Een levende ziel
1980-11-21
In verband met het verhaal van vorige keer over Sjun en Til en het vagevuur moest ik denken 'aan wat de kerkmens en in de loop der eeuwen over lichaam en ziel naar voren hebben gebracht. Het vagevuur heeft immers alles te maken met de roomse leer over de ziel.- Jaargang 24
- nummer 44
Roomse leer, 't is de vraag of die wel zo rooms is. Want ook protestanten hebben gedachten over de ziel die weinig bijbels zijn.
Er is natuurlijk een heleboel over te zeggen. Laat ik er zo maar eens wat losse opmerkingen over maken.
Toen Jezus op aarde wandelde en direkt daarna ook kregen de leden van de eerste christengemeenten te maken met de griekse leer inzake ziel en lichaam. De zg. gnostiek liet z'n invloed gelden. De ziel was het hogere, het lichamelijke het lagere van de mens. Om de ziel ging het dus eigenlijk, het lichaam was maar stof. Als Paulus in Col.
2 : 8 waarschuwt voor de wijsbegeerte van mensen, die voortkomt uit de wereld en niet uit God, heeft' hij ongetwijfeld de gnostische leer op het oog gehad. Het lichaam 'maar' stof, maar Johannes 1 leert ons dat Gods Zoon juist dat lichamelijke heeft verkoren, het Woord is vlees geworden. Dat is een geweldig gegeven uit het begin van het Johannes-evangelie. Het is een geweldig ding dat de bijbel het zó zegt.Trouwens, Johannes heeft er méér over gezegd, zie 1 Joh. 4 : 3,4 maar eens.
De bijbel spreekt over het lichaam niet als over iets minderwaardigs. Als je het scheppingsverhaal leest in Genesis 1 en 2 worden trouwens een heleboel dingen ineens duidelijk. In Genesis 2 geeft de bijbel een wat andere belichting op het scheppingsgebeuren dan in hoofdstuk l.
Eerst wordt er gezegd dat de mens gemaakt is uit stof. Dat was niet iets minderwaardigs, want ook die stof was goed door God gemaakt. Daarna wordt verteld dat God de levensadem geeft aan de mens en zo wordt de mens dan tot een levend wezen, tot een levende ziel. Dat die mens tot een levende ziel werd was niets bijzonders. Ook van de dieren wordt ditzelfde gezegd.
In Genesis 1: 20 lezen we dat de dieren op de aarde en de vissen in de zee levende wezens, levende zielen zijn. Het bijzondere van de mens ten opzichte van een dier zit dus niet in het 'levend zijn' of in het 'een ziel hebben'. Mensen en dieren zijn zielen, ze hebben van God een levensgeest ontvangen.
Job heeft er iets van begrepen toen hij zei dat de Geest van God hem heeft gemaakt en dat de adem van de Almachtige hem doet leven (Job 33 : 4). En Ezechiël vertelt in het bekende verhaal over de doodsbeenderen (hoofdstuk 37) dat God die dode beenderen weer levend zal maken, weer geest in die beenderen zal brengen zodat ze weer leven.
De mens heeft geen levende ziel maar is een levende ziel.
Doordat God de mens de adem inblaast wordt hij tot een levend wezen en straks, als hij sterft, keert die geest weer tot God die het leven eens gaf (Pred. 12 : 7). Zoals Elihu het zei (Job 34 : 14, 15): 'Indien Hij (God) Zijn aandacht op hem richtte, zijn geest en zijn adem tot Zich terugnam, dan zou al wat leeft tegelijk de geest geven, en de mens wederkeren tot stof'.
De gelovigen zijn in leven en sterven geborgen bij God, niet vanwege een onsterfelijke ziel, maar omdat ze met Jezus hun geest in Gods handen mogen leggen, nu en ééns!
De mens een levende ziel. A. Janse heeft daar in de dertiger jaren eens een mooi boekje over geschreven dat het herdrukken waard zou zijn.
Het lichaam is niet minder dan de geest, het léven dat God er aan geeft. Dat lichaam komt straks uit het geopende graf tevoorschijn, dan zal niet in het stille graf Gods lof worden gezongen, maar bóven het graf God de eer ontvangen.
Bijbels denken over lichaam en ziel en geest is belangrijk!
Niet alleen voor Sjun en Til maar voor ons allemaal.