Van de rechtvaardigen (4)

1980-11-14
  • Jaargang 24
  • nummer 43
Hoofdstuk 7 van het boek van de heer Jansen is gewijd aan “de kinder en der rechtvaardigen". Daar valt veel over te zeggen, zeker als je in het onderwijs dag aan dag bezig bent. Maar meer nog als je let op wat de HERE over hen in Zijn Woord zegt en hoe Hij hen dagelijks gadeslaat. "Tegen álle recht in beweert de moderne gelijkheidleer, dat God geen onderscheid mag maken". Velen zeggen vandaag, dat Hij geen onderscheid maakt. Maar dat doet Hij juist wèl.
Immers "wij hebben de plaats van onze geboorte niet besteld, dat is Gods bestel". Door de belofte aan ons en aan onze kinderen - en niet aan millioenen anderen - heeft de HERE een keus gemaakt, zijn onze kinderen "heilig" (1 Kor. 7: 14), kinderen van het koninkrijk. In de eeuw van het kind met veel nadruk op zijn individualiteit en zelfstandigheid, lopen we gevaar dié keus-in-de-geslachten te minachten en alle aandacht te richten op de persoonlijke keus van de mens "die zijn hart aan Jezus geeft". Er ligt een erfenis klaar, laten we daar toch blij mee zijn en als wettige erfgenamen daarheen leven.
Zo omgaan met onze kinderen, in gezin en gemeente, geeft basis aan het leven, vasthield. Dat alles dan zomaar en als vanzelf gaat, is ons nooit beloofd. De opvoeding kost moeite, soms is het hard aanpakken.
Dat kan, als er liefde is.
Hoofdstuk 8 draagt als opschrift "de God der rechtvaardigen". Je zou bijna zeggen: daar gaat het in het héle boek over. Wat we daarover lezen, is ook voor onze tijd bijzonder behartenswaardig. "Hij is niet een begripsgod - of een vrome god - of een christelijk godsbeeld of een hoogste zijn - (... ) of hoe de bedenksels des harten mogen heten, maar Hij is Jahwè, onze Heer, die werkelijk ingrijpt in de werelden kerkgeschiedenis". Een levende HERE, die het goede met Zijn volk voorheeft, maar Die niet alles goed vindt, wat dat volk doet naar eigen mening.
God de HERE is niet zoals mensen Hem in hun gedachten hebben: een lievige God, Iemand die bereid is veel (zo niet alles) door de vingers te zien. Die niet serieus genomen behoeft te worden en zo. Hij staat niet altijd klaar om te doen, wat mensen willen en Hij legt ook geen verantwoording aan ons af. Hij is bóven alles en allen verheven en tegelijk bemoeit Hij zich met ons.
Hij kan blij zijn over Zijn volk (Jes. 62 : 5) en doet het dan goed. Hij kan ook echt boos zijn op dat volk, vanwege zijn zonden en komt het dan tegen - berg je dan! Een verterend vuur (Deut. 4: 24). Weten we nog wat dat is: bang zijn voor die HERE? Zó bang, dat we ons heel gauw bekeren, ons omkeren om naar Hem terug te gaan? Hij leeft ook met Zijn volk mee, kende Israël in de verdrukking door de Egyptische macht (Ex. 2), verloste het en droeg het door de woestijn, zorgde voor voedsel en kleding en was zijn Beschermer tegen de vijandige Bedouïnen. Dat wás eeuwen geleden zo, dat is nog zo. Van Hem en Zijn genade moeten we het hebben.
Zijn beloften voor nu en voor de toekomst zijn de parels van grote waarde, waarvoor we al het andere moeten prijsgeven.
Als vanzelf volgt dan hoofdstuk 9 over "de overste Leidsman der rechtvaardigen". Hebr. 12 houdt ons voor te letten op de "geloofsloopbaan" van onze Heer. Na veel lijden is Hij verhoogd. Dat is ook voor de rechtvaardigen weggelegd.
Daarom: leer van Hem, schenk telkens weer aandacht aan het volgen van Hem, méér dan aan werken voor acten, méér dan altijd bezig zijn met eigen positieverbetering.
Zijn leven zij een vóórbeeld voor ons: zoals Petrus het aan de gemeenten duidelijk maakt (2e brief, hoofdstuk 1: 5-8). Wat is onze Here Jezus met wijsheid en beslistheid Zijn (moeilijke) weg gegaan, onopvallend. "Als één mens ooit aanspraak mocht maken op originaliteit, dan is het toch zeker wel Jezus geweest. En toch merken wij bij Hem van gewilde rariteiten totaal niets. Hij had kunnen zeggen op de Sabbath: mijn tempel van ongekorven hout en de machtige hemelkoepel - die werken mijner handenzijn mij een sprake van de Vader, beteren zuiverder dan de dienst in de Synagoge. (... ) maar Hij was gewoon om op te gaan naar de synagoge, Luc. 4 : 16. Hij had kunnen zeggen: Ik ben niet verplicht mij te kleden als de anderen en had ook in zijn kleding zijn buitengewone persoonlijkheid kunnen tonen. Maar Hij droeg de gewone Joodse kleding."
Nogmaals komt de gelijkheid, die de democratische (moderne) samenleving predikt, aan de orde. Christus had al Zijn discipelen lief, maar er was er één, met wie Hij zich bijzonder verbonden wist (Joh. 21: 20), evenals Hij ook een zwak had voor Maria, Martha en Lazarus.
Ook Daniël was een zeer gewenst man (9: 23). Zo ook mogen wij onderscheid maken, mogen we ook nagaan of ons leven zo is, dat de HERE ons méér zal gaan liefhebben.
De overste Leidsman is opgevaren naar de hoge en in hoofdstuk 10 is aandacht gegeven aan "het hoofd der rechtvaardigen in de hemel".
Hij is daar werkzaam. "Wie meent, dat het Hoofd der Kerk zich maar alleen bezig houdt met "het vrome", die dwaalt zeer wel. Hij rekent ons ook na, wat we met ons geld doen." Zijn hulp, troost en bijstand ontvangen we, op onze vraag. Want Hoofd en lichaam zijn toch één? Zijn tegenwoordigheid "wordt naar de Schrift ervaren bij het samenstemmen der gemeenten in het gebed om enige zaak, bij de tucht over de wandel en de leer, bij de prediking van het Evangelie en het bedienen der sacramenten - dat lijkt zo niets op "Christus tegenwoordig" aan het kampvuur in stille zomernacht op de hei of in de bidcel van de monnik of in de verschijningen, die de "heilige" Theresia te beurt vielen."
Zijn gemeente verlangt echter naar méér. Verbonden als ze is met haar Hoofd. wil ze Hem ontmoeten. Niet Jezus in ónze levenssfeer trekken (b.v. als Kind in de kribbe), Hem zo bij ons doen inwonen. Nee, de gemeente verlangt bij Hem in te wonen (2 Cor. 5: 8), zij het dat ze daarvoor uit het lichaam uitwonen moet. Dat is geen "hemelverlangen", zoals velen met zich dragen; het is een wens van de Heiland, die ons kocht, onze Bruidegom, echt te zien als de historische persoon Jezus, in Zijn verheerlijking. Om met Hem te verkeren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief