De Bijbel in het feminisme en andere bevrijdingsbewegingen (4)
1980-11-28
Breukelman's afscheidscollege- Jaargang 24
- nummer 45
Zoals ik vorige week schreef wil ik aan de hand van het afscheidscollege van de theoloog Frans Breukelman laten zien dat zijn theologische arbeid methodisch open staat voor ideologisch misbruik. Waar ging het in dat college over? Over de man en de vrouw in het evangelie naar Mattheüs. Hij kondigde van te voren aan dat de vrouw er goed en de - man er bij hem (want bij Mattheüs) niet goed af zou komen. Nu is Breukelman zeker geen feminist. Hij is daarvoor eigenlijk te zeer iemand van een andere generatie en wat nog meer zegt: hij is daarvoor te goed getrouwd, hetgeen ook bleek uit het college dat hij meteen lofrede aan zijn vrouw afsloot. Hem staat dus ten aanzien van de manvrouw-relatie echt wel een harmonie-model voor ogen - hetgeen het huidige feminisme al gauw een verdoezeling vindt. Maar het is met Breukelman als met zo velen vandaag, dat zij aan dat harmonie-model denken te werken door naar de mode van de tijd de mannetjes-bravour over de knie te leggen. Ik proef daar altijd iets van angst in: laten we máar gauw vrijwillig een stapje terug doen, als mannen, voordat die vrouwen helemáál over ons heen walsen. Maar ook zo gaat men, hoe mild en zachtaardig ook, mee met de moderne man-vrouwpolarisatie, die op haar wijze en voor haar deel de maatschappij in belangen-groeperingen uiteen scheurt.
Als we zien dat het tussen mannen en vrouwen scheef gegroeid is en bikkel-hard gaat worden, dan geloof ik dat we naar het woord van psalm 14 moeten zeggen, dat we tesamen ontaard zijn. En dat we daarom als mannen en vrouwen tesamen de handen vol hebben aan onze bekering. Dan kan het echt wel eens gebeuren dat we een keer eenzijdig naar één kànt kijken en zelfs is er plaats voor een aanspreken van de man als de eerst verantwoordelijke.
Maar volgens Genesis 1 : 27 is de mens eerst mens en vervolgens mannelijk of vrouwelijk.
En deze mens is het overkoepelende adres van de Goddelijke Openbaring. Als je dit mens-zijn laat schuil gaan achter het gepolariseerde mannelijk- of vrouwelijkzijn, dan hanteer je, naar een woord van Miskotte, een moderne vervreemding van het evangelie als hermeneutische sleutel tot de teksten.
Dat moet fout gaan in de Schrift-uitleg.
En dat ging het dan ook in dat college.
Dat bleek meteen al toen het ging over Jozef, de ondertrouwde man van Maria. "Jozef, zoon van David, ben je nu helemáál mal, om je vrouw zo heimelijk van je te laten!" - zoliet Breukelman de engel zeggen. De arme Jozef was daarmee in één klap gemanoevreerd inde rol van een vrouwen-verdrukker “Het begint al meteen goed voor ons mannen!" Maar Mattheüs schrijft-, laat ik het maar weergeven naar de oude Staten-vertaling -: "Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken ... " Geen woord hoorden we daarover in de uitleg!
Een onbegrijpelijke vergissing van deze geleerde die - dat bleek onderweg - zelfs de griekse tekst van dit evangelie uit z'n hoofd kent.
De naamgenoot achter in het evangelie kwam er niet beter af: Jozef van Arimathea, Deze legde volgens Breukelman vanwege zijn bemoeienis rondom de begrafenis van Jezus de laatste hand aan diens lijden en voltooide daarmee alles wat Jezus door mannenhand was aangedaan.
Kontrasterend hiermee liet Breukelman vs. 61 van Matth. 27 klinken: "En aldaar was Maria Magdalena en de andere Maria, zittende tegenover het graf." Piëteitvolle vrouwen dus. Om deze voltooiende rol van Jozef aannemelijk te maken moest natuurlijk de mededeling van Mat theüs dat "Jozef ook zelf een discipel van Jezus was" (vs. 57) onvermeld blijven. Wie Jozef zelf was, deed er niet zoveel toe.
