aan de gesprekken met het moderamen van de G.K.N. en niet aan eigen onderzoek. Ze varen vrijwel blind op deze informatie en komen dan ook tot gematigd-positieve conclusies ten aanzien van de wijze waarop de synode van de G.K.N. beide zaken heeft behandeld. Ten aanzien van dr. Wiersinga wordt geconcludeerd, dat de synode van de G.K.N. trouw is geweest in het oefenen van tucht, terwijl ten aanzien van prof. Kuiter begrip wordt getoond voor de opschorting van een synodale uitspraak over zijn opvattingen totdat het deputaaschap Kerk en Theologie is uigestudeerd op de vragen rond het Schriftgezag. Van inzicht in de mate waarin hun beider visies binnen de G.K.N. door anderen worden gedeeld en hebben doorgewerkt onder predikanten en gemeenteleden, geeft het rapport geen blijk; van het effect van de synodebeslissingen terzake heeft men een weinig reëel beeld. Om het in een zin samen te vatten: een vriendelijk rapport met wat naïeve conclusies van goedwillende, Schriftgetrouwe, maar matig geïnformeerde broeders.
Behalve via dit rapport van het I.c. waren de kwesties-Kuitert en -Wiersinga in Nîmes ook op tafel gelegd door een drietal lidkerken van de G.O.S., t.w. de Orthodox Presbyterian Church (Noord-Amerika), de Free Church of Scotland en de Reformed Churches of New-Zealand, die alle drie kategorische uitspraken van de G.O.S. in deze zaken vroegen.
3.3. Nîmes over Kuitert en Wiersinga
De conclusies van het rapport van het I.C. en de in genoemde brieven gedane voorstellen werden in Nîmes in eerste instantie besproken in commissie 6 o.l.v. dr. J. Timmer van de Christian Reformed Church.
De besprekingen in deze - besloten - commissie waarvan de eerste ondergetekende deel uitmaakte, lenen zich niet voor verslaglegging. Gemeld zij slechts, dat binnen de commissie grote bezorgdheid van een aantal afgevaardigden over de gang van zaken rond dr. Wiersinga, met name over het feit dat deze predikant kon en mocht blijven, terwijl hij niet in staat is om het hart van het Evangelie, de verzoening met God doordat Jezus Christus in onze plaats Gods toorn over de zonde droeg, te verkondigen, stond tegenover de nadruk die de vertegenwoordigers van de G.K.N. legden op de officiële besluiten van de synode van de G.K.N. dat dr. Wiersinga's opvattingen ontoelaatbaar zijn en dat hij deze niet mag "drijven".
Na een dagenlange worsteling om er samen uit te komen bracht de commissie in deze zaak een unaniem rapport uit aan de plenaire vergadering, waarvan de voorstellen door de synode zonder vorm van discussie werden aanvaard. In het uiteindelijke synodebesluit wordt de conclusie van het I.C. dat de G.K.N. in deze zaak getrouw tucht hebben geoefend niet overgenomen.
Het woord "getrouw" werd eruit geschrapt. De G.O.S. sprak uit dat de G.K.N. officieel de leer van de verzoening door voldoening handhaven, maar betreurde ket dat de G.K.N. aan Wiersinga niet de eis van herroeping van zijn ontoelaatbare leer hebben gesteld als voorwaarde om predikant te blijven.
Ook in de zaak-Kuitert ging de G.O.S. zonder discussie akkoord met de voorstellen van commissie 6. De synode onderstreepte met een verwijzing naar de besluiten van Kaapstad-1976 de ernst van de zaken die hier in geding zijn, en berustte verder in het feit, dat de synode van de G.K.N.
nog geen uitspraak heeft gedaan over de leringen van prof. Kuitert en daartoe eerst het rapport afwacht dat deputaten Kerk en Theologie eind 1980 over de aard van het Schriftgezag hopen uit te brengen. Dat betekent dat de kwestie-Kuitert in 1984 binnen de G.O.S. opnieuw op het tapijt komt.