Dat is trouwens wat kenmerkend voor de methode-Breukelman, Wie mensen in de Bijbel in en voor zichzelf zijn, legt niet veel gewicht in de schaal; ze staan voor iets, ze vertegenwoordigen iets, een groep, een kategorie, een soort. Zo is er weinig plaats voor persoonlijkheid en nog minder voor onverwachts, tegendraads reageren. Wat in de werkelijke geschiedenis zo irriteert en tegelijk zo boeit, dat namelijk het gebeuren een aaneenschakeling van toevalligheden kan zijn, zodat personen en dingen zich nooit in een schema laten persen, is in een Bijbel die alleen-maar-literatuur is natuurlijk veel minder een probleem.
Papier is immers geduldig. En zo krijgt Jozef van Arimathea, tegen zijn wil en de werkelijkheid in, zijn rol opgedrukt van hekkesluiter van wat mannen (pilatus de mannetjesputter voorop!) Jezus hebben aangedaan.
De wenende vrouwen bevestigen deze rol alleen maar. Voor een Jozef van Arimathea die op het geheel van het joodse establishment een uitzondering is, is geen plaats.
Terwijl nu juist dát zo bemoedigt; dat dat kán: uitzondering zijn op zo'n treurige regel!
Hier wreekt zich dus de opvatting van de Bijbel als alleen-maar-literatuur.
Hij is dan inderdaad een speelbal geworden van ideologieën die buiten de Bijbel om en vóór de Bijbel uit al vast staan. Hier dus de ideologie van de polarisering van de man-vrouw-verhouding. De Bijbel wordt ten opzichte van zulke ideologieën een bij-bel; het hoofdgeluid komt van elders.
Tegenover deze twee mannige mannen kwamen in het college twee vrouwige vrouwen te staan: de Maria van de zalving (hoewel zij bij Mattheüs geen naam draagt) en de echtgenote van Pilatus. Wat Breukelman over de Maria van de zalving zei, vormde het hoogtepunt van zijn voordracht. Inderdaad neemt Jezus daar vrouw die een maakt in bescherming mannen-
kritiek. Je kunt niet zeggen dat het man of vrouw zijn hier geen enkele rol speelt. En de vraag van de Here Jezus: waarom valt gij deze vrouw lastig? leent er zich daarom toe, uit dit verhaal uitgelicht en tot een meer algemene vraag gemaakt te worden. Waarom vallen wij mannen de vrouwen zo vaak lastig? In bepaalde opzichten zijn zij de zwakkeren en daar wordt niet zelden misbruik van gemaakt. De Here Jezus heeft dan ook, met de hele Bijbel mee, zeker oog voor verdrukkingssituaties, waaruit de vrouw gered moet worden. Zoals Mozes de dochters van de priester van' Mi dian verloste en hielp (Exodus 2 : 16 v.v.).
Toch kun je deze geschiedenis van de zalving niet gebruiken als illustratie bij de bewering dat 'de' vrouw er in het evangelie van Mattheüs in tegenstelling tot 'de' man goed afkomt.
Dan draag je een oneigenlijke antithese in de Bijbel in en de teksten beginnen opeens met een vreemd aksent te spreken. Bij deze leeswijze moet je trouwens ook langs bepaalde gedeelten heen luisteren.
Ook in dat zelfde 'vrouwengezinde' Mattheüs-evangelie. Ik doel nu op de passage in Matth. 20: 20 v.v. waar de evangelist in de persoon van de moeder van de zonen van Zebedeüs (wat eigenaardig is dat gezegd; is die vrouw misschien gescheiden geweest?) een vrouw voor ons neerzet, die maar door één hartstocht gedreven wordt: de carrière van haar kinderen. Volstrekt herkenbaar en uit het leven gegrepen, daar niet van. Maar wie zou niet protesteren als ik hierbij uitriep: ziehier de vrouw! Het hele evangelie lezend moet je toch zeggen: geen vlees kan roemen voor God; geen mannenvlees en geen vrouwenvlees?