3.4. Evaluatie I
Anders dan was verwacht, werd het verdere G.O.S.-lidmaatschap van de G.K.N. niet afhankelijk gesteld van een beslist en krachtig weren van de dwaalleringen in kwestie. En in de pers zijn de G.O.S.-besluiten inzake Kuitert en Wiersinga dan ook betiteld als verrassend gematigde en milde besluiten.
Wie daaruit de conclusie trekt dat de G.O.S. geen ernst maakt met de eigen grondslag en toelaat dat lidkerken van die grondslag afwijken, vergist zich. In de besluiten in de kwestie-Wiersinga zitten wel degelijk vermanende elementen aan het adres van de G.K.N., en in de kwestie-Kuitert hebben deze kerken weinig meer dan "het voordeel van de twijfel" gekregen. En in geen enkel opzicht is Nîmes achter de forse uitspraken van Kaapstad teruggegaan. Maar tegelijk voelt de G.O.S. zich op formele gronden niet bevoegd om op dit moment verdergaande uitspraken in deze zaken te doen.
In de zaak-Wiersinga heeft men geconstateerd dat na de laatste bezwaarschriften deze kwestie niet langer op de Lunterse synodetafel ligt en dat de synode niet eigenmachtig deze zaak opnieuw op haar agendum kan plaatsen. Daarom, zo benadrukten afgevaardigden wier kerken zelf al èerder met de G.K.N. hebben gebroken vanwege o.m. deze zaak, kan de G.O.S. dat nu niet van de synode van de G.K.N. vragen. En wat de kwestie-Kuitert betreft, deze wordt als "sub judice" beschouwd en dat verhindert de G.O.S. om op dit moment verderstrekkende uitspraken te doen.
Graag hadden wij de G.O.S.-besluiten op deze punten doortastender gezien.
Omdat in de zaak-Wiersinga het hart van het Evangelie in geding is, betreuren wij het, dat formele argumenten het de G.O.S. hebben verhinderd om van de G.K.N. te verlangen, dat deze aan dr. Wiersinga alsnog de eis stellen om zijn dwaalleer te herroepen en ook positief het volle Evangelie der verzoening te gaan verkondigen. En helaas heeft de G.O.S. niet benadrukt, hoe funest de in de zaak-Kuitert door de G.K.N. gevolgde procedure van het doorschuiven van de materie naar een studiedeputaatschap is, wanneer - zoals in deze zaak - het gezag van het Woord van.
God en de uniekheid van het christelijk geloof in geding is.
Voor een goed begrip van de manier waarop de G.O.S. in Nîmes de kwestie van de theologische ontwikkelingen in de G.K.N. heeft behandeld, is het echter nodig zich het volgende te realiseren.
Wij zijn er beslist van overtuigd dat de overige lidkerken van de G.O.S.
trouw willen zijn aan het gezag van Gods Woord en aan het Evangelie van de verzoening door voldoening, en moderne theologische dwalingen willen weerstaan. Het probleem is alleen dat ze door de geografische afstand en de taalbarrière vaak slecht op de hoogte zijn van wat er in Gereformeerd Nederland anno 1980 aan de hand is, zowel wat de leer als wat het leven betreft.
De G.O.S.-kerken die traditioneel sterke banden met Nederland hebben (via emigratie, opleiding van predikanten etc.) hebben vaak nog het beeld van de G.K.N. uit de vijftiger jaren voor ogen en zien zaken als de kwesties-Kuitert en -Wiersinga als - hoewel ernstige - incidenten. Bovendien zijn de G.O.S.-kerken in het algemeen voor hun beeld- en opinievorming sterk afhankelijk van wat de G.K.N. zèlf aan informatie verschaffen: informatie die ernaar tendeert de situatie binnen de G.K.N. zo positief mogelijk voor te stellen en in elk geval de toestand niet echt diep peilt. Vertegenwoordigers van de G.K.N. betonen zich ware meesters in wat we niet anders kunnen betitelen dan als het leggen van mist- en rookgordijnen.
Wat zijn daarvan de gevolgen? Dat het in de zaken-Kuitert en -Wiersinga maar om de topjes van een ijsberg gaat - en in de vorm waarin ze op de G.O.S. aan de orde zijn dan nog om topjes van jaren her - ontgaat de meeste G.O.S.-kerken. Dat Wiersinga allang weer een nieuw boek geschreven heeft, weet men niet, laat staan dat men de inhoud kent van de onschriftuurlijke denkbeelden die hij daarin ventileert. Dat Kuitert in zijn opvattingen vele medestanders heeft> onder professoren, predikanten en kerkleden -, is de meeste G.O.S.-kerken onbekend. Dat het modernisme binnen de G.K.N. niet langer een kwestie is van wat incidentele vuurhaarden maar van een uitslaande brand, en dat het zaad, dat van de universiteitskatheders is gezaaid, via de pastorieën welig vrucht draagt in tal van plaatselijke kerken, daarvan heeft men geen notie, en dat maakt dat de uitspraken van de G.O.S. in deze kwesties een wat naïeve indruk maken en ver bij de feitelijke ontwikkelingen achterlopen.
Daar komt nog bij, dat de kerken uit de Derde Wereld die al meer dan de helft van het ledenbestand van de G.O.S. uitmaken, in het algemeen weinig antenne hebben voor dogmatische en kerkrechtelijke zaken. Het theologiseren zit hen niet zo in het bloed als veel Nederlandse gereformeerden.
Interesse voor de vaak niet gemakkelijk te vatten gedachtenspinsels van moderne theologen ontbreekt bij hen vaak, en de behoefe om zich te verdiepen in de ins en outs van ingewikkelde binnenkerkelijke tuchtprocedures is meestal gering. Van de eenvoud waarmee deze broeders met de Schrift omgaan kunnen wij, gecompliceerde Westerlingen, erg veel leren en hun directe omgang met Gods Woord zonder dogmatische franje doet weldadig aan vergeleken met het hersenbrekende getheologiseer en kerkpolitieke gemanoevreer van sommige Nederlandse synodes. Gevolg is wel dat ze op kwesties als Kuitert en Wiersinga eerder reageren met een "Wat al die theologen uitdenken, daar hebben onze kerkmensen voor hun zieleheil niets aan en dus hebben. wij er geen boodschap aan!" dan met een grondige doorlichting en confrontatie. Bovendien gunnen deze kerken de G.K.N. wat sneller "het voordeel van de twijfel" vanwege hun sympathie voor het feit dat deze kerken binnen de N.O.S. het hardst ten strijde trekken tegen rassendiscriminatie en partijdigheid.
Overigens is ons in Nîmes keer op keer gebleken dat veel G.O.S.-kerken openstaan voor waarheidsgetrouwe en konkrete voorlichting over de situatie in kerkelijk Nederland en op grond daarvan tot handelen bereid zijn.
Wanneer de visie over Wiersinga in een nieuw boek opnieuw naar buiten komt - en hoe kan dat anders bij zo'n principiële keus - en de synode van de G.K.N. houdt zich er weer mee bezig, dan komt de zaak opnieuw op het G.O.S.-agendum, zo werd ons in Nîmes van vele kanten verzekerd.
En via het rapport van het G.K.N.-deputaatschap Kerk en Theologie komt de kwestie-Kuitert op de volgende G.O.S. in ieder geval weer aan de orde.
Dat bij een voortduren van de tolerantie inzake de aantasting van het Schriftgezag binnen de G.K.N., de G.O.S. dan een onomwonden uitspraak zal doen, daaraan bestaat bij ons geen twijfel.
Samenvattend: In Nîmes heeft de G.O.S. naar onze mening inzake de ontwikkelingen in de G.K.N. de eigen grondslag bepaald serieus genomen.
Dat door allerlei belemmeringen het effect daarvan wellicht onvoldoende zichtbaar wordt, hopen we in het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt.
(wordt vervolgd)