bijgezet op de vrouwen-galerij van Mattheüs. Ik had haar tot dusver altijd voor een wat bijgelovig iemand gehouden. Dat Mattheüs over haar droom en boodschap bericht, zag ik als het opvoeren van een onverwacht en onverdacht getuigenis aangaande Jezus onschuld: bemoei u toch niet met die rechtvaardige ... (Matth. 27 : 19), vergelijkbaar met de uitroep van de kapitein van het executie-peloton en zijn soldaten: waarlijk, dit was een Zoon Gods! (vs. 54). Deze mensen moeten om hun woorden niet te haastig tot Christus-belijders gemaakt worden, zo leerde men ons vroeger.
Maar Breukelman deed dat met de vrouw van Pilatus eigenlijk wèl. En op grond waarvan? Wel, zij zegt: " . .. want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden". En de woorden 'in een droom' of 'droomsgewijs' komen in Matth. 1 en 2 vijf maal voor en steeds gaat 't dan om openbaringsdromen. Dus zullen we (volgens Breukelman) moeten zeggen dat 't God Zelf was die tot de vrouw van Pilatus gesproken heeft. Bovendien hebben haar woorden 'veel geleden' een frappante overeenkomst met Jezus' eerste lijdensaankondiging in Matth.
16 : 21 waar Jezus zegt dat Hij veel moet lijden van de zijde der oudsten, overpriesters en Schriftgeleerden, (kortom: van al die mannen).
Verrast was ik dat ook de echtgenote van Pilatus posthuum werd Deze overeenkomst in woorden maakt de vrouw van Pilatus, volgens Breukelman, tot een medelijderes van Jezus.
Nu, het is alles op dit punt erg gezocht.
Het zegt trouwens ook wel heel veel over deze methode van uitleg. Aan het toevallig samenklinken van sommige woorden en uitdrukkingen met die in andere passages wordt zo'n grote betekenis gehecht dat de onderhavige passage in z'n eigenheid haast niet aan het woord kan komen. Het wordt vanuit het geheel van de compositie van het evangelie bijna voorspelbaar wat deze of gene op die plaats of bij die gelegenheid moet zeggen of doen. Dat komt ervan als je van een bijbelboek of van de Schrift als geheel een literaire compositie maakt. Dan dien je niet meer, als evangelist of als uitlegger, maar dan heers je.
Ik ben op het exegetische werk van Breukelman aan de hand van een voorbeeld (zijn afscheidscollege) wat nader ingegaan. Waarom? Omdat zijn methode populair is en onder de predikanten veel navolging vindt. Bij al het knappe en stimulerende dat er aan en in zit, wil ik er toch tegen waarschuwen. Wie gaat exegetiseren met overslaan van de inleidingsvragen, dat wil zeggen: wie de Bijbel gaat uitleggen met voorbijzien van het feit dat hij hartstochtelijk verwijst naar de werkelijkheid van Gods grote daden in schepping en geschiedenis, die schept een vacuüm, een leegte vóór de tekst, die heel gauw ideologisch opgevuld wordt. En de ideologieën die zich dan in de leegte vóór de tekst nestelen, beheersen vervolgens de uitleg. Hetzij het gaat om de ideologie van de man-vrouw-polarisatie.
of om die van de klassenstrijd of om die van de tegenstelling der rassen - de uitsluitend literaire exegese is er vroeg of laat weerloos aan overgeleverd. De teksten moeten zich voegen in een schema dat hun vreemd is.
De verschillende bevrijdingsbewegingen die wij vandaag ontmoeten worden hoofdzakelijk door genoemde ideologieën aangedreven. Het beroep op de Bijbel is er sekundair en bijkomstig. Het Woord kritiseert daarom de ideologie niet meer, maar bevestigt die en scherpt er de antitheses van aan. Het is zo z'n aan alles voorafgaand gezag kwijt.
Ideologische geweldenaars grijpen vandaag naar de Schrift (Matth. 11: 12). Wij moeten zorgen dat wij niet door een verkeerde theologie de Bijbèl voor dit ideologische misbruik toegankelijk maken.
We komen op die bevrijdingsbewegingen zelf nog wel eens terug